God als energie … en God als persoon

God als energie … en God als persoon

God is oneindig veel groter dan alles wat we weten of ons kunnen voorstellen. Alles wat we over God zeggen kan slechts in de vorm van metaforen vanuit onze zo beperkte menselijke ervaring. Met deze stellingen als uitgangspunten is het niet verrassend dat verschillende mensen verschillende soorten van metaforen kiezen of dat religieuze tradities zo’n grote verscheidenheid bieden. Laten we voor dit verhaal het gangbare taalgebruik betreffende God in twee groepen verdelen, nl. datgene wat gebaseerd is op natuurkrachten en energieën, en datgene wat gebaseerd is op het menselijk leven, en laten we het gebruik en de beperkingen van elk onderzoeken.

Wanneer mensen over God spreken gebruiken ze vaak woorden als Licht, Vuur, Macht, Kracht, Energie. Als deze taal letterlijk wordt genomen wordt “God” een andere natuurkracht zoals zwaartekracht of radioactiviteit, en verliest het alle spirituele referentie. Maar als metaforen voor God, als een manier om naar te verwijzen en onszelf toe te verhouden, het uiteindelijke mysterie, zijn zij zeer waardevol. Aan de ene kant suggereren zij weidsheid en Universaliteit die tegengesteld zijn aan het oproepen van een voorstelling van iets dat even klein en beperkt is als wijzelf. Ze geven de ziel ruimte om adem te halen. Degene die het handelen van God met henzelf ervaren als een steeds verder uitdijende geweldige ruimte, die zich op stille plaatsen in een allesomvattende en grenzenloze stilte bevinden die zelf gevuld is met God, hebben een dergelijke taal nodig. Aan de andere kant weten ze heel goed de verlichtende, vurige, stimulerende en krachtige daden van God in ons op te roepen. Mensen die aan deze soort metaforen de voorkeur geven neigen ertoe om te zeggen dat zij niet in een “persoonlijke” God geloven, omdat dit hen veel te beperkt en kleingeestig voorkomt. Het geeft hun een gevoel van claustrofobie. Sommigen zeggen misschien ook dat wij als menselijke individuen van veel te weinig betekenis zijn om ook maar enige aandacht van God te verdienen. Zij zouden om dezelfde reden kunnen verwerpen dat Jezus ook maar iets zinnigs zou kunnen zeggen over God. Hoe kan één enkel menselijk wezen op een kleine planeet mogelijkerwijs op één enkel moment in staat zijn de aard van God tot uitdrukking te brengen? Het probleem van deze benadering ontstaat wanneer we willen spreken over God’s ontmoeting met ons. Wind en vuur kunnen ontzagwekkend zijn, maar tenzij wij ze menselijke eigenschappen willen toekennen, kunnen zij geen bedoeling of liefde vertegenwoordigen. Als de God naar wie wij verwijzen met zulke metaforen onpersoonlijk zou zijn, zoals de natuurkrachten onpersoonlijk zijn, zou God zich niet tot ons kunnen wenden. Het heeft geen zin om te zeggen dat de God-kracht ‘positief’ is. Zoals bij onpersoonlijke energieën die geen betekenis hebben behalve in de zin dat het ene eind van de batterij ‘positief’ is. Geen kracht is in alle omstandigheden zonder meer goed voor ons. Alle kunnen zowel destructief als weldadig zijn. Wanneer zij nuttig zijn, dan zit er geen bedoeling achter. Wij hebben er misschien een verbinding mee, een reactie op dergelijke krachten, maar zij hebben geen verbinding met ons en reageren niet. Wanneer zij de enige geldige metaforen voor God zouden zijn, zouden we ons in precies dezelfde desolate situatie in het Universum bevinden als wanneer er helemaal geen God zou zijn. Wij zouden toevallige gebeurtenissen zijn, meegesleurd door machtige krachten die niet van ons weten en die niets om ons geven. Daarom hebben we ook een persoonlijke taal nodig. Als persoonlijke taal betreffende God echter te letterlijk wordt genomen, dan is antipersoonlijke kritiek volkomen geldig. Dan wordt God een oude man in de lucht, of tenminste iets dat veel op ons lijkt, met wie wij bevriend kunnen zijn en die wij bijna in onze zak kunnen steken. Het beeld dat wordt opgeroepen is veel te klein. Maar in onze ervaring van God gaat het niet allemaal om ontzag en aanbidding van de onmetelijk Andere. Het is ook een ervaring van te worden opgeroepen en geleid, verwelkomd te worden en vervuld, van ontmoeting en opgaan in het goddelijke in onze eigen diepten, waarmee we op de een of andere manier een gelijkenis hebben. Al deze aspecten van ervaring kunnen alleen maar weergegeven worden in persoonlijke termen.

De persoon is de rijkste metafoor die we voor God hebben, omdat alleen de persoon een bewustzijn heeft, een zelfbewustzijn, omdat alleen de persoon kan kennen en mensen kan liefhebben, de waarheid kan trachten te vinden of zich doelen kan stellen. S.L. Frank, een Russisch filosoof uit het begin van de twintigste eeuw, vergelijkt ons bewustzijn van God als verbondenheid met ons, met die van onze kennis van andere mensen als personen. Die ontstaat, zegt hij, wanneer men elkaar voor het eerst in de ogen kijkt, waardoor de onweerlegbare kennis aan ons wordt overgebracht dat we in contact zijn met een andere persoon, een kennis die niet wetenschappelijk kan worden geverifieerd, maar waarvan we heel zeker zijn: “de belijdenis van het geloof in een persoonlijke God is niet een gedachte over het bestaan van een bepaald transcendentaal object, het is de belijdenis van onze werkelijke ontmoeting en levende verbintenis met Hem”. Wanneer we ooit in onze eigen persoonlijke ervaring voelen dat onze diepste verlangens op de een of andere manier worden gehoord en beantwoord, of zelfs iets zijn dat ons wordt gegeven om ons in een bepaalde richting te leiden, dan krijgt de metafoor van het persoonlijke geldigheid. Wanneer er geen gevoel van richting zou zijn, wanneer we niet konden voelen dat de Uiteindelijke Realiteit de bron was van ons verlangen om lief te hebben, om rechtvaardig te zijn, te genezen in plaats van te verwonden, dan konden we onze getuigenissen niet vertrouwen, dan konden we alleen maar naar de wereld kijken en wanhopen. Dit betekent uiteraard niet dat God voelt wat wij “liefde” noemen. Het wil zeggen dat, hoewel de aard van God onvoorstelbaar ver van ons af staat, zij toch in de kleine spiegel van het menselijk bewustzijn een zwakke reflectie geeft van wat ons beweegt om lief te hebben en niet te haten, om de waarheid te zoeken en niet te bedenken wat ons goed uit zou komen. Omdat wij deze Realiteit, waarnaar we alleen maar kunnen verwijzen en die wij al helemaal geen naam kunnen geven, die ons oneindig ver te boven gaat, veel verder dan wat wij liefde en waarheid noemen, op onze kleine manier kunnen liefhebben en kennen.

Het is verbazingwekkend dat wij contact zouden kunnen krijgen met God. Maar innerlijk is de menselijke geest niet aan ruimte noch aan tijd gebonden. De lichtstraal valt op ons omdat en in zoverre wij in staat zijn om haar te ontvangen. Persoonlijke taal leidt ons verder binnen in de natuur van God dan welke andere ook, omdat het de meest cruciale aspecten uitdrukt van wat wij ervaren van God. Toch hebben wij beide typen taalgebruik nodig en beide zijn altijd gebruikt. Onpersoonlijke taal schiet echter tekort als het alles is wat wij hebben. Persoonlijke taal glijdt zonder de correctie van de onpersoonlijke gemakkelijk af naar het beperkte en sentimentele. Mogen we in evenwicht kunnen blijven, zodat het samengaan van het grootse met het persoonlijke “ons in staat moge stellen om in alle breedte en lengte en hoogte en diepte de liefde van Christus te ervaren, om te weten wat alle kennis te boven gaat”.

Related posts