9 Spontane reincarnatieverhalen van kleine kinderen

9 reincarnatieverhalen van kleine kinderen
: spontane uitlatingen van kleine kinderen, over vorige levens: bevestigen bijna-doodervaringen en reincarnatiehypnose.
6 doel levens 7 uitkiezen familie 8 morele lading 9 kinderen 10 opmerkelijke citaten bronnen links

9.1 Uit: Reincarnatieverhalen van kinderen (P. Harrison), p. 11 (kind, 5 jaar), spontane uitlatingen op verschillende momenten (register 20-6-1875: ‘Thomas Benson, spoorwerker, en Lucy Benson’):
“Waarom ben ik deze keer een meisje, mam? Waarom ben ik niet een jongetje, zoals vroeger? Toen mevrouw Benson mijn moeder was, was ik een jongetje en speelde met Muff. … Het was van grijs baksteen, middenin een rijtje van vier. Achter het huis waren allemaal velden, waar ik met Muff speelde. … Hij was kleiner dan ik, ongeveer een of twee jaar jonger. Niet een en niet twee jaar, en we gingen altijd samen naar de spoorlijn, en we speelde in de velden achter ons huis. … Ze waren te klein voor me. De ene was nog maar een baby en was dus veel te klein om met mij buiten te spelen. … Maar ik luisterde niet naar haar en ging altijd samen met Muff en mijn vriendje naar de spoorweg. … Ik was op de rails aan het spelen met Muff en mijn vriendje, toen ik een man zag aankomen die met een lamp liep te zwaaien. Daarna kwam er heel snel een trein aanrijden, die me aanreed. … Ik werd naar het ziekenhuis gebracht. Iedereen vroeg me steeds of alles goed was met me, maar ik kon niet lopen of praten, dus ik kon ze geen antwoord geven. … Ik viel in slaap en ging dood en ik zag God in de Hemel voordat ik geboren werd. Maar ik ging niet echt dood. In plaats daarvan kwam ik naar jou toe en toen werd jij mijn andere mama.”

9.2 Uit: Reincarnatieverhalen van kinderen (P. Harrison), p. 28 (kind, 2 jaar), spontane uitlatingen op verschillende momenten (nu bank, vroeger achtereenvolgens armenhuis en ziekenhuis):
“Kijk mamma, dat is mijn ziekenhuis. Daar was ik verpleegster. Ik was daar verpleegster toen ik vroeger hier was. Toen ik verpleegster was liep ik altijd langs deze weg, met mijn lange jurk aan en mijn verpleegsterskap op. … Het was daar in dat gebouw, toen ik de vorige keer hier was. Ik was daar verpleegster. … Soms moest ik de hele nacht opzitten om voor de zieke mensen te zorgen. Het was heel donker en ik vond er niets aan.”

9.3 Uit: Reincarnatieverhalen van kinderen (P. Harrison), p. 36 (kind, 5 jaar), spontane uitlatingen op verschillende momenten:
“Zo waren de insignes op mijn uniform, dat ik aanhad wanneer ik mijn vliegtuig vloog. … Er hing een portret van Hitler aan de muur en we moesten allemaal met onze voeten stampen en voor zijn afbeelding salueren. … Een grijze broek in kniehoge laarzen gestopt en een zwart jasje. … Hij lijkt precies op mijn sergeant.”

9.4 Uit: Reincarnatieverhalen van kinderen (P. Harrison), p. 46 (kind, 3 jaar), spontane uitlatingen op verschillende momenten (‘mealie’ is plat Zuid-Afrikaans):
“Toen ik in Afrika woonde scheen de zon iedere dag zoals nu. … Arme zwarten en gewone witten. … We hadden een eigen zwembad, waar ik in zwom als ik het heel warm kreeg. … Daisy hielp mijn moeder en deed voor haar het huishouden. … Hij heeft een keer mijn moeders ring gestolen. Hij deed net alsof het niet waar was, maar Daisy vond de ring terug in de hut. … Hij at graag ‘mealie’, maar ik vond het niet lekker, dus hoefde ik het van mijn moeder nooit te eten. … De zwarte mensen waren aan de andere kant. … Soms waren er slangen in de tuin … Hij heeft ons gered. Pappa sloeg de slang op z’n kop met de grote steen, en toen heeft hij hem doodgemaakt. … Zo maakte Daisy onze appeltaarten niet. Daisy maakte ze bovenop niet helemaal dicht. Ze maakte gewoon lijnen over de appels.”

9.5 Uit: Reincarnatieverhalen van kinderen (P. Harrison), p. 50 (kind, 4 jaar), spontane uitlatingen op verschillende momenten:
“Toen ik de laatste keer een jongetje was, streek mijn andere mamma ook. … Niet deze mamma, maar mijn andere mamma. … De mamma die ik had toen ik hier eerder was. … Pappa, als mijn andere mamma aan het strijken was liet ze me zien hoe ik een vouw in mijn broek kon strijken. … Zij was mijn vrouw. … Ja, maar toen ik de laatste keer hier was, werd ik een grote man en was Angela mijn vrouw. … Zo deed ik Angela ook in bad. … Ik had geen poppen. Angela was mijn dochtertje. … Ja, en ze is verongelukt. … Ik kan me niet herinneren hij heette. Ik kan me alleen Angela’s naam herinneren omdat mijn vrouw ook zo heette.”

9.6 Uit: Reincarnatieverhalen van kinderen (P. Harrison), p. 74 (kind, 4 jaar), spontane uitlatingen op verschillende momenten (treinongeluk 28-12-1879, trein naar Dundee, brug over de Tay):
“Nu ga ik mijn oma in Dundee opzoeken. … Nee, ik bedoel mijn andere oma die ik altijd in Dundee ging opzoeken, vroeger toen ik een klein meisje was en met de trein over de grote brug reed. … Ik woonde in Schotland toen ik hier eerder was en mijn oma woonde in Dundee. … Ik was samen met mijn andere pappa, en we vielen allemaal in het water toen we in de trein zaten.”

9.7 Uit: Reincarnatieverhalen van kinderen (P. Harrison), p. 76 (kind, 2 jaar), spontane uitlatingen op verschillende momenten (‘corveeen’ = ‘to haze’ = jargon):
“Ik was op een grote boot met zeilen en touwen en toen ben ik in het water gevallen. Ik ging kopje onder en toen was ik dood. … Moet ik nu corveeen, mam? … Toen ik matroos was vond ik het vreselijk als ik corvee had. Dat moesten we doen als we ons hadden misdragen. We moesten alle dekken schrobben en al het werk doen. … Het schip lag dichtbij de branding, en we moesten iedere avond terug naar het schip. … Het was altijd heet op het land, maar we moesten toch een vuur maken, omdat een andere zeeman dat zei. … Ze droegen geen kleren, maar ze waren wel beschilderd en ze hadden kralen om. Ze probeerden met ons te praten, maar wij konden ze niet verstaan. Ze gebruikten gekke woorden. Ze gaven ons bananen en andere vruchten en dingen. … De mensen dansten voor ons en gaven ons lekkere dingen te eten … Alles werd zwart toen ik onder water ging. Het was heel stil. Na lange tijd werd ik wakker en mijn hond was bij me. We waren ergens waar het heel licht was, en ik was heel moe. Ik viel weer in slaap. … Na lange tijd kwam ik hier terug en was jij mijn nieuwe moeder.”

9.8 Uit: Reincarnatieverhalen van kinderen (P. Harrison), p. 86 (kind, 3 jaar), spontane uitlatingen op verschillende momenten:
“Ik houd niet van vliegtuigen, want ’n keertje heeft een vliegtuig mijn buik pijn gedaan. … Het gebeurde toen ik de laatste keer leefde, voordat ik doodging. … Ik was een grote man, en we moesten ons voor de vliegtuigen verbergen. Omdat de vliegtuigen ons kwaad wilden doen. Omdat we allemaal tussen de bomen aan het vechten waren. … Dat weet ik niet, maar er waren een heleboel bomen en het was de hele tijd heet. … De vliegtuigen maakten harde knallen en probeerden ons dood te maken. We verstopten ons tussen de bomen als we de vliegtuigen hoorden aankomen, maar op een keer kwam er een vliegtuig omlaag en deed mijn buik pijn. … Dat was toen ik doodging. Mijn buik werd geraakt en er was een heleboel bloed. … Ik ging gewoon achter de bomen liggen slapen. Nadat ik had geslapen werd ik wakker en mijn buik was weer helemaal beter. Ik was nog steeds tussen de bomen. … Een vrouw kwam me opzoeken. … Ik moest heel lang wachten. Tot het tijd was om naar jou en mamma te komen.”

9.9 Uit: ‘Vroeger toen ik groot was’ (J. Klink), p. 18 (kind, 4 jaar), spontane uitlating:
“Pap en mam, weet je nog, toen ik bij God was, toen mocht ik mijn ouders kiezen. En toen ging ik overal kijken en ik zag een jongen viool spelen en zijn snaar brak en hij deed zo zijn best om door te spelen en ik dacht: ‘Ik wil dat die mijn vader wordt!’ (Het bleek dat zijn vader dit voorval had meegemaakt, maar toen hij pas vijftien jaar was. Hij was het incident vergeten en had het ook nooit verteld.)”

9.10 Uit: ‘Vroeger toen ik groot was’ (J. Klink), p. 59 (kind, 4 jaar), spontane uitlatingen op verschillende momenten:
“Vroeger was er aarde op de straten, geen harde bedekking. De huizen waren van hout. (Ze beschreef tot in de kleinste details het huisje waarin ze woonde. De vloeren waren van hout, een zwarte kachel van ijzer in de grote keuken, zonder knoppen eraan om te draaien. Op de kachel werd gekookt, er werd vuur in gemaakt. Water haalden ze uit de bron voor het huis. Om zich te wassen werd het water daar gehaald en op de haard in een grote pan gekookt en dan in een houten bak met ijzeren banden geleegd. Het was erg koud in huis, er waren lange winters, koud en donker. (Ze is ook nu erg gevoelig voor kou.) Er waren geen lichtknoppen. Er werden pitten aangestoken die in een glas stonden. De was werd ook in die ton gedaan en er waren geen wasstandaards zoals nu. De was werd tussen de bomen opgehangen. Ze herinnert zichzelf als klein meisje dat niet ouder werd dan zes jaar. Ze droeg lange dikke rokken, zelfgenaaide dikke en lange kousen die met knopen aan lange banden waren vastgemaakt. Het was erg ongemakkelijk. Nu wil ze geen rokken dragen! De schoenen waren van dik leer, met lange banden omhoog gesnoerd.
Ze hield veel van haar moeder, ze beschreef haar precies en ziet zich nog voor zich hoe ze was. Ze lijkt helemaal niet op mij. Vader was bijna nooit thuis en droeg dikwijls een grijs uniform. Ze was enig kind en ze waren erg arm. Ze had bijna geen speelgoed, wel stenen en uit hout gesneden dieren. Om boodschappen te doen ging men te voet naar het dorp. De winkel was een laag houten huisje en daar was alles wat je nodig had. Je mocht de dingen niet zelf pakken zoals nu, maaar moest ze vragen over de tafel. Zakken bracht je zelf mee. De broden waren groot en plat en konden lange tijd bewaard worden in een kamer naast de keuken. Vaak verzamelden ze ook paddestoelen en bessen in het bos. Er was overal bos om hen heen en daarachter een hoge kale berg. Ze heeft een afkeer van paddestoelen en vertelde dat de hele familie daaraan gestorven was, omdat ze die gegeten hadden. Ze eet nu geen enkel gerecht waar ook maar paddestoelen in zouden kunnen zitten. Soms gingen ze wel eens uit met een wagen, geleend van de smid die een vriend van vader was. Deze smid stierf jong aan een vreselijke ziekte, hoge koorts, keelpijn en een bobbel in zijn hals waardoor hij stikte.)”

9.11 Uit: ‘Vroeger toen ik groot was’ (J. Klink), p. 69 (kind, 4 jaar), spontane uitlating:
“(Mijn dochtertje, vier jaar oud imiteerde een oud vrouwtje, liep met een stok:) Zo ben ik ook geweest en toen ben ik gestorven. Ik kon alles zien, alle huizen, alle mensen en ik zweefde daarboven. En toen zag ik jou en ging in je buik.”

9.12 Uit: ‘Vroeger toen ik groot was’ (J. Klink), p. 86 (kind, 3 jaar), spontane uitlating:
“Toen ik pappa was … (In zijn kindertaal kwam er een verhaal: hij had twee jongens. Hij had ook een auto en ging daarmee altijd naar zijn werk. Een keer rookte hij een sigaret terwijl hij achter het stuur zat. Die viel op de bodem en toen hij hem wilde oprapen, stootte de auto tegen een zandhoop, bij een muur. Het was bij een molen. De auto viel om en om en om en toen was hij dood … en toen kwam hij bij ons.)”

10.1 Uit: Herinnering (R. Woolger) p. 115, reincarnatie, hypnose:
“… ‘Ze hebben hem meegenomen. Ik zie hem nooit meer terug! Wat moet ik doen? We hadden iets moeten doen. Nu is het te laat. We hebben hem in de steek gelaten. Ik sta achter een grote menigte. Het is in Jeruzalem. Ik ben een man en draag een lange toga. Ze hebben Jezus meegenomen. Ik zie hem nooit meer terug. Ik zie hem nooit meer terug!’ De man ziet van een afstand gebeurtenissen die iedereen kent: de kruisiging van Jezus tussen gewone misdadigers in het oude Jeruzalem. Sol ziet zichzelf als een Romein die naar Jeruzalem is gekomen om zaken te doen in opdracht van de Romeinse keizerlijke autoriteiten. Op een dag heeft hij toevallig Jezus horen preken en dat heeft zijn leven volledig veranderd. Hij heeft zijn hoge rang verwisseld voor een plaatselijke benoeming, die het hem mogelijk maakt voortdurend in de nabijheid van deze bijzondere leermeester te wonen. Hij is zelfs met een joodse vrouw getrouwd en wil zich bekeren tot het joodse geloof om dichter bij Jezus te zijn. Vooral als hij op een dag ziet dat Jezus iemand geneest, maakt dat grote indruk op hem. ‘Het maakt iets in me wakker,’ zegt Sol bijna extatisch door zijn tranen heen. ‘Als we geloven en liefhebben, kunnen we leren genezen… We zijn allemaal een… We moeten elkaar liefhebben…’ Het zijn natuurlijk eenvoudige en bekende woorden, maar ze lijken heel spontaan naar boven te komen vanuit een diepe plaats in Sol. De rest van het verhaal van de Romein is heel gewoon en onthult niets bijzonders over de manier waarop Jezus is gestorven of over de plaats waar zijn lichaam naar toe is gebracht. Samen met een groot aantal andere mensen waakt hij tot het lichaam van het kruis wordt genomen. Daarna ziet hij zijn leermeester nooit meer terug. Later sluit hij zich aan bij andere volgelingen van Jezus en ze studeren en bidden samen ter nagedachtenis van hun leermeester. De Romeinse bekeerling leeft nog jarenlang verder als koopman en sterft tenslotte op hoge leeftijd ergens op het platteland een natuurlijke dood.”

10.2 Uit: De tunnel en het licht (R. Moody), p. 143 (bevestigd door behandelende artsen), bijna-doodervaring:
“Ik was vreselijk ziek en lag omdat mijn hart slecht functioneerde op het randje van de dood. Op dat zelfde moment lag in een ander deel van het ziekenhuis mijn zus, in een diabetische coma, op sterven. Ik verliet mijn lichaam, ging naar een hoek van de kamer en zag hoe ze daar beneden met me bezig waren. Plotseling merkte ik dat ik aan het praten was met mijn zus: zij was ook bij me daarboven. Ik was erg aan haar gehecht, en we hadden een geweldig gesprek over wat daar beneden gebeurde, totdat ze van me weg begon te glijden. Ik wilde met haar meegaan, maar ze bleef maar zeggen dat ik moest blijven waar ik was. ‘Het is je tijd niet,’ zei ze. ‘Je kunt niet met me mee, omdat het je tijd niet is.’ Vervolgens verdween ze in de verte door een tunnel en ik bleef alleen achter. Toen ik wakker werd, vertelde ik de arts dat mijn zus was overleden. Hij ontkende het, maar op mijn verzoek stuurde hij een verpleegster om te kijken of het waar was. Ze was inderdaad overleden, precies zoals ik al wist.”

10.3 Uit: tijdschrift van Merkawah (bijna-doodervaringen, postbus 348, 2900 AH Capelle a.d. IJssel), bijna-doodervaring:
“… op 13-jarige leeftijd. De harmonieuze kinderjaren veranderden in een klap door een auto-ongeluk samen met mijn moeder. Zij is hierbij meteen overleden. Ik zag van bovenaf onze lichamen in de auto, de mensen die erop afkwamen en we namen afscheid. Mijn moeder ging verder en ik moest terug, was nog niet klaar, zoals ze ‘zei’.”

 

http://www.bijna-doodervaringen.nl/negen.html

 

Gerelateerde Berichten