Is er leven na dit leven?

Contact met overledenen bij bijna-doodervaringen: tijdens bijna-doodervaringen ziet men en spreekt men vaak met familieleden en kennissen, die al overleden zijn (dus nooit nog levende personen). Soms is een BDE-er er zelfs nog niet van op de hoogte dat de betreffende persoon al was overleden.

 “Ik ga ervan uit dat het bestaan van ontlichaamde geesten wetenschappelijk overtuigend is aangetoond, en beschouw de scepticus niet langer als iemand die recht van spreken heeft over dit onderwerp. Een ieder die het bestaan van ontlichaamde geesten en het beschikbare bewijsmateriaal ervan weigert te accepteren is ofwel onwetend, of een morele lafaard. Ik heb geen geduld voor zo iemand en ben niet bereid nog langer met hem of haar te argumenteren, aangezien ik ervan uitga dat betrokkene niets van het onderwerp afweet.”  (Citaat uit  Colin Wilson’s  “Een speurtocht naar leven na dit leven”, p 178. Uitg. Het Spectrum – Aura.)

2.1 Uit: Is er leven na de dood? (I. Wilson), p. 120, bijna-doodervaring:
“Er leken gedaanten te zijn… En toen ik naar een van die gedaanten keek, leek die zich op te lossen en ik dacht: ‘O, God, dat is mijn tante Hannah!’ die elf jaar geleden is gestorven. En toen zag ik mijn oom Abraham die stierf voordat ik geboren werd, en ik kende hen… Zij kenden mij ook, al hadden ze me nooit gezien… Mijn oma die ik nooit ontmoet had, mijn opa, al die mensen die ik niet gekend heb en die ik wel gekend heb en die jaren geleden zijn gestorven, of die nog maar pas zijn overleden… Toen keek ik om en ik keek naar de gedaante die naast me stond – het was mijn vader. Mijn vader stierf toen ik zestien was.”

2.2 Uit: Is er leven na de dood? (I. Wilson), p. 131 (kind, 3 jaar), bijna-doodervaring:
“… opa was er, en zijn moeder, en nog een vrouw die op jou leek … Opa zei dat hij het leuk vond om me te zien, en zijn moeder nam me op haar schoot en gaf me een kus.”

2.3 Uit: Herinneringen aan de dood (M. Sabom), p. 51, bijna-doodervaring:
“Ik kwam op een of andere plaats waar al mijn verwanten waren verzameld: mijn grootmoeder, mijn grootvader, mijn vader, mijn oom die onlangs zelfmoord had gepleegd. Ze kwamen naar me toe en begroetten me …”

2.4 Uit: De tunnel en het licht (R. Moody), p. 68 (kind, 7 jaar), bijna-doodervaring:
“… onder andere haar gestorven grootouders, haar gestorven tante, en Heather en Melissa, twee volwassenen die wachtten op hun wedergeboorte.”

2.5 Uit: De tunnel en het licht (R. Moody), p. 98 (professor Engelse literatuur), bijna-doodervaring:
“… mensen die al gestorven waren: een vriend van de universiteit, mijn grootvader, een oudtante en nog vele anderen.”

2.6 Uit: Bijna dood (A. Opdebeeck), p. 209, bijna-doodervaring:
“Ik lag op de grond en had het besef dat er (is) iets niet normaal was. Ik kwam uit mijn lichaam en dat zag ik heel goed: ik zag die leraar die er ondertussen bij gekomen was. En die stond bij mij, eigenlijk in mij. Ik dacht: dat kan niet! Dat was heel eigenaardig. Dan hang je daar ongeveer zowat boven en je ziet dat … Ik was helemaal niet bang. Ik voelde mij zeer aangenaam … En mijn grootvader was er ook … Toen ik ginder was, heb ik gepraat met mijn grootvader, die ik als kind heel sympathiek vond, die ik echt aanbad … Hij maakte mij duidelijk: ‘Ik ben wel dood, maar jij moet eigenlijk ginds zijn. Het is je tijd nog niet.’ Maar dat werd zo niet gezegd, het was eerder een gevoel dat opkwam. En toen heeft hij me gezegd: ‘Ga maar terug.’ … En toen heb ik opnieuw mijn lichaam gezien, voor ik er weer inging … Ik heb daar nog een hele tijd liggen staren en nadenken over wat er nu eigenlijk was gebeurd.”

3.1 Uit: Het licht gezien (K. Ring), p. 36, bijna-doodervaring:
“… had ik een meisje van mijn leeftijd (vijf jaar) zo geplaagd, dat ze bijna huilde. Ik kreeg nu de unieke gelegenheid om door te maken wat dat kleine meisje had gevoeld. Haar frustratie, haar wellende tranen en haar gevoel van isolement werden nu door mij gevoeld.”

3.2 Uit: Het licht gezien (K. Ring) p. 133, bijna-doodervaring:
“Ik herinner me een incident in het bijzonder … toen ik als kind het paasmandje van mijn zusje afpakte, omdat er speelgoed in zat dat ik wilde hebben. Maar in de terugblik voelde ik haar gevoelens van teleurstelling, verlies en verwerping.”

3.3 Uit: Is er leven na de dood? (I. Wilson), p. 144, bijna-doodervaring:
“Zo zag ik me bijvoorbeeld in mijn kantoor zitten tijdens mijn loopbaan, waarin ik de professor speelde toen een student met een persoonlijk probleem bij me kwam. Ik zat daar mededogend, geduldig en vriendelijk te kijken, terwijl ik me innerlijk dood verveelde. Ik keek achter het bureau op mijn horloge, terwijl ik ongeduldig wachtte tot de student uitgesproken was.”

3.4 Uit: Is er leven na de dood? (I. Wilson), p. 145, bijna-doodervaring:
“Ik kreeg te zien hoe ik, toen mijn zusje een moeilijke nacht doormaakte, naar haar slaapkamer ging en mijn armen om haar heen sloeg. Ik zei niets. Ik lag daar alleen maar met mijn armen om haar heen. Die ervaring bleek een van de grootste triomfen van mijn leven te zijn.”

3.5 Uit: Is er leven na de dood? (I. Wilson), p. 154, bijna-doodervaring op 5-jarige leeftijd, op latere leeftijd verteld (is dan anesthesioloog):
“Ik beleefde opnieuw alles wat er in mijn leven gebeurd was en ik keek er als toeschouwer naar met het Wezen. Het meeste wat ik zag, had te maken met mij en mijn broertje, op wie ik erg jaloers was. Mijn aandacht werd gevestigd op de uitwisseling van onze emoties, mijn gevoelens van triomf als ik hem sloeg, zijn verrassing als ik hem zonder redenen sloeg, zijn boosheid en wrok, en later zijn triomf als hij mij te pakken nam… Toen ik iets aardigs voor hem deed, ervoer ik mijn liefde, de verbazing van mijn broer, en ook zijn liefde en geluk. Ik ervoer zijn gevoelens even duidelijk als de mijne, waardoor dit een fantastische les werd over de gevolgen van mijn eigen handelingen.”

3.6 Uit: Bijna dood (A. Opdebeeck), p. 145, bijna-doodervaring:
“Plotseling begon ik beelden te zien. Het was mijn levensfilm. In een keer zat ik zo heel knusjes en warm in mijn moeder haar buik. En ik wist dat ook en tegelijk bekeek ik dat … Tijdens die levensfilm heb ik dat allemaal fysiek herbeleefd; mijn babytijd en mijn kinderleven, alles ging erdoor. Ik beleefde dat ook, ik kon zien welke gevolgen sommige dingen hadden op andere mensen, wat die dachten als ik wat gezegd had, wat daar dan het gevolg van was. Van sommige dingen vond ik dan: dat had ik beter niet gedaan, of dat had ik beter niet gezegd.”

4.1 Uit: Vorige levens (R. Moody), p. 77 (is nu vrouw), reincarnatie, hypnose:
“Ik was een man. Een zeeman die uitkeek over de turkooisblauwe zee terwijl het schip de haven binnenvoer. Ik wist dat ik geen belangstelling had voor de vracht die we moesten vervoeren, maar dat ik alleen in de zee geinteresseerd was. Als alle anderen blij waren dat er land in zicht kwam, keek ik al uit naar de volgende reis, die me nieuwe avonturen zou brengen.
Toen ik aan land ging, kon ik mezelf van buitenaf zien. Ik was klein en gespierd, met dik krullend haar, en ik keek bijzonder ernstig. Ik liep een heuvel op en ging een arbeidersbuurt in. Toen ik de heuvel opliep, kon ik precies registreren wat ik dacht. Ik dacht aan mijn vader en hoe hij altijd op zee zat, net als ik nu. Ik had zeer dierbare herinneringen aan hem en voelde een grote leegte bij de gedachte dat ik hem nooit meer zou zien.
Er heerste een levendige drukte op straat. Mensen schreeuwden, verkochten spullen en vertelden elkaar van alles op luide, heftige toon. Ik nam er niet aan deel. Ik liep nors door naar huis.
Thuis had ik vrouw en kinderen, maar ik was niet bijzonder blij ze te zien. Ik werd getroffen door de onpersoonlijke houding die ik tegen mijn kinderen aannam. Ik groette hen, maar ik kuste of knuffelde hen geen van allen. Ook had ik voor niemand cadeautjes meegenomen, hoewel ik verscheidene weken op zee was geweest en vele havens had aangedaan. Het was duidelijk dat ik mijn hart verpand had aan de zee.
Voor mij betekende ‘thuis’ alleen de plaats waar ik verbleef wanneer het schip de thuishaven aandeed. Ik ging er naar bed met mijn vrouw en had er wat gezelschap, maar voor het grootste deel beleefde ik geen genoegen aan mijn vrouw of mijn kinderen. Ik kwam pas tot leven als ik met mijn maten aan boord was. Daar was ik een vrolijk, levendig iemand. Thuis was ik niemand.
Ik beschouwde mijn onpersoonlijke houding als een verweer tegen al te grote gehechtheid. Net als mijn vader vroeger wilde ik over de wereld zwerven.
In de volgende scene zag ik mezelf onmiddellijk terug in het ruim van mijn schip. Hoewel het maar een vrachtschip was, was het prachtig ingericht. Ook waren de schotten geheel bedekt met houtsnijwerk en schilderingen en was het schip bijzonder schoon en goed onderhouden. Het was duidelijk dat de bemanningsleden van hun schip hielden.
Ik maakte tijdens deze regressie geen reizen. Ik had alleen maar een herinnering aan die zeetochten en die bezorgde me het meest vrije gevoel dat je je kunt voorstellen. Ik kon me echter niet herinneren in andere landen te zijn geweest.
Ten slotte zag ik mezelf op het einde van mijn leven. Ik zat in een stoel en vertelde verhalen over mijn leven op zee. Ik was op een of andere wijze gewond geraakt, want mijn benen waren zo goed als verlamd en ik kon niet veel meer dan zitten. Ik weet niet wat er gebeurd was, maar ik denk dat ik in een van de ruimen van het schip was gevallen of dat er een deel van de lading op me terecht was gekomen. Wat ik alleen weet, is dat de rest van mijn leven bestond uit het vertellen van zeeverhalen.”

4.2 Uit: Vorige levens (R. Moody), p. 85, reincarnatie, hypnose:
“Ik zag een prachtige, ranke boot in het water. Hij was van hout gemaakt, lang en ruim, met spitse uiteinden. Er zat een man in met een prachtige hoofdtooi op en gekleed in een lange, witte jurk. Deze man was een soort priester en als ik naar hem keek, kon ik uit mijn gevoelens opmaken dat ik dat was.
Vier roeiers waren bij me in de boot. We voeren over een zeer rustig water, een lagune. Om me heen zag ik honderden mensen die op de oever naar ons stonden te kijken, terwijl wij door het water laveerden. Ik haalde mijn handen uit mijn kleed en wierp een handvol bladeren en spaanders op het water. Deze handeling moet de een of andere religieuze betekenis hebben gehad, want de mensen raakten er opgewonden van.
In het achterste deel van de boot lag een man in een opgerolde, afwerende houding en hij keek angstig alsof iemand hem een pak slaag ging geven. Zijn handen en voeten waren zo strak aan elkaar gebonden dat ze bleek zagen. Ik had geen medelijden met hem, want naar mijn idee was dit volgens de regels, in overeenstemming met de wijze waarop deze godsdienstige ceremonie diende plaats te vinden.
Ik liep naar het achterste deel van de boot, greep de man bij zijn schouders en wierp hem in het water. De menigte aan de oever raakte buiten zinnen. De man spartelde even rond en toen werd het water rondom hem troebel door de vele kleine visjes die hem aan het opeten waren. De mensen op de oevers waren bijna waanzinnig. Maar ik voelde niets. Het was alsof ik verdoofd was.
Vervolgens kreeg ik een flashback te zien van mijn jeugd. Ik was een kleine jongen en ik woonde in het oerwoud, in een huis dat op palen was gebouwd. Mijn vader was priester. Ik begreep niet goed wat mijn vaders beroep inhield. Ik wist niet wat hij daar dag in dag uit deed, waarom hij uren stilzat en naar een afgodsbeeld staarde.
Ik ging naar de volgende scene uit mijn kindertijd. Ik bevond me in een rokerige kamer met een paar jongens van mijn leeftijd. We zaten tegenover een stel oudere mannen, die met scherpe stenen patronen in onze gezichten sneden. Dit moest veel pijn doen, maar ik was helemaal verdoofd. Hierna kregen we bitter vocht te drinken en we voelden ons allemaal heel vrolijk. Toen kregen we te horen dat we mannen waren geworden.
Vervolgens zag ik hoe ik hard door een bos rende, achter een hert aan. Ik had een stok met een pijl erop in mijn handen. Uiteindelijk haalde ik het hert in en kon ik de stok gooien en het dier raken. Het hert viel en ik bukte me om zijn keel door te snijden. Dit maakte dat ik me eerbiedig, gelukkig en zeer mannelijk voelde.
Ik ging verder en zag mezelf in een huis dat uit houtblokken was opgetrokken. Ik was daar met mijn vader, die me de principes van onze godsdienst uitlegde. Ik hield van hem en ik respecteerde hem, maar ik was verward door al dat gepraat over religie. Mijn vader legde me uit dat ik hogepriester van de stam zou worden, een functie waar ik me niet bijzonder geschikt voor voelde. Met deze scene eindigde de flashback.
Ik keerde terug naar de boot, en keek toe hoe die man werd opgegeten door de visjes. De menigte aan de oevers was nog steeds wild enthousiast over wat ze zagen gebeuren. Ik staarde naar de man en wierp stukjes blad en schors in het water. Het was duidelijk dat deze handeling een heilige betekenis had voor de mensen langs het water, maar niet voor mij. Ik voerde de rituelen uit, maar ze deden me niets.
Toen kwam de laatste dag van mijn leven. Ik kwam vanuit het bos het dorp binnen en zag hoe een troep wilden met veren hoofdtooien op het dorp verwoestten. Ik zag hoe ze onze woningen omverhaalden en hoe ze mensen sloegen. Mijn adem stokte toen ik zag hoe een stel mannen mijn vrouw uit onze hut trokken en haar begonnen af te ranselen. Op dat moment voelde ik niets meer.
In de laatste scene kwam er een man voor me staan. Hij was gewapend met een pijl en boog. Hij hief zijn boog en schoot de pijl af. ‘Nu is het gebeurd,’ zei ik tegen mezelf. Ik zag hoe de pijl, als in slow motion, op me af kwam vliegen en in mijn borst bleef steken. Ik zag hoe hij zich in mijn vlees boorde, het openscheurde. Daarmee eindigde mijn leven.”

4.3 Uit: Vorige levens (R. Moody), p. 116 (is nu man), reincarnatie, hypnose:
“Ik was duidelijk een vrouw in deze regressie. In het eerste beeld dat ik te zien kreeg, werd ik, gewikkeld in een dekentje, door mijn moeder een steile berg afgedragen. In de verte zag ik de groene berghellingen en de kale, grijze toppen die daarbovenuit staken.
We liepen langs een helling naar beneden en staken een snel stromende beek over. We waren op weg naar onze woning, een groot, uit natuursteen opgetrokken huis met een plat dak en stevige houten balken. Mijn moeder liep wat onzeker, met mij op haar arm, maar ik was niet bang. Ik had het idee dat ze al heel vaak over dit pad had gelopen en ik voelde me veilig in haar armen. Desondanks huilde ik op weg naar huis, want zij had grote rode vlekken in haar gezicht, die er akelig uitzagen en die mij angstig maakten. Ze droeg een heel donkere jurk en had gekleurde kralen in het haar. Hoewel ik huilde, was ze gelukkig en zong ze een vrolijk liedje.
In een andere scene rende ik heel snel de berg af. Mijn grootvader kwam eraan. Ik kon hem de weg op zien komen en ging hem haastig tegemoet. Hij bracht altijd snoep voor me mee in de zakken van zijn jas. Dit snoep leek gemaakt van honing, suiker en noten, die tot een bal waren gekneed. Toen hij me deze zoetigheid gaf, propte ik het meteen in mijn mond en probeerde het in een keer weg te werken. Hij lachte naar me terwijl ik worstelde met een mondvol kleverig snoepgoed. Ik keek langs mijn grootvader naar beneden en zag mijn vader in het dal aan het werk. Het leek wel of hij altijd aan het werk was, maar dat was ook te zien. Het gebied beneden ons wemelde van groene veldjes die hij in cultuur had gebracht.
Daarna zag ik mezelf op twaalfjarige leeftijd. Ik zat naast een weefgetouw en mijn moeder leerde me weven. Dat was een vluchtig beeld. Vervolgens stond ik als veertienjarige bij de weg te kijken naar vreemdelingen die van heel ver kwamen. Deze gebeurtenis wond me bijzonder op, want voor het eerst besefte ik dat er meer bestond dan ons dal. Deze vreemdelingen hadden een heel donkere huid. Een van hen zocht in een zak en bood me een kam aan voor mijn haar. Toen haalden ze een machine uit hun bagage en wonden die op. Het was een oude grammofoon die het geluid voortbracht van een zingende man. Toen ik dat hoorde, liet ik me op de grond vallen en lachte zonder ophouden. Ik lachte maar door en zei hun dat die muziek tovenarij was.
Vervolgens zag ik mezelf als getrouwde vrouw. Het was mijn huwelijksdag en ik voelde me gelukkig toen ik met mijn echtgenoot verenigd werd. We vierden onze bruiloft in de tuin van mijn ouders, in dat prachtige dal en we dansten met elkaar. Ik begreep dat we een boerenbestaan zouden leiden en heel vaag wist ik dat ik spoedig kinderen zou krijgen.
Toen kwam de dag waarop ik stierf. Over mijn hele lichaam had ik gezwellen, vooral onder mijn armen en op mijn buik. Ik had het warm en ik zweette. Ik zag dat mijn man huilde en voelde dat alle kinderen om me heen stonden. Het laatste wat ik me herinnerde, was dat ik mijn man probeerde te troosten. Hij was diep bedroefd omdat hij zonder mij verder moest leven.”

4.4 Uit: Terug naar vorige levens (T. Dethlefsen), p. 15, reincarnatie, hypnose:
“… ik ben ook heel erg slordig, zeggen ze – en ik heb altijd zwarte kousen aan – daar heb ik ook een hekel aan – maar dan ga ik naar mijn tante die naast ons woont – die is ook vreselijk slordig – zeggen ze – maar die geeft mij pianoles en dan is ze boos wanneer ik het stof van de piano veeg – ik schrijf altijd met de vinger op het deksel – mijn tante is een oude jonge-juffrouw en eigenlijk mag ik niet zo vaak naar haar toe – mijn broertje is eens in een mand met vuil wasgoed gevallen en toen was zij zo boos – mijn tante is onderwijzeres – omdat ze geen man kon krijgen – zeggen ze – mijn tante geeft prive-lessen – de kinderen leren Frans. … mijn vader is er – er is een man – dat is mijn vader – hij is kwaad geworden omdat mijn moeder iemand aan de huisdeur suiker heeft gegeven en die heeft gezegd dat ze iets brengt – nee, dat weet ik niet – of ze heeft beloofd suiker te brengen wanneer mijn moeder haar iets geeft en ze is niet teruggekomen en ik sta aan het raam en mijn moeder gaat met mijn vader naar het station. Zij heeft een heel lange japon aan – mijn vader heeft een helm op met zo’n piek erop en nu gaan zij de hoek om – ja.”

4.5 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 29, reincarnatie, hypnose:
“… es ist nur, dass mir klar geworden ist, dass die Geburt kein Anlass zur Freude ist. Die beiden Tode, die ich heute nacht in den beiden vergangenen Leben durchmachte, waren angenehme Erfahrungen. Geboren zu werden, das scheint die Tragodie zu sein.”

4.6 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 36 reincarnatie, hypnose:
“Es schien, als hatte ich das Bewusstsein fur die Gefuhle anderer Menschen und auch das Wissen verloren, das ich hatte, bevor ich geboren wurde.”

4.7 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 36, reincarnatie, hypnose:
“… dass es sich nicht darum handelte, superreligios zu sein oder so etwas, sondern einfach einen Sinn fur das Gluck in jenen Menschen zu wecken, mit denen ich leben wurde.”

4.8 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 37, reincarnatie, hypnose:
“Aber in der Hypnose schien es mir klar zu sein, dass es darauf ankommt, dass ich mich anderen Menschen widme und nicht mir selbst.”

4.9 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 45, reincarnatie, hypnose:
“Ich entschied mich dafur, geboren zu werden, und ich fuhlte, dass man mir bei der Entscheidung half, weil ich die Arbeit meines letzten Lebens fortsetzen und korrigieren musste. Ich war darauf gespannt, dieses Leben zu erfahren.”

4.10 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 51, reincarnatie, hypnose:
“Ich war davon uberzeugt, mit anderen zusammen, die ich kannte, geboren zu werden, um die liegengebliebenen Fade meines unmittelbar zuruckliegenden Lebens wieder aufzunehmen.”

4.11 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 105, reincarnatie, hypnose:
“Als Sie nach der Verbindung mit dem Fotus fragten, fuhlte ich, dass ich in ihm und auch ausserhalb war. Ich verband mich mit ihm mit drei Monaten, aber ich war nicht die ganze Zeit in ihm. Ich war hauptsachlich daran interessiert zu wissen, wer meine Mutter und mein Vater sein wurden. Als Sie nach den Gefuhlen meiner Mutter fragten, fuhlte ich, dass sie nervos war, aber nicht ubermassig. Ich wusste, dass sie wollte, ich solle etwas Besonderes sein, und dass alles fur mich in Ordnung sein sollte. Sonderbarerweise gewahrte ich, dass sie wutend auf den Doktor war, weil er zu spat kam.”

4.12 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 109, reincarnatie, hypnose:
“Als Sie nach dem Fotus fragten, sah ich ihn und hutete ihn und wachte uber ihn. Ich war auch ein paar Mal in ihm, aber nicht die meiste Zeit. Ich kam eher nach der Geburt in ihn als vorher. Als Sie nach den Empfindungen meiner Mutter fragten, bemerkte ich sie ganz deutlich. Sie war ein wenig traurig und aufgebracht, weil Papa ihr nicht genug Aufmerksamkeit widmete, und sie war gleichzeitig auch tief glucklich.”

4.13 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 127, reincarnatie, hypnose:
“Ich bemerkte die gefuhle der anderen Menschen im Entbindungsraum. Es waren ein Arzt da und zwei Schwestern. Der Arzt hatte so ein wenig das Gefuhl das Wunder der Geburt, aber die Schwestern taten lediglich einen Job und waren froh, dass es vorbei war. Meine Mutter war erleichtert, betaubt, mude.”

4.14 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 141, reincarnatie, hypnose:
“Nach der Geburt erinnere ich mich, gedacht zu haben, die Leute seien dumm, weil sie nicht zu wissen schienen, was Babys wollen. Der Arzt schaffte es nicht, rechtzeitig zu kommen, und war deshalb aufgebracht. Der Assistentarzt war glucklich. Die Schwestern machten ihre Arbeit gern und meinten, ich sei schon.”

4.15 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 171, reincarnatie, hypnose:
“Ich war so uberrascht, herauszufinden, dass ich uberhaupt nicht viel in dem Fotus war. Der sonderbarste Teil der Erfahrung bestand fur mich in dem Gefuhl, dass ich irgendwie an der Schaffung des Fotus beteiligt war.”

5.1 Uit: Terug naar vorige levens (T. Dethlefsen), p. 40 (Anna Schwenzer te Neuenbrook in 1832 – bewezen, 16 jaar, zwanger van dokter), reincarnatie, hypnose:
“(‘Kun je dat voor me spellen?’) Hm, natuurlijk kan ik dat – mijn vader zou anders erg boos worden – mijn vader is onderwijzer. … Ik heb erover nagedacht – de hele nacht – ik ben moe – ik wil niet meer – ik heb het koud – ik wil niet meer – geen mens helpt me – … Er is geen – er is geen andere keus – je moet het – het is koud – ik doe de ogen dicht – dadelijk, dadelijk is het stil. … Ze hebben me gevonden. … Ze vragen mijn vader of ik een rode jurk aan had. Mijn vader huilt – hm, ik kan hem niet zien huilen. Wat moet ik toch doen? … Mijn moeder huilt helemaal niet – ze is alleen boos – … mijn moeder, die zegt steeds: ‘Wat een schande, wat een schande.’ …”

5.2 Uit: Terug naar vorige levens (T. Dethlefsen), p. 151, reincarnatie, hypnose:
“Ah, ik ben dood – ah. … Ze hebben me laten verhongeren – nou komen ze de trap op – en geeft me een schop – niet mij, maar – maar mijn lichaam dat daar ligt – hij schopt in de zij en zegt dat ik moet opstaan en meekomen, maar dat gaat helemaal niet – ik ben immers dood – dan zegt er een: ‘ik geloof dat ze verrekt is’ of iets dergelijks …”

5.3 Uit: Tussen twee levens (J. Whitton), p. 35, reincarnatie, hypnose:
“Nadat ik gemarteld was, gedood en ook verminkt door drie andere Indianen dreef ik weg uit mijn lichaam; ik voelde me heel erg kwaad. Ik bedacht dat ik, als ik beter getraind zou zijn geweest en in een betere fysieke conditie zou hebben verkeerd, in staat geweest zou zijn mijn leven te redden.”

5.4 Uit: Tussen twee levens (J. Whitton), p. 44, reincarnatie, hypnose:
“Het is net of je midden in een film over je eigen leven zit. Elk moment van elk jaar van je leven wordt tot in het kleinste gevoelsmoment teruggespeeld. Een werkelijk absoluut geheugen. En dit alles speelt zich in een ogenblik af.”

5.5 Uit: Tussen twee levens (J. Whitton), p. 27 (de fase voor een volgende geboorte), reincarnatie, hypnose:
“… ‘Ik ben in de lucht… Ik kan een boerderij zien en een schuur… het is vroeg… in de morgen. De zon… staat laag en maakt… en maakt… maakt hele lange schaduwen over de verbrande velden… stoppelvelden… Ik wacht… wacht om… geboren te worden. Ik kijk… ik kijk naar wat mijn moeder doet… Ze is… ze is bij de pomp en ze heeft het moeilijk… moeilijk om de emmer te vullen… Omdat mijn lichaam te zwaar voor haar is… ik wil… ik wil haar zeggen dat ze op moet passen. Voor mij en voor haar…’ (‘Wat is je naam?’) ‘Ik… heb… geen… naam.’ …”

5.6 Uit: Tussen twee levens (J. Whitton), p. 54, reincarnatie, hypnose:
“Ik was in de verloskamer, en ik keek naar mijn moeder en de dokters die om haar heen stonden. Er was een wit licht om alles wat daar gebeurde en ik was een met dit witte licht. Toen hoorde ik de dokter zeggen: ‘Het komt eraan!’ en ik wist dat ik me met dit nieuwe lichaam moest verbinden. Ik voelde weerzin om dit leven binnen te gaan. Het was zo prachtig om een te zijn met het licht.”

5.7 Uit: Vorige levens (R. Moody), p. 107, reincarnatie, hypnose:
“Het was duidelijk dat ik me in Europa bevond, zo’n twee- of driehonderd jaar geleden, maar waar of wanneer weet ik niet precies. Ik denk dat mijn leven zich in Engeland afspeelde. Ik was een kleine jongen. Ik liep ’s avonds door de straten en herinner me hoe ik versteld stond van het feit dat er in zoveel gezinnen alcohol werd gedronken. Terwijl ik over straat liep en bij de mensen naar binnen keek, leek het wel of er in elke huiskamer iemand zat te drinken.
Ik herinner me dat ik me erg ongerust maakte. Mijn vader en moeder waren ongeveer dertig jaar oud en toen ik bij onze bovenwoning aankwam, zag ik hoe smerig het er was. We woonden in een kleine flat met grauwe muren. Mijn moeder was bezeten van religie en aan alle muren hingen platen van Jezus en de Maagd Maria. Mijn ouders waren voortdurend dronken. Verschrikkelijk wanhopig voelde ik me toen ik naar binnen ging. Ik keek naar buiten, maar ook de straten boden niets dan treurigheid. Overal lagen dronken mensen. Sanitaire voorzieningen waren er niet en men gebruikte de goten als openbaar toilet. Het was een bende in de stad.
Wat indruk op me maakte in dit leven was het feit dat mensen zoveel moeite hadden om met elkaar in contact te komen. Zonder telefoonverbinding leek dat ongelooflijk moeilijk. Verscheidene malen zag ik hoe anderen erop uitgestuurd werden om iemand te halen of om een schriftelijke boodschap af te geven. Deze koeries deden het werk van een telefoon! Toen ik zag hoe iemand door een paard en wagen werd overreden besefte ik hoe groot de communicatieproblemen waren. Een hele menigte verzamelde zich om de man heen en iemand werd erop uitgestuurd om een dokter te halen. Het leek eindeloos te duren voor die dokter arriveerde.
Het was erg lawaaierig in de stad. Ook werden veel inwoners geplaagd door de meest afschuwelijke ziekten, waar ze maar mee rond bleven lopen.
In de volgende scene bevond ik me in een kerk. Ik was ongeveer twaalf jaar oud. Ik voelde me verschrikkelijk eenzaam en had het idee dat mijn ouders waren overleden. Ik was de stad uit gegaan en vroeg de dominee van deze kerk of hij mij op de een of andere manier kon helpen. De dominee was mager en zag er ziekelijk bleek uit. Hij gaf me geen echte steun, maar citeerde slechts een aantal gemeenplaatsen uit de bijbel. Op dat moment had ik het gevoel dat gezagsdragers niets meer van het leven wisten dan ikzelf.
Vervolgens ging ik een paar jaar verder in mijn leven. Ik werkte als leerling-schoenmaker in een stadje. De winkel lag een paar treden onder het niveau van de straat en het was er erg donker. Overal rook ik de geur van leer. De schoenmaker voor wie ik werkte, was een gelukkig mens. Hij had een zoon van twaalf, die het vak ook leerde en een dochter, die zo af en toe op bezoek kwam. Zijn vrouw was aardig en ze kookte graag voor ons.
Mijn leven ging weer verder. Ik was getrouwd met een vrouw die ik op een carnavalsfeest had ontmoet. We verhuisden naar een andere stad en begonnen onze eigen schoenwinkel. Het was er aangenaam wonen en ik raakte er in aanzien.
Opnieuw ging mijn leven verder en ik zag hoe ik gefolterd werd door de pijn. Ik zag mezelf op een afstand. Ik weet niet waarom ik zoveel pijn had, maar wel zag ik dat mijn vrouw ongerust was en dat ze niet wist wat te doen. Ze bracht me naar een dokter, maar die kon ons ook niet vertellen waar de pijn vandaan kwam. Ik vond deze dokter lijken op de dominee die ik als kind had ontmoet. Hij deed gewichtig, maar wist in feite niet waarover hij het had.
Een paar dagen later drukte ik mijn handen tegen mijn buik en vertrok mijn gezicht van de pijn. Zweetdruppels parelden duidelijk zichtbaar op mijn hoofd. Kennelijk had ik meer pijn dan ik kon verdragen. Toen adviseerde de dokter mij om me te laten opereren. Ik wist dat ik geen andere keus had. Met mijn vrouw ging ik per rijtuig naar het ziekenhuis. Ik was doodziek en heel ongerust en de aanblik van het ziekenhuis bracht daar geen verbetering in. Het was een groot, somber gebouw met smeedijzeren hekken ervoor.
Uiteindelijk bevond ik me in een operatiekamer, die er naar moderne maatstaven ongelooflijk vies uitzag. Men had, leek het, geen poging gedaan om de ruimte schoon te houden. Ik vond dat niet zo zorgwekkend, want men had destijds een heel ander idee van hygiene dan nu. Wel maakte ik me zorgen over mijn vrouw en wat er met haar zou gebeuren als ik stierf.
Toen ik op de operatietafel lag, sloeg ik mijn ogen op en zag ik bloedvlekken op de jas van de dokter. Er was geen anesthesist aanwezig. Ik werd op de tafel vastgebonden en men gebood mij zo stil mogelijk te blijven liggen. Toen begon de dokter me open te maken bij mijn maag. Ik voelde hoe er met een bot instrument in me gesneden werd. Ik had een verschrikkelijke pijn, maar daarna voelde ik helemaal niets meer. Ik verliet mijn lichaam en ging naar mijn vrouw toe, die ook in de kamer was. Ik kon niet met haar praten. Ik kon met niemand praten. Ten slotte voelde ik hoe ik wegdwaalde, een wit licht tegemoet.”

5.8 Uit: Vorige levens (R. Moody), p. 113, reincarnatie, hypnose:
“Ik liep hoog in de bergen over een alpenweide. Ik was heel jong, ongeveer tussen de drie en vijf jaar oud. Ik liep zachtjes, alsof ik ergens onopgemerkt wilde komen. Er waren nog meer mensen om me heen en ik verbaasde me over hun uiterlijk. Ze hadden grotere, bollere hoofden dan de mensen tegenwoordig hebben. En hoewel deze prehistorische mensen in een kouder klimaat leefden dan wij, hadden ze toch veel minder haar dan ik had verwacht. Ik besefte dat ik in een heel vroege periode was beland, ergens in het begin van de mensheid.
We liepen naar een hol van waaruit je een rivier kon zien. Het landschap voor ons was over een grote afstand bezaaid met bloemen. Toen kwam er een beeld waarin ik voor ons hol lag te luisteren naar het getsjirp van de insekten. Ik bekeek het onderkomen wat beter. In de grond had men palen ingegraven en op die palen lag afval, zoals takken en dierehuiden.
Mijn leven ging verder en ik zag een enorm, langharig dier. Op dat moment raakte ik volkomen in paniek. Ik wilde wegrennen, weg van dat beest. Ik merkte hoe ik een heuvel afrende en toen maakte het beeld plaats voor iets anders. We stonden om een fruitboom heen. We waren met ongeveer tien personen en als ik die mensen nu moet beschrijven, zou ik zeggen dat je ze nauwelijks mensen kon noemen. We stonden om die boom heen en keken naar de vruchten boven ons hoofd. Ik wilde een vrucht plukken, maar deed het niet. Ik denk dat ik wachtte tot iemand anders het zou doen.
In een volgende scene voelde ik hoe ik een heuvel afrolde, terwijl er losgeraakte stukken steen en aarde met me mee vielen. Er leek geen einde aan mijn val te komen; ik rolde maar door. Toen ik onder aan de heuvel was beland en bijkwam uit mijn verdoving, keek ik twee misvormde, bijzonder lelijke schepsels recht in het gezicht. Ze waren erg geschrokken van mijn val en maakten zich zichtbaar zorgen over mijn verwondingen. Ze waren blij toen ze zagen dat ik opstond en me op eigen kracht voortbewoog.
’s Nachts waren we allemaal erg bang. Een keer liep onze leider steeds naar de opening van het hol om gespannen naar buiten te turen. Wij kropen dicht tegen elkaar aan, bang als we waren voor wat daarbuiten op ons lag te wachten. Ik bedacht dat er vroeger eens een lid van de groep ’s nachts de duisternis in was gegaan en dat hij daarna nooit meer was teruggekomen. Sindsdien waren we er allemaal van overtuigd dat de duisternis mensen opat.
De laatste dag van mijn leven liep ik doodziek rond. Ik had hoge koorts en ik kon de groep, die op zoek was naar voedsel, niet bijhouden. Ten slotte ging ik gewoon ergens liggen. Mijn stamgenoten haalden me op en droegen me terug naar ons hol. Ze gaven me te eten en maakten het me zoveel mogelijk naar de zin, maar het hielp allemaal miets. In de loop van een paar dagen verzwakte ik steeds meer. De koorts nam toe en ook mijn angst, want ik begreep niet wat er met me aan de hand was. Ten slotte slaakte ik nog een diepe zucht en stierf toen. Het laatste wat ik van dit leven zag, was hoe mijn stamgenoten stokken en bladeren op mijn lichaam stapelden.”

5.9 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 45, reincarnatie, hypnose:
“… aber ich weiss, dass ich gehen muss. Als ich mich entschloss, waren andere in meiner Nahe. Es waren meine Schwester und irgendeine andere Person, mein Bruder aus einem anderen Leben und mein Freund in diesem Leben.”

5.10 Uit: Voorbije levens (G. Williston), p. 19, reincarnatie, hypnose:
“Ik schoot het gerechtsgebouw uit en rende zo hard als ik kon. Mijn longen deden pijn, mijn benen waren verdoofd. Mijn gedachten gingen in kringetjes. Ik wist niet waar ik heen ging, maar ik wist dat ik weg moest komen.
‘Maar ze komen achter me aan … het is een massa … een paar vrouwen, maar meest mannen … Ze rapen stenen op en gooien ze naar me. Ze gooien stenen naar me, allemaal. Ik kan niet verder rennen. Ik ben aan de rand van het meer. Ik kan niet weg komen en ze komen dichter bij. Ik kan niet weg komen … stenen in alle maten. Ze raken me ermee … Een grote steen raakt me tegen mijn hoofd. De pijn is verschrikkelijk. Ik val neer en sterf onmiddellijk. Ik heb opgegeven om te proberen weg te komen. Ik had geen keus. Nu ben ik vrij, vrij, vrij.
Ik kan mijn lichaam zien. Ik kijk neer op mijn lichaam. De massa staat erbij. Een man draait me om met zijn voet en mompelt iets tegen de anderen. Ze gaan het wegbrengen. Ik wil niet meer bij mijn lichaam blijven. Ik ben vrij. En licht … Ik vind het lichte, vredige gevoel heerlijk … geen angst en pijn meer. Ik ben vrij.'”

5.11 Uit: Voorbije levens (G. Williston), p. 185, reincarnatie, hypnose:
“Ik ben in bed. Ik kan maar een beetje ademen. Mijn longen zitten vol vocht. Ik heb hoge koorts … Ik kan voelen dat ik het leven loslaat. Het is te veel moeite om vol te houden … en te pijnlijk … Ik ben gestorven … Ik hield gewoon op met ademen en verliet mijn lichaam. Ik voelde me opeens heel licht en vrij, geen pijn meer. Ik kon nu ademen … niet echt ademen natuurlijk, maar ik had het gevoel dat ik kon ademen. Ik was bijna vergeten hoe makkelijk ademen was. De hele kamer leek licht … een zacht glanzend licht, maar ik weet niet waar het vandaan kwam … Ik bleef boven mijn lichaam kijken. De hospita kwam de kamer weer in met een kom soep voor me. Ze wist niet dat ik dood was, dat ik zo dicht bij de dood was toen ze wegging om soep voor me te halen … Ze schrok toen ze dicht bij het bed kwam. Ze zei mijn naam en schreeuwde toen ‘Sacre bleu’ en liet het blad met soep vallen. Toen rende ze gillend de kamer uit. Ik had medelijden met haar, omdat ik haar zoveel last bezorgde, maar ik lachte ook in mezelf omdat het zo mal was dat ze dacht dat ik dood was … Ze haalde korte tijd later een dokter, maar zij bleef buiten de kamer en wrong in haar handen terwijl de dokter in mijn lichaam porde. Hij trok het laken over mijn gezicht en zei tegen mevrouw Jamiel dat ze mijn begrafenis moest regelen. Ze huilde toen ze de kamer uitliep. (‘Was je je bewust van je begrafenis?’) Oh, ja. Ik ben begraven in een armengraf met een naamplaatje van cement. (‘Ben je in de buurt gebleven toen je dood was?’) Nee, ik moest naar andere plaatsen. Ik had geen belangstelling meer voor die plaats.”

5.12 Uit: Voorbije levens (G. Williston), p. 200, reincarnatie, hypnose:
“Ik ga steeds onder, ik kan niet blijven drijven. God, het doet pijn. Ik kom uit een land met olijfbomen, een droog land. Ik sterf en ik denk aan mijn huis en mijn vrouw. Mijn vrouw heeft donker haar en een olijfkleurige huid. Ik krijg steeds water … Ik kijk omlaag en zie mijn lichaam drijven, met het gezicht omlaag. Ik ben dood. Ik ga weg van de plaats van mijn lichaam, ga naar het vasteland, naar mijn huis. Ik weet dat ze gaat huilen. Ik voel me zo vredig. Ik ga omlaag en raak haar wang aan, maar ze kan het niet voelen. Er is zo’n vrede, maar ik wil niet bij haar weggaan omdat ik weet dat ze me nodig zal hebben … Ik probeer tegen haar te praten, maar ze kan me niet horen.

6.1 Uit: Wie was mijn kind? (C. Bowman) p. 30 (kind, 8 jaar), reincarnatie, hypnose:
“Iedereen moet een keer in een oorlog hebben gevochten. Het brengt alles in evenwicht. Je hoeft niet in een oorlog te sneuvelen, maar je moet het ervaren. Het leert je iets over gevoelens. Het leert je iets over de gevoelens van anderen.”

6.2 Uit: Terug naar vorige levens (T. Dethlefsen), p. 68, reincarnatie, hypnose:
“Omdat ik een moord begaan heb, een sluipmoord, een sluipmoord met vergif. Dat zou hij verraden en Taurus heeft gezegd – Taurus, Taurus heet de man die mij heeft bevolen het vergift te bakken, ik geef hem manna. Ik bak het en lang, glanzend, en het is als een vrucht. Het vergift komt uit een vrucht, uit een vrucht die – ik weet niet hoe die heet, het komt uit – neen, of toch – uit een heel ver land en is donkerbruin, bijna zo donker als ebbehout – bijna zwart, en het is lang, heel lang en smal en het smaakt, wanneer je ervan proeft, als iets dat er precies zo uitziet. Daarom merk je het ook niet, wanneer ik het in het brood bak – dat is bij ons zo de gewoonte. Om deze tijd bakken we altijd iets in het brood. … (‘Hoe heet die tijd?’) Een omgekeerde ‘T’ – ik weet het niet. … het is een feest, een feest der opstanding en dan bakken we het erin. Maar het is niet de echte vrucht, het is de giftige …”

6.3: Uit: Tussen twee levens (J. Whitton), p. 51 (in huidig leven op 37-jarige leeftijd verkracht), reincarnatie, hypnose:
“Mijn plan was dat ik een tragisch voorval zou aantrekken, dat als ik in de dertig was het hele aangezicht van mijn ziel zou veranderen. Door me met alle mij ten dienste staande middelen op dit voorval te concentreren zou ik de diepere betekenis van mijn leven ontdekken. Dat is gebeurd.”

6.4: Uit: Tussen twee levens (J. Whitton), p. 46, reincarnatie, hypnose:
“Ik word geholpen om mijn volgende leven uit te werken, zodat ik in staat zal zijn alle moeilijkheden die ik zal tegenkomen het hoofd te bieden. Ik wil de verantwoordelijkheid ervoor niet nemen, omdat ik voel dat ik daarvoor de kracht niet heb. Maar ik weet, dat ons hindernissen gegeven moeten worden opdat wij deze hindernissen kunnen overwinnen; om sterker te worden, meer gewaar te worden, verder te ontwikkelen en verantwoordelijker te zijn.”

6.5 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 79, reincarnatie, hypnose:
“Ich entschied mich dafur, ein Mann zu werden, weil ich fuhlte, dass ich sexuelle Probleme als Mann zu bewaltigen hatte.”

6.6 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 81, reincarnatie, hypnose:
“Ich entschied mich dafur, in dieser Lebenszeit eine Frau zu sein, weil ich im vorausgegangenen Leben ein Mann war.”

6.7 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 84, reincarnatie, hypnose:
“Unter der Hypnose habe ich erfahren, dass ich im vergangenen Leben in einer Massengesellschaft, wie zum Beispiel in Asien, gelebt habe, und ich war ein kontemplativer Monch. Niemand sah oder horte mich. In diesem Leben nun geht es darum, mein Ego zu entwickeln.”

6.8 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 85, reincarnatie, hypnose:
“Mein Lebenziel ist einfach, weiterzukommen und zu vollenden, so gut ich kann – nur zu leben und zu erfahren.”

6.9 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 85, reincarnatie, hypnose:
“Als Sie nach dem Zweck dieses Lebens fragten, horte ich eine Stimme, die darauf bestand, dass ich noch mehr Erfahrung benotigte.”

6.10 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 86, reincarnatie, hypnose:
“Ich war gespannt darauf, in einer Korper zuruckzukehren und anzufangen, da es meine Aufgabe war, viel zu lernen und durch viele Erfahrungen, gute wie schlechte, hindurchzugehen.”
7.1 Uit: Terug naar vorige levens (T. Dethlefsen), p. 156, reincarnatie, hypnose:
“… daar is een klein kind, een klein meisje – die is misschien twee jaar, hm, en die moet ik al eens hebben gezien. … Zij was mijn zuster – maar dat kind is niet van de moeder die mij nu ter wereld brengt – dat is niet zo, dat kind behoort bij een andere vrouw – dat kind behoort bij de vrouw van de heer – maar, hm, neen, dat …”

7.2 Uit: tussen twee levens (J. Whitton), p. 47, reincarnatie, hypnose:
“Ik koos mijn moeder in de wetenschap dat er in haar familie een verhoogd risico was voor de ziekte van Altzheimer, en dat er dus alle kans was dat ik daaraan ook zou gaan lijden. Maar mijn karmische banden met mijn moeder waren belangrijker dan dit genetische defect. Er was voor het kiezen van mijn moeder een heel andere reden. De rechters zeiden me dat ik de ervaring moest ondergaan om in dit leven zonder vader te worden opgevoed, en ik was me ervan bewust dat mijn ouders spoedig zouden gaan scheiden. Ik wist ook dat mijn ouderkeuze me in de ideale geografische locatie zou plaatsen om de man te ontmoeten, met wie ik voorbestemd was om te trouwen.”

7.3 Uit: tussen twee levens (J. Whitton), p. 46, reincarnatie, hypnose:
“Er zijn mensen die ik in mijn vorige leven niet al te best behandeld heb, en ik moet weer terug naar het aardse bestaan om de schuld in te lossen. Als ze me deze keer op hun beurt pijn doen, zal ik hen vergeven, omdat het enige wat ik eigenlijk wil is naar huis terugkeren. Dit hier is mijn huis.”

7.4 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 41, reincarnatie, hypnose:
“Meine Mutter war in einem vergangenen Leben meine Schwester, und wir stritten bestandig miteinander. Mein Vater war damals ein Sioux-indianer, wahrend ich ein franzosischer Pater war – und ich mochte ihn damals auch nicht.”

7.5 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 48, reincarnatie, hypnose:
“… ich entschied mich dafur, geboren zu werden. Ich befand mich in einer Gruppe anderer Seelen, und ich wusste irgendwie, dass wir uns neu gruppierten. Ich hatte ein gutes Gefuhl hinsichtlich der kommenden Lebenszeit, weil wir alle planten, wieder zusammenzukommen, noch ehe ich geboren wurde.”

7.6 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 95, reincarnatie, hypnose:
“Ich wusste, dass meine Mutter einmal eine Studienkollegin war, und wir hatten eine sehr gluckliche Kameradschaft. Mein Vater war einer alteren Bruder. Es scheint, als hatten wir uns in einem fruheren Leben uber seine Schwerfalligkeit lustig gemacht.”

7.7 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 95, reincarnatie, hypnose:
“Meine Mutter war in einem fruheren Leben meine Mutter, aber sie war in einem anderen Leben auch mein Kind. Ehe ich geboren wurde, sagten mir meine Kinder, dass sie meine Kinder werden wollten. Ich kannte sie nicht nur aus fruheren Leben, sondern auch aus der Zeit zwischen den Leben.”

8.1 Uit: Terug naar vorige levens (T. Dethlefsen), p. 154, reincarnatie, hypnose:
“… ik zal weer moeten lijden – juist dat wat ik niet wilde, het lichaam zal weer moeten lijden, maar de ziel niet – alleen het lichaam – maar de ziel, die zal – ik geloof, tamelijk evenwichtig zijn – of ik, weet je dat, wat ik ben – dat wat ik nu op het ogenblik ben – dat, wanneer het in een lichaam is – het lichaam lijdt – maar dat wat ik ben, dat lijdt niet – dat blijft rustig en … (‘Is dat een vooruitgang?’) Ja, een grote vooruitgang.”

8.2 Uit: Terug naar vorige levens (T. Dethlefsen), p. 161, reincarnatie, hypnose:
“… ik zal moeten leren mijn lot zo te aanvaarden zoals het nu eenmaal is, weet je, van wat op je afkomt het beste maken …”

8.3 Uit: Terug naar vorige levens (T. Dethlefsen), p. 244, reincarnatie, hypnose:
“Ik zou proberen beter over andere mensen te denken, leren ze lief te hebben zoals ze zijn.”

8.4 Uit: Terug naar vorige levens (T. Dethlefsen), p. 246, reincarnatie, hypnose:
“(‘Wat heb je vooral geleerd?’) Mij te accepteren zoals ik ben.”

8.5 Uit: Oude levens, nieuwe koersen (M. Kamphoff), p. 56, reincarnatie, hypnose:
“Het leven zich gewoon laten ontplooien. Dat die vrouw geen dwang heeft uitgeoefend. Geaccepteerd heeft wat geaccepteerd moest worden. Dingen accepteren zoals ze zijn. Niet zo overal met je vingers aanzitten. Niet alleen met je verstand dingen accepteren. Maar vanuit je gevoel accepteren. Toch die angst voor dat geweld. Dat blijft bij haar en bij mezelf. Daar moet ik later nog naar kijken, het niet wegschuiven. Meer nog in het gevoel gaan staan in plaats van het weg te zetten.”

8.6 Uit: Leben vor dem Leben (H. Wambach), p. 90, reincarnatie, hypnose:
“Ich glaube, meine Aufgabe in diesem Leben besteht darin, Demut zu lernen – zu lernen, dass jedermann im Innern von gleichen Art ist, dass es nicht bessere und schlechtere Menschen gibt.”

8.7 Uit: De tunnel en het licht (R. Moody), p. 48, bijna-doodervaring:
“Een van de belangrijkste dingen die ik heb geleerd toen ik doodging, is dat we allemaal deel uitmaken van een groot, levend heelal. Als we denken dat we iemand of iets anders levends pijn kunnen doen zonder onszelf daarmee pijn te doen, zitten we er helemaal naast. Ik kijk nu naar een bos of een bloem of een vogel en zeg: ‘Dat ben ik, dat is een deel van mij.’ We zijn met alles verbonden en als we liefde langs die verbindingslijnen sturen, zijn we gelukkig.”

8.8 Uit: De tunnel en het licht (R. Moody), p. 50, bijna-doodervaring:
“Kennis is belangrijk. Ik lees nu alles wat ik te pakken kan krijgen. Ik heb er geen spijt van dat mijn leven tot nu toe zo gelopen is, maar ik ben blij dat ik nu tijd heb voor studie. Geschiedenis, natuurkunde, literatuur, ik ben overal in geinteresseerd. Mijn vrouw moppert wel eens over al die boeken in onze kamer. Er zijn erbij die me helpen mijn ervaring beter te begrijpen, zou ik zeggen. Eigenlijk doen ze dat allemaal op een of andere manier, want, zoals ik al zei, als je zo’n ervaring hebt gehad, zie je dat alles met elkaar verband houdt.”

8.9 Uit: De tunnel en het licht (R. Moody), p. 51, bijna-doodervaring:
“Het is gek, maar mijn fouten zijn me in zekere zin erg lief geworden, omdat het mijn eigen fouten zijn, en verdorie, hoe ze ook zijn, ik moet en ik zal ervan leren.”

8.10 Uit: De tunnel en het licht (R. Moody), p. 64 (kind, 11 jaar), bijna-doodervaring:
“Ik heb daar geleerd dat het allerbelangrijkste in het leven is om van elkaar te houden.”

 http://www.bijna-doodervaringen.nl/drie.html

Gerelateerde Berichten