Galgen in het Rivierengebied

Galgen in het Rivierengebied

Door: Joop de Wolf en John Mulder
Menig perceelsnaam in de Betuwe herinnert aan de macabere plek, waar voorheen een galg heeft gestaan, zoals Galgendaal, Galgenheuvel, Galgenberg, Halsaf. Omdat de tweede auteur op de Galgeplek in Elst woont, was het niet moeilijk hem enthousiast te maken om galgenplekken in de Betuwe te inventariseren. Met de Betuwe bedoelen we het gehele gebied tussen Rijn/Lek en Waal vanaf Herwen tot aan Culemborg-Gorinchem.
 
Opknoping aan de galg
Aard van de straffen
In vroeger tijden hadden de niet-religieuze overheden het recht om lijfstraffen op te leggen aan personen die zich niet hielden aan de geldende wetten of gebruiken. Er was een ruime keuze, bijvoorbeeld: de veroordeelde geselen, brandmerken, een stukje van neus of oor afsnijden (het kortneuzen of kortoren), de persoon aan de kaak stellen, hem of haar een schandmantel of schandton laten dragen of in de schopstoel zetten.


Een schandton
Meer rigoureuze middelen waren radbraken, op de pijnbank leggen, wurgen, onthoofden, ophangen en levend begraven. Personen die hiertoe waren veroordeeld, hadden zogenaamde halsmisdaden begaan. Ook bestond de mogelijkheid om dorpen en steden collectief te straffen, bijvoorbeeld door inkwartiering van soldaten bij burgers of door het bouwen van een citadel in een stad en er vervolgens een garnizoen te legeren.
De ambtsgerichten (zoals de Over- en Neder-Betuwe), de steden en de hoge heerlijkheden (zoals Loenen en Waardenburg) hadden het recht om uit naam van de graaf of hertog doodsvonnissen uit te spreken en uit te voeren. De verdachten verschenen voor gerichtsbanken. De ambtman stond aan het hoofd van het ambtsgericht. Deze functionaris was leidzaam, dat wil zeggen, hij was verantwoordelijk voor ‘het spannen van de bank’. Hij zat het gericht voor, maar had geen stem in de bepaling van het uiteindelijke vonnis. Eigenlijk was hij een soort officier van justitie.
Hoger beroep

De verdachte kon gebruiken van het recht van appèl. Het hoger beroep was mogelijk bij de zogenaamde klaring of klaarbank, die de landsheer of diens plaatsvervanger voorzat. Klaren betekent rechtspreken in hoger beroep. De klaarbank van Over-Betuwe op de Praast te Meinerswijk tegenover Arnhem wordt al in de veertiende eeuw genoemd. Ook Bergh (’s Heerenberg), Buren, Culemborg, Kesteren, Tiel en Zoelen bezaten een klaarbank voor delen van het Rivierengebied.
Uitvoering van executies

De uitvoering van de straf gebeurde meestal in het openbaar op een schavot, dat hiervoor speciaal was opgericht. Het schavot bevond zich voor het stadhuis, de kerk, het ambtshuis, het kasteel of op de marktplaats. Indien het vonnis ‘dood door ophanging’ luidde, werd voor de executie meestal de ‘tijdelijk opgerichte galg’ op het schavot gebruikt. Vaak vond de executie plaats op een marktdag; er was dan veel publiek aanwezig, dat kon zien hoe het hen verging, die zich niet aan de wet hielden. Bij de uitvoering van een doodvonnis hield de straf veelal niet op na de dood van de dader. Het lijk werd na de ophanging, of onthoofding, naar het galgenveld buiten de stad of het dorp gesleept, bijvoorbeeld met een slede of ‘horde’. Soms werd het lijk gewoon aan de staart van een paard vastgemaakt om de ‘sleping’ te ondergaan. De ‘vaste galg’ stond veelal op een opgeworpen verhoging in het terrein, de galgenberg of galgenheuvel, of bij een dijk – dus goed zichtbaar – langs belangrijke toegangswegen, kanalen en rivieren. Op deze strategisch gekozen plek werd het lijk van de dader – opnieuw – opgehangen of op een rad gelegd als afschrikwekkend voorbeeld voor iedereen die het maar zien kon. Dat de galgenplekken op ruime afstand van bevolkingsconcentraties lagen, had te maken met de afschuwelijke stank die de lijken verspreidden. Ze hingen maanden aan de galg te bungelen – tot op het bot kaalgevreten door raven en kraaien – waarna de lichaamsresten onder de galg werden begraven. Op sommige plaatsen kwamen ook executies op de galgenberg zelf voor. De gewoonte om geëxecuteerden op een ‘galgenwaard’ ten toon te stellen werd in de Franse tijd afgeschaft. Het laatste doodvonnis werd in 1861 voltrokken en de doodstraf zelf verdween in 1870 uit de wetboeken. Als gevolg hiervan verdwenen de galgenplekken en konden de terreinen voor andere doeleinden worden gebruikt. Maar de herinnering eraan verdween niet. Het stuk land waarop de galg heeft gestaan en sommige straten en wegen die er naartoe leiden, dragen vaak nog een naam met het bestanddeel ‘galg’.
 
 
Het lijk werd na de ophanging, of onthoofding, naar het galgenveld buiten de stad of het dorp gesleept met een slede of ‘horde’.
Soorten galgen

Vaste galgen kwamen in drie typen voor. De eenvoudigste soort was gemaakt van twee houten palen, die in de grond waren gestoken met een dwarsligger er op. Hieraan konden eventueel meerdere lijken hangen. Het tweede type bestond uit drie verticale palen in de vorm van een driehoek, die van boven verbonden waren door drie horizontale palen. Grote steden tenslotte beschikten veelal over een stenen galg. Een gemetselde kuip diende als fundering voor drie ronde, stenen zuilen met aan de bovenkant door drie ijzeren stangen, waaraan pennen bevestigd waren. Aan dit type galg konden vele lijken hangen! Op oude kaarten is de plaats van de galg vaak afgebeeld door een getekend galgje van het eerste type, veelal met het woord ‘gerecht’ erbij of weergegeven door een driehoekje. Het teken gaf tevens aan, dat het gebied onder een bestuursorgaan viel met de hoge jurisdictie. Overheden met deze rechtsmacht mochten straffen opleggen via het zogenaamde halsrecht. Ophangen was één van de mogelijkheden. De doodstraf door middel van de strop was een zeer schandelijke: het was de typische dievendood en het betrof vrijwel uitsluitend mannen. Vrouwen werden veelal gewurgd aan een paal, of levend begraven. Moordenaars werden, als zij tot de betere stand behoorden, doorgaans met het zwaard onthoofd.
 
‘De steenen galg’ van Arnhem waar wel 21 lijken aan konden hangen.
De rechtsgebieden in de Betuwe met het halsrecht

 Het onderzoeksgebied bestond in de tiende eeuw uit twee gouwen: Batua in het oosten en Teisterbant in het westen. De grenzen van de gouw Teisterbant zijn niet duidelijk te trekken. Het omvatte in ieder geval het land van Culemborg en de Tielerwaard, delen van Holland en Brabant, en mogelijk ook Buren. Door machtsstrijd tussen de graven van Holland, Gelre en Brabant, kwam het oostelijke deel van Teisterbant in handen van de graven van Gelre en de heren van Culemborg en Buren. De Betuwe behoorde tot het graafschap Gelre behalve enkele Kleefse enclaves, zoals Huissen en De Mars, dat voorheen Utrechts was. In 1327 werd de Betuwe opgedeeld in twee ambtsgerechten: de Over- en de Neder-Betuwe. Hieronder laten we van oost naar west de rechtsgebieden met hoge jurisdictie of waar de ambtmannen hun rechtbank spanden en waar we galgenplekken hebben gevonden de revue passeren. In al deze steden/dorpen/gebieden kan een galg hebben gestaan.

Over-Betuwe

 De rechtsgebieden in de Over-Betuwe kunnen we onderverdelen in:
    het richterambt Over-Betuwe;
    de hoge heerlijkheden;
    de stad Gendt;
    de Kleefse enclaves Hulhuizen, Huissen en Malburgen.

Het richterambt Over-Betuwe

 In 1327 kregen zowel de Over-Betuwe als de Neder-Betuwe van graaf Reinald van Gelre hun eigen ambtman. De Osenvoren (‘onsen voirde’) vormde de grens tussen beide ambtsgebieden en was waarschijnlijk een overloopgeul in het moeras globaal tussen Hien en Opheusden. De Over-Betuwe bestond aanvankelijk uit vier schoutambten: Herwen en Aerdt, Bemmel, Elst, Valburg en later werd het schoutambt Heteren hieraan toegevoegd. De ambtman van de Over-Betuwe hield ’s zondags na Pasen zitting in Andelst en de dinsdag daarop te Bemmel. Later spande hij de bank te Elst. Er werd recht gesproken volgens het Landrecht van de Over-Betuwe. Formeel waren er nog twee rechtbanken in het Ambt Over-Betuwe, namelijk die van Lent en Herwen en Aerdt.

Schoutambt Herwen en Aerdt

 Het schoutambt Herwen en Aerdt heeft eeuwenlang deel uitgemaakt van de Over-Betuwe. Weliswaar kwam het gebied in 1706 door het graven van het Pannerdens Kanaal aan de rechterkant van de Rijn te liggen, het bleef als richterambt tot het einde van de Republiek aan het ambt Over-Betuwe verbonden. Het gericht daagde niet op regelmatige tijden, maar slechts als er behoefte aan was. Vanaf 1650 werden de zittingen afwisselend gehouden in de kerken van Aerdt of Herwen; soms echter bij gebrek aan een geschikte plek in Elst. De gerichtsbank van Herwen en Aerdt had een zelfstandige plaats binnen het Ambt van de Over-Betuwe, omdat daar een afwijkende personele bezetting was, die veel leek op die van Lent. Klaring vond plaats op de Praets, een buurtschap aan de Betuwse oever tegenover Arnhem. Echter vanaf het midden van de zestiende eeuw werd er appèl op het Valkhof te Nijmegen gepleegd. Na 1676 was alleen nog beroep mogelijk bij het Hof van Gelre en Zutphen te Arnhem. In 1761 ging het gericht over naar Elst, maar bleef formeel, afgezien de afwijkende personele bezetting, bestaan.
In een beschrijving van het bezit van Willem van Rees van het huis Aerdt, komt onder andere de weide ‘Galgenweert’ voor. We hebben de plek van de ‘Galgenweert’ niet kunnen achterhalen.

Schoutambt Bemmel

 Het schoutambt Bemmel bestond uit de kerspels Doornenburg, Angeren, Haalderen, Bemmel en later Lent. Bemmel was een van de oorspronkelijke plekken waar de ambtman van de Over-Betuwe de rechtzittingen voorzat. De andere was Andelst. Er werd recht gesproken in de open lucht voor de oude kerken en bij slecht weer binnen de kerkmuren. Later werd de rechtbank verplaatst naar een plek aan de Waaldijk voor het huis van de schout. De ambtman en ridderschap verenigden in 1721 de bank van Bemmel met die van Elst. Ze brachten de bank over naar Elst, ‘vermits weinig Processen tot Bemmel vallende, haer Edele Mogende geliefden haer te accorderen, om het voorgemelte gericht van Bemmel mede naer Elst te mogen tranfereren’. Executies werden ter plekke voor de kerk te Bemmel uitgevoerd. Volgens Edelman en Vlam bevond zich te Bemmel een perceel, genaamd Halsaf. Mogelijk heeft de naam te maken gehad met een galgenplek. De locatie van het perceel is ons niet bekend.

Schoutambt Valburg

 Het schoutambt Valburg bestond uit vijf kerspels of dorpspolders: Andelst, Herveld, Valburg, Slijk-Ewijk en Oosterhout. Andelst was één van de twee oorspronkelijke plaatsen, waar de Ambtman van de Over-Betuwe recht sprak. Dat dit dorp hiervoor was gekozen, had het vrijwel zeker te danken aan het feit dat al sedert het jaar 1178 de toenmalige richter er resideerde. De bank werd gespannen vóór de ingang van de vierkante bakstenen toren van kasteel Andelst, dat tegenover het gemeentehuis van de voormalige gemeente Valburg stond aan de westzijde van de Wageningsestraat. Daar stond ook het schavot. In 1454 verhuisde de bank naar Valburg, omdat: ‘die gerichtbanck tho Andelst yder man, in Over-Betou gegoet, ongelegen en to vere’. Andelst hield op als gerichtsplaats door de ongunstige ligging. In Valburg hield de rechtbank haar zittingen op het ‘Laakse of Voorste Hoog’ nabij de kerk, waar ook het schavot – indien nodig – werd opgetrokken. In 1686 werd de gerichtsplaats van Valburg naar Elst overgebracht. Over de aanwezigheid van galgenplekken in Andelst en Valburg tasten wij in het duister.  

Schoutambt Elst met buurschappen en Lent

Het Schoutambt Elst bestond uit twee kerspels: Elst en Elden; later werd Lent er aan toegevoegd. Negen buurschappen vormden samen het uitgestrekte kerspel Elst. Zoals gezegd de gerichtsbank van Valburg verhuisde in 1686 naar het centrum van het dorp Elst. Lijfstraffen als geselen, brandmerken en het te pronk stellen aan de schandpaal werden op de ‘Steenen Sterre’ vóór het Ambtshuis uitgevoerd. Voor het ten uitvoer brengen van doodvonnissen was kennelijk een manspersoon met bijzondere gaven nodig, want de ambtman liet hiervoor de beul uit Arnhem komen. Hij deed zijn werk op de Galgenwei, waar een schavot was opgericht. De galg bevond zich circa zeshonderd meter buiten het dorpscentrum op een goed zichtbare verhoging vlakbij de Grift. De talloze passanten die van deze drukke verkeersader van Nijmegen naar Arnhem gebruik maakten, waren gewild of ongewild van dit lugubere schouwspel getuige. Vanaf het dorp leidde het Galgepad, later Galgestraat naar de Galgenwei. De straat is tot aan de jaren zeventig van de vorige eeuw een landweggetje geweest. Na de afschaffing van de doodstraf kreeg de galgenheuvel een andere bestemming: van akkerbouw via fruitteelt naar woonwijk. De Galgestraat maakte plaats voor het Galgepad, dat tegenwoordig naar de straat Galgeplek voert. Nog staat in de wijk de oude boerderij, die voorheen langs het Galgestraat stond.
 
De ‘Steenen Sterre’ vóór het Ambtshuis in Elst

Lent

De ambtman van de Over-Betuwe sprak ook recht buiten de in de landbrief van 1327 genoemde ‘heemsteden’, zoals in Lent, dat een eigen rechtbank had. Volgens een oorkonde uit 1281 was er een ‘iudex per Betuam’: een rondtrekkende rechtbank die op diverse plaatsen rechtsprak volgens het Overbetuwse landrecht. Dat de ambtman in Lent een bank spande, was een uitvloeisel van oude heerlijkheidsrechten. Bijzonder aan de bank was, dat (in ieder geval in de zeventiende en achttiende eeuw) er ook geërfden in zitting hadden, die niet tot de ridderschapbehoorden. Dat zal wel gelegen hebben aan het feit dat deze geërfden veelal aanzienlijke Nijmeegse stadsburgers waren. De terechtstellingen in Lent vonden plaats op een perceel in de Lentse uiterwaarden richting Oosterhout. Op de verhoging langs de Waal stond ook de tentoonstellingsgalg. De plek bevond zich op circa honderdvijftig meter voorbij het voormalige fort Knodsenburg. De stad Nijmegen heeft herhaaldelijk en met grote hardnekkigheid gepoogd om Lent geheel of gedeeltelijk onder haar jurisdictie te brengen. Eén van de argumenten was dat in het gebied weliswaar het Overbetuwse landrecht gold, maar dat men in beroep (klaring) diende te komen op het Valkhof. Een ander argument was dat de stad aanspraak maakte op een strook land langs de noordelijke Waaloever. Lent bleef echter Overbetuws rechtsgebied zonder vreemde inmenging.
 
De Galgenplek van Lent ten westen van het voorma lige Fort Knodsenburg
 
Het schoutambt Heteren

 De kerspels Driel, Heteren, Randwijk en Lakemond vormden het schoutambt Heteren. Vóór de bedijking waren deze Rijndorpen op kerkelijk gebied aangewezen op de Veluwedorpen aan de overzijde van de Rijn. De uitgestrekte moerassen ten zuiden van deze dorpen vormden een veel grotere barrière dan de (relatief ondiepe) Rijn. In de dijkbrief van 1327 werd slechts van ‘vier gesvoren peynders of richter’ gerept. Later wordt er een vijfde aan toegevoegd, het schoutambt Heteren. Over de vroegste geschiedenis van bovengenoemde kerkdorpen tasten we in het duister.

De hoge heerlijkheden

In de Over-Betuwe en de stad Gendt.
De hoge heerlijkheden waren Pannerden, Meinerswijk, Gendt, Doornik en Ressen, Loenen, Homoet, Indoornik en Hemmen.

Heerlijkheid Pannerden, Bylandt (en Millingen)

De hoge heerlijkheid Pannerden was in de elfde eeuw een vrij goed dat de bisschop van Luik aan de Luikse domkerk schonk. Twee eeuwen later kocht het kapittel van Emmerik de heerlijkheid. De jurisdictie was verbonden met het bezit van ‘de hof te Hoeckelom’, een boerderij nabij Pannerden. De erfpacht van de boerderij is via het huwelijk van één van de vrouwelijke nazaten van de heren van Bylandt, in handen van de heren van Bergh gekomen. In 1354 was er alleen nog sprake van het gericht van Pannerden en Millingen; pas later kwam daar Bylandt bij. De bank werd toen in een personele unie voorgezeten door de ambtman van Bylandt en Millingen. In 1568 werden alle goederen van de heren van Bergh verbeurd verklaard en raakten de erfpacht-verhoudingen in het vergeetboek. In 1636 werd de jurisdictie van Pannerden ingelijfd bij Bylandt en kwam er een einde aan de personele unie. Er was tot 1676 beroep mogelijk bij de Berghse klaring te ‘s-Heerenberg, daarna bij het Hof van Gelre en Zutphen te Arnhem. Aan de galgenplek herinnert een perceel genaamd ‘Galgendaal’ in de uiterwaard (Pannerdense Buitenpolder), aan een dam, die de boerderij ‘de Raaijhof’ met de Deukerdijk verbindt. Waarschijnlijk bevond de galg zich op een heuveltje langs een oude Rijnstrang. De ‘Galgendaell’ wordt al in de vijftiende eeuw genoemd.

Stad en heerlijkheid Gent (thans Gendt)

Het Duitse klooster Lorsch verkocht Gendt in de eerste helft van de dertiende eeuw door aan de graaf van Gelre, die het dorp in 1233 stedelijke rechten verleende volgens Zutphens model, dat in 1312 werd vervangen door het Doesburgse stadsrecht. De stad Gendt kwam alleen het ‘laag gericht’ toe; de hertog van Gelre behield het ‘hoog gericht’. Een goede eeuw later deed de hertog hiervan afstand ten gunste van de heer van Gendt. Vrijwel zeker hebben er in Gendt twee rechtbanken bestaan: één binnen de stadsgracht voor de stadsbewoners en één voor de ‘buytenluyden, dat ghene porteren tot Genth en weren’. Over de laatste groep zal de hertog de volledige jurisdictie hebben behouden. Van 1470 tot circa 1500 benoemde de Ambtman van de Over-Betuwe de stadrichter. Daarna werd Gendt een hoge en lage heerlijkheid. In 1506 beleende Karel van Gelre Hendrik van Gent met ‘die stadt, kerspel, herlicheyt ende hoocheyt, cleyn en groot’.
De galg stond bij de buurschap Kommerdijk op een plek tegen de dijk aan de Waal. De straatnaam Galgendaal herinnert nog aan de plek. Volgens een proces in 1618 was de gerichtsplaats met galg niet op één van de traditionele plaatsen opgericht, maar op de ‘pootstede’ van het huis Poelwijk (nabij de Waaldijk). Onder pootstede moeten we verstaan een dikke tak aan een markante boom. De heer bekostigde niet de galg, maar de gemeenschap, hetgeen zeer ongebruikelijk was. De vonnissen werden te Gendt zelf voltrokken.

Heerlijkheden Ressen en Doornik

 De heerlijkheid Doornik omvatte onder andere het Huis Doornik en werd in 1507 tot hoge heerlijkheid verheven. Het vormde een zelfstandig gebied totdat het in 1595 bij Ressen werd ingelijfd. Doornik behoorde aan de graven van Gelre en ressorteerde sinds 1327 onder het richterambt Over-Betuwe. Ressen was toen nog Kleefs bezit. De klaarbank bevond zich in Huissen. Via Gerrit van Steenbergen (bezitter van 1369 tot 1385) kwam ook deze hoge heerlijkheid in handen van de Gelderse hertog en viel onder de competentie van de ambtman van de Over-Betuwe. Echter de twee ‘gerichten’ bleven afzonderlijk bestaan, maar nu met het recht van klaring ‘op gennant Praest’. De bank werd gespannen op de plek van ‘het Hemeltje’, een voormalige herberg aan de Doornikse dijk ten noorden van de Kerkenwei en Huis Doornik. In 1507 werd het samengevoegde gebied beleend aan Willem van Aremborch met het recht daar ‘te richten’. In 1591 kwam het gebied bij het Ambt van de Over-Betuwe. De banken van Ressen en Doornik werden in januari 1611 overgebracht naar Bemmel. Of Ressen en Doornik een galgenplek hebben gehad, is niet bekend.

Heerlijkheid Meinerswijk en de klaarbank op de Praets

De heerlijkheid Meinerswijk bestond uit twee kleine gebieden die apart beleend waren: een deel aan een lid van het huis Hemmen en het andere onder meer aan de beroemde Maarten van Rossum. Criminele zaken kwamen er amper voor. Indien nodig werd het Overbetuws landrecht toegepast met recht van beroep op de klaarbank ‘de Praets’ of ‘de Praast’, gelegen in het uiterste oosten van Meinerswijk en grenzend aan een oude Rijnloop, die de Stadswaarden van Arnhem begrensde.
Zeker vanaf 1383, maar vermoedelijk al eerder bevond zich op de Praets de klaarbank van de Over-Betuwe. Hier hield de graaf, later hertog van Gelre of zijn plaatsvervanger de zittingen in hoger beroep (appèlbank). De uitspraken van de klaarbank waren bindend! De zittingen werden gehouden in de open lucht op een weideveld ‘De Praets’. In 1450 werd onder verantwoordelijkheid van de hertog voor het eerst de klaring gehouden, voor of in een herberg met die zelfde naam, die naast de weide stond. In sommige jaren, zoals in 1454, week hij uit naar Arnhem. Er waren geen vastgestelde zittingsdagen: de bank daagde alleen als er beroepszaken waren en zelfs dan niet altijd. Zo is er voor zover we weten, over een periode van 87 jaren van 1470 tot 1557, geen enkele zitting gehouden. Er zijn in die periode wel beroepszaken van het ambt Over-Betuwe geweest, maar die werden – om voor ons onduidelijk redenen – in Nijmegen gehouden. Soms gingen de zittingen ook niet door wegens het ontbreken van voldoende leden om de rechtbank te bemannen. In 1668 werd de laatste zitting op de Praets gehouden, onder de verantwoordelijkheid (en voorgezeten door een vertrouweling) van de hertog van Gelre. Vanaf 1676 besloot de Gelderse landdag dat er alleen nog maar beroep mogelijk was bij het Hof van Gelre en Zutphen. De weide ‘De Praets’ lag op een natuurlijke hoogte (oeverwal) dicht bij het veer naar Arnhem. De weg van Nijmegen naar Arnhem, de Grift(dijk) voerde van Lent naar de Praets. Na een beroepszaak werd het vonnis direct uitgevoerd, dus ook een executie. Er was wel een schavot, maar verwijzingen of sporen van een ‘galgenplek’ hebben we niet gevonden.

De Kleefse enclaves Huissen, Malburgen en Hulhuizen

 Huissen en Malburgen, en de heerlijkheid Hulhuizen waren Kleefs bezit. Hulhuizen was een lage of dagelijkse heerlijkheid, die zich ten oosten van Gendt bevond. Het kasteel, het dorp en de kapel zijn sinds de zestiende eeuw verzwolgen door de Waal. Hetzelfde lot heeft het dorp Malburgen ten westen van Huissen ondergaan, waar de kerk en het kasteel in de golven van de Rijn zijn verdwenen. Het ambt Huissen en Malburgen had een eigen gericht in de Burcht te Huissen. De ambtman sprak er recht namens de graaf van Kleef. De burcht stond op de plaats van het huidige Dominicanenklooster. Volgens Kremer (1894) bezaten de edele heren van Malburgen in 1294 de hoge en lage jurisdictie. Toen de graaf van Kleef de heerlijkheid Malburgen in bezit kreeg, heeft hij de rechten niet meer in leen uitgegeven. De stad Huissen bezat de hoge jurisdictie. In het stadhuis op de markt zetelden de burgemeester en schepenen van de stad, waar ze ook rechtspraken. Huissen bezat tevens een klaarbank, waar die van Loenen en Wolferen en Ressen (eens Kleefse gebieden) en waarschijnlijk ook Hulhuizen recht van appel hadden.
Buiten de stad in de buurschap ’t Zand stond de tentoonstellingsgalg. We nemen aan, dat zowel de stad als het ambt Huissen en Malburgen van deze galg gebruik maakten. Het terrein stond al vanaf 1632 bekend als ‘De Galgekamp’. Het was een economisch, onrendabel stuk land en gemeenschappelijk eigendom van de Huissenaren. In de tweede helft van de zeventiende eeuw verdeelde de magistraat de grond in kleine kavels (hofjes) en verkocht ze aan particulieren of gaf ze in erfpacht. Aan het begin van de twintigste eeuw kreeg het terrein de naam ‘Het Zandse Vierkant’. In de jaren twintig van de vorige eeuw werd er een school, enkele hofjes en de Zandse Kerk gebouwd.

Heerlijkheid Homoet

 Volgens een leenbrief van december 1362 was de hoge heerlijkheid Homoet in oorsprong een voormalig leen van de heren van Oosterhout (vermoedelijk identiek met het Overbetuwse geslacht Van Bronckhorst). Vanaf april 1446 sprak de ambtman van de Over-Betuwe er recht omdat het gebied toen aan de hertog van Gelre verviel. Korte tijd later, in april 1486, kwam de heerlijkheid in handen van de heren (later graven) van Bergh. Vrijwel zeker hebben deze ook in Homoet het Zutphense landrecht ingevoerd met appel op ’s Heerenberg. Er kwamen slechts sporadisch belangrijke rechtszaken voor. Over een eventuele galgenplek in het Overbetuwse Homoet is ons niets bekend.

Heerlijkheid Loenen en Wolferen

Wolferen behoorde toe aan de abdij van Sint-Vaast te Atrecht (Arras in Frankrijk) en kwam in 1167 in het bezit van Graaf Dirk van Kleef. In 1410 was er een lage jurisdictie gevestigd. Loenen was eveneens een leen van de graven, later de hertogen van Kleef, maar bezat zowel de hoge als lage jurisdictie. Beide gebieden werden tesamen in leen uitgegeven aan Barthold van Gent. Hij trad in beide heerlijkheden op als ambtman namens de hertogen. In de loop der jaren is het verschil in jurisdictie tussen beide gebieden in het vergeetboek geraakt. Door de nauwe banden van de Van Gents met Gelre is ook de staatkundige verhouding tot Kleef geheel verwaterd. In feite werd tegen het einde van de zestiendee eeuw het Over-Betuws Landrecht toegepast met klaring op de Praets. De galg van Loenen bevond zich aan de Dijkstraat te Herveld op de grens met Loenen in het noordelijke puntje van een perceel genaamd Engeland.

Heerlijkheid Hemmen

 De hoge heerlijkheid Hemmen – van oudsher een onmiddelbaar Rijksleen – behoorde oorspronkelijk noch tot Gelderland noch tot de Over-Betuwe. Op 25 juli 1660 heeft de toenmalige bezitter Frans van Lynden zich met alle inwoners, rechten, jurisdictiën enzovoort door de Staten van Gelre en Zutphen laten belenen. Sedertdien is het gebied regelmatig onder de Gelderse lenen in het kwartier van Nijmegen geboekt. Er werd geoordeeld volgens het landrecht van Hemmen, wat niet veel afweek van dat van de Over-Betuwe. Beroep was mogelijk bij de klaarbank op ‘De Praest’ te Meinerswijk. Kennelijk heeft Hemmen een eigen tentoonstellingsgalg gehad. In 1916 schrijft Attie Nieboer in ‘Eigen Haard’: ‘het huchtje. En meteen daarna moeten we een bergje op. Een heel klein groen bergje met een boerenhuisje er op met een rieten dak. Daar zijn we dan op ‘het huchtje’, eigenlijk heet het de Galgenberg, omdat daar eens in ouden tijd een galg heeft gestaan, maar de menschen zijn dat gelukkig allang vergeten’.
Op de veldnamenatlas vinden we nog een perceel, genaamd ‘De Galgenpas’. Het lange, smalle perceel ligt excentrisch van het dorp Hemmen, direct langs de Linge.

Heerlijkheid Indoornik

 Indoornik was een Kleefse hoge heerlijkheid en na 1666, en achtereenvolgens een Brandenburgs en Pruissisch leen. In juni 1383 sloot de leenman Rutger van Randwijk een overeenkomst met Willem van Gulik over de hoge jurisdictie in het gericht van Indoornik. Tevens stemde de hertog erin toe dat de ambtman van de Over-Betuwe mee zou ‘richten’ in geval van doodslag. Recht van appèl was op de Praets te Meinerswijk. Er is niets bekend over een eventuele galgenplek. Wellicht is gebruik gemaakt van de galg van Hemmen, die aan de overzijde langs de Linge stond.

Neder-Betuwe

 De rechtsgebieden in de Neder-Betuwe bestaan uit:
    het richterambt Neder-Betuwe;
    de hoge heerlijkheden en de Marspolder
    de stad Tiel, later Tiel en Zandwijk.

Het richterambt Neder-Betuwe

 De Neder-Betuwe maakte evenals de Over-Betuwe deel uit van het Kwartier van Nijmegen.
Het richterambt Neder-Betuwe was onderverdeeld in vier schoutambten: het Bovenkwartier van de Rijn, het Benedenkwartier van de Rijn, het schoutambt van de Waalkant en dat van Zoelen met Kerk-Avezaath en Kapel-Avezaath. Daarbinnen kwamen zes hoge heerlijkheden voor: Echteld, IJzendoorn, Lienden, Eck en Wiel, Leede en Oudewaard en, als vreemde eend in de bijt, de hoge heerlijkheid de Mars.
De ambtman voor de Neder-Betuwe hield bank te Kesteren en Zoelen. In Kesteren daagde het gerecht op de ‘Vertendach (veertiende dag) na Paschedach’ en in Zoelen op de donderdag erna. Er werd recht gesproken volgens het Landrecht van de Neder-Betuwe, dat op het gebied van de criminele justitie een iets grotere zelfstandigheid had dan dat van de Over-Betuwe. Na de overdracht van Tiel aan Gelre zat de ambtman tot 1521 ook de schepenbanken van Tiel en Zandwijk voor en voerde hij de titel van ambtman, richter en dijkgraaf van de Neder-Betuwe en Tiel.

Bovenkwartier van de Rijn

 Het schoutambt van het bovenkwartier bestond uit Opheusden, Kesteren, Meerten, Aalst, Ingen en Ommeren. Tot 1439 hield de ambtman éénmaal per jaar zitting in Kesteren en éénmaal per jaar in Zoelen; tot 1686 tenminste vier maal per jaar en daarna twee keer per jaar. De zittingen vonden plaats onder de blote hemel bij de kerk onder een notenboom. Ook de klaarbank van de Neder-Betuwe hield zitting in Kesteren of Zoelen en altijd op een zondag, voor één van de kerken, naar keuze van de ambtman. Wel diende de klaringszitting tenminste veertien dagen tevoren in alle kerspelen onder de heilige missen en na de Reformatie tijdens de dienst, te worden afgekondigd. Na 1676 was er alleen nog maar beroep mogelijk bij het Hof van Gelre en Zutphen te Arnhem.
Terechtstellingen vonden plaats op het schavot nabij de rechtbank. Na executie werden het lijk aan de galg bij de Waaldijk bij het Ooij en Zuidereind in Echteld ‘te pronk gesteld’. De galgenplek bevond zich kennelijk op een strategisch punt, want ook Zandwijk, Echteld, IJzendoorn, Lienden en later ook Eck en Wiel maakten er gebruik van.

Benedenkwartier van de Rijn

 Het schoutambt van het Benedenkwartier bestond uit Eck en Wiel, Maurik, Rijswijk en Ravenswaaij. De heren van Eck bezaten sedert 1307 de hoge heerlijke rechten in Maurik, Eck en Wiel. Ze verloren echter de gehele jurisdictie in 1361 (Maurik) en in 1387 (Eck en Wiel) aan de Hertog van Gelre, die de heerlijke rechten in 1390 verkocht aan Gerard van Culemborg. Over de omvang van die rechten is lang getwist. In mei 1651 werd bepaald dat slechts de dagelijkse rechtspraak uitgeoefend mocht worden en kwam de hoge jurisdictie bij de landsoverheid, in casu het richterambt van de Neder-Betuwe te Kesteren. Vanaf 1347 (Eck) en vanaf 1393 (Maurik) hebben de heren van Culemborg (tot 1651) de hoogste rechtspraak uitgeoefend.
De Galgheuvelsestraat die de grens vormt tussen de dorpspolder Eck en Wiel en die van Maurik leidde kennelijk naar de galgenplek van beide heerlijkheden. De galg zal (tot 1651) nabij de buurschap Homoet (niet te verwarren met de heerlijkheid Homoet bij Elst) hebben gestaan. In Maurik moet ook een perceel de ‘Halzenkamp’ hebben gelegen. We weten echter niet waar. Na 1651 werd gebruik gemaakt van de galg van het richterambt Neder-Betuwe die aan de Waaldijk in Ooij bij Echteld stond. Tot aan de jaren zeventig van de vorige eeuw was er nog de Galgestraat. Inmiddels is de straat herdoopt in Wielseweg.

De Waalkant

 Het schoutambt van de Waalkant bestond uit Hien, Dodewaard, Ochten en Echteld. Deze laatste plaats was een zelfstandige heerlijkheid met lage (dagelijkse) jurisdictie.
‘Voordat het aan de graven van Gelre kwam was Echteld tot 1312 in het bezit van de Sint-Salvatorkerk te Utrecht. De leenheren waren leden van de familie Van Wijhe (die zich voorheen Van Echteld noemden). Dit geslacht woonde op het kasteel de Hof van Ooij bij het kerspel Ooij. De heerlijke rechten werden uitgeoefend door de ambtman van de Neder-Betuwe, volgens het Nederbetuws landrecht’.
Voor het overige kunnen we kort zijn, de gerichtsbank stond in Kesteren, de galg bij Ooij en Zuidereind, nabij de Waaldijk, aan het uiterste westelijke puntje van Echteld.

De heerlijkheid IJzendoorn

Graaf Reinald gaf in 1345 IJzendoorn in leen uit aan Willem de Cock. De rechtsmacht over het dorp werd daarbij aan het slot IJzendoorn verbonden. In de heerlijkheid was zowel de hoge als de lage jurisdictie gevestigd. Echter in de zeventiende eeuw werd IJzendoorn een gesplitst bezit en waren er twee rechters, de heer van IJzendoorn en de ambtman van Neder-Betuwe. Zij spraken recht volgens het Nederbetuws landrecht. In 1682 kwam aan deze situatie een einde. Voor het uitvoeren van halsstraffen week men uit naar Tiel. Een ‘eigen’ beul had IJzendoorn niet: de scherprechter moest speciaal uit Arnhem overkomen. Het hiervoor genoemde Galgenveld bij het Ooij en Zuidereind tegen de Waaldijk op de grens met Tiel (en ver van de bewoonde wereld), herinnert aan de galg die op de dijk stond.

De heerlijkheid Lienden

 Lienden was een hoge heerlijkheid waarvan de heren (Van Lynden) ook de justitiële bevoegdheden van het aangrenzende Ommeren hadden. Het gebied werd in 970 geschonken aan het klooster van Elten (Duitsland). De dochter van de schenker vocht de schenking aan en via haar kwam de helft van het gebied in de elfde eeuw in handen van de bisschop van Utrecht. Daarmee werd Lienden dus tweeherig en beide heren lieten hun jurisdicties door een eigen richter uitoefenen: zij zaten samen de Liendense rechtbank voor. Het gericht oordeelde volgens  het Landrecht van de Neder-Betuwe. In 1327 nam graaf Reinald ‘het hoog en laag regtsgebied van Lienden’ in pacht voor twee vette, goede beren (mannetjesvarkens) per jaar. Het Eltense deel van Lienden was door koop in 1461 in handen van de heren van Culemborg geraakt, samen met de overblijfselen van de rechtsmacht van Ommeren. In de loop van de zestiende eeuw kwam de jurisdictie van het andere deel in handen van de hertog van Gelre. Pas vanaf 1620 kreeg Lienden een afzonderlijke bank.
Voor het uitvoeren van halsstraffen week Lienden uit naar Tiel. Ook Lienden had geen eigen beul: de scherprechter moest uit Arnhem komen. In Lienden heeft ooit een galg gestaan. Oud-Liendenaren kennen nog altijd het Galgepad, dat vanaf  het Martkplein naar de Galgeplek liep. Op de Gemeente-atlas van Gelderland (Kuyper 1865-1882) treffen we de naam Aschheuvel aan op de grens van Lienden en Ommeren. Mogelijk is dit ooit ook een galgeplek geweest. Verdere aanwijzingen hiertoe ontbreken echter.
 

 

 
Restant van het Galgepad te Lienden
Dit pad liep vanaf het Marktplein naar de Galgeplek
(daar is nu woonwijk Kermestein).

De heerlijkheid Lede en Oudewaard

 De heerlijkheid Lede en Oudewaard ligt ten noord-westen van Kesteren. Er dient onderscheid te worden gemaakt tussen het Huis ter Leede dat een Gelders leen was (volgens een akte van 1527 bezat het heerlijke rechten) en de heerlijkheid Oudewaard waar de hoge en lage jurisdictie behoorden aan de Sint-Paulus abdij te Utrecht. De schaarse processen werden veelal gevoerd voor het gerecht van Rhenen of voor dat van de ‘Marsch’. Pas in de zestiende eeuw kwam in Leede en Oudewaard een eigen gerecht. Over een galgenplek is ons niets bekend.

De Marspolder

De souvereiniteit over de ‘Marsch’ ten noord-westen van de heerlijkheid Leede en Oudewaard werd tot het einde van de Republiek continu betwist door Gelderland en Utrecht. Ze zijn het nooit eens geworden. Dat kwam omdat het gebied door een verlegging van de hoofdstroom van de Rijn bij Rhenen, aan de linkeroever (de Gelderse kant) kwam te liggen. Toch werd er een compromis gesloten inzake de rechtspraak. Beide Staten stelden ieder een schout aan, de Utrechtse was, een sprekende, de Gelderse, een zwijgende functionaris. Ze spraken recht volgens de ‘Costumen ende Rechten van den lande van Utrecht’ in de herberg annex veerhuis gelegen aan de Rijn. De delinquenten werden van de gevangenis te Rhenen naar de Marspolder gebracht om er gevonnist (en indien nodig) geëxecuteerd te worden op het schavot dat voor de herberg was neergezet. De strijd om de souvereiniteit had ook invloed op welke scherprechter dat mocht doen, die uit Utrecht of die uit Gelre. Ze kwamen overeen dat de beulen bij toerbeurt het pijnigen zouden toepassen, maar dat de scherprechter uit Utrecht de doodsvonnissen zou voltrekken. In 1659 kwamen het Utrechtse Hof en Gelderse (en Zutphense) Hof overeen om het appèl ook per toerbeurt te laten plaatsvinden. Pas in 1805 is de Marspolder Gelders geworden. Of er in de Mars een galgenplek is geweest, weten we niet. Zeker is wel dat even ten westen van de stad Rhenen zich de tentoonstellingsgalg van de stad bevond.

Zoelen met de beide Avezaten

 Zoelen was naast Kesteren één van de gerechtsplaatsen waar de ambtman voor de Neder-Betuwe zitting hield. Dat is merkwaardig, want Zoelen werd eigenlijk niet tot de Neder-Betuwe gerekend en in de officiële correspondentie altijd apart genoemd. In 1316 was Zoelen nog een hoge heerlijkheid. In de vijftiende eeuw resteerde er slechts de dagelijkse jurisdictie. Over die lage juridictie heeft de heer van Zoelen zich nog in 1588 beklaagd tegenover het Hof van Gelre vanwege een belastingaanslag, die was opgelegd door de ambtman van de Neder-Betuwe. De ambtman berichtte, dat Zoelen een gerechtsbank was van de Neder-Betuwe. De heren van Zoelen hebben zich uiteindelijk bij de lage jurisdictie neergelegd.
De rechtszittingen vonden plaats op de dam of op de zogenaamde ‘gerichtsbrug’ bij het huis van de schout, maar vaak ook wegens onveiligheid in Tiel. In hoger beroep konden de veroordeelden bij de klaarbank van Zoelen terecht. We weten niet of Zoelen met de beide Avezaten (Kerk-Avezaath en Kapel-Avezaath een galgenplek heeft gehad. In ieder geval hebben de Zoelenaren gebruik gemaakt van de galg op de dijk bij het Ooij en Zuidereind in Echteld.

Tiel en Zandwijk

 Tiel behoort geografisch weliswaar niet tot de Betuwe maar tot de Tielerwaard. Om een aantal redenen, die blijken uit de hier onder weergegeven tekst wordt de stad echter behandeld onder het kopje Neder-Betuwe. De plaats Tiel kwam pas in augustus 1339 bij Gelre, toen Brabant de soevereiniteit overdroeg aan graaf Reinald. Zandwijk echter, dat ten oosten van de Linge lag, behoorde tot in het genoemde jaar 1339
wel tot de Neder-Betuwe. Later door verdere verlanding van de Linge en oostelijke stadsuitbreiding, kwam een deel van Zandwijk binnen de muren van Tiel, waardoor het vaak in één adem met die stad wordt genoemd. Tiel en Zandwijk behielden beide de voorrechten die ze van oudsher bezaten, waaronder de verdeling in twee rechtsgebieden. Ieder gebied had zijn eigen privileges en eigen rechtbank. Na de machtsoverdracht werd het richterambt van Tiel en het ambtsgericht van de Neder-Betuwe verenigd in één persoon: de ambtman voor de Neder-Betuwe. Hij kreeg (tot 1521) de titel ‘Ambtman ende Richter van Nederbetuwe, van Tyele ende van Sandwijck’.
Het hof van Gelre oefende het appèlrecht van zowel Tiel als Zandwijk uit. Dat recht raakte wat Tiel betreft in de vergetelheid: de stad had een tijd lang een eigen appèlbank. Pas in 1676, krachtens, de ‘Provisionele Ordonnantie over d’appèllen’, kwam het hoger beroep tenslotte aan het genoemde Hof in Arnhem.
Het schavot met galg waar het gerecht van Tiel de vonnissen voltrok, stond in de vijftiende en zestiende eeuw op de Groenmarkt. Op dit schavot werden ook vonnissen gewezen en voltrokken van IJzendoorn, Lienden en soms van het ambt van de Neder-Betuwe. Op de kaart van Soonius uit 1657 bevindt zich een galg op het ravelijn pal langs de Waal voor de Westluidensepoort. Dit was vrijwel zeker een tentoonstellingsgalg. Merkwaardigerwijs bestaat er een perceel, genaamd de Galgenwei langs de Oude Tielseweg vlakbij de grens van Wadenoijen. Hier moet dus ook een tentoonstellingsgalg van Tiel hebben gestaan.
De gerechtsplaats van Zandwijk bevond zich even buiten de Zandwijkse Poort, ‘daar thans de herberg de Roos gevonden wordt’. De Zandwijkse galg stond direct bij de Waaldijk, op het punt waar het Nachtegaalslaantje op die dijk aansloot, vlakbij het veerhuis. Het is dezelfde galg, waar men ook de lijken van Echteld, IJzendoorn, Eck en Wiel en van het ambstgericht Neder-Betuwe ten toon stelde. De galg had vele jaren (in ieder geval tot 1826) tevens een functie als baken voor de rivierscheepvaart.
 
De Tielse galg voor de ‘Westluyense Poort’ op het ravelijn

De Tielerwaard

De Tielerwaard is het gebied tussen de Linge en de Waal vanaf Tiel tot aan Gorinchem. Het vormde samen met de Bommelerwaard één ambtsgericht. De galgenplekken in de Bommelerwaard laten we in deze bijdrage buiten beschouwing.

Lingekant en Waalkant

 De Tielerwaard bestond uit een groot aantal dagelijkse heerlijkheden zoals Heesselt, Varik, Est en Opijnen, Tuil, Haaften en Vuren aan de Waalkant, en aan de Lingekant Meteren, Geldermalsen, Deil, Enspijk, Rumpt en Gellicum. Waardenburg met Neerijnen, Heukelum en Dalem waren hoge heerlijkheden. De beide laatstgenoemde heerlijkheden hebben wij op het voorkomen van galgenplekken niet onderzocht. De Mark doorsnijdt de Tielerwaard van oost naar west. De gerichtsbank van de Lingekant bevond zich in Deil, die van de Waalkant in Tuil. De gemeenschappelijke tentoonstellingsgalg van de Tielerwaard stond aan de Mark even ten westen van het huidige klaverblad Deil.

Hoge heerlijkheid Waardenburg

 De hoge heerlijkheid Waardenburg werd voorheen Hiern genoemd. In 1265 ruilde Rudolf de Cock zijn bezittingen in Rhenoy met de hoven van de graaf van Gelre in Hiern, Neerijnen en Opijnen. Aartshertog Maximiliaan verhief Hiern en Neerijnen in 1481 tot een hoge heerlijkheid met recht van galg en put (levend begraven). Waar de galg in Waardenburg heeft gestaan, is ons niet bekend.

Het land tussen Lek en Linge

 Tussen Lek en Linge bevonden zich de graafschappen Buren en Culemborg, het klooster Mariënwaard met landerijen, het ambt Beesd en Rhenoy en de Baronie van Acquoy.

Graafschap Buren

 Buren heeft een roerige geschiedenis; dan weer was het een hoge heerlijkheid, dan weer viel het onder het ambtsgericht van Neder-Betuwe, en tenslotte werd het een graafschap met eigen jurisdictie. De heren van Buren droegen het gebied van de hoge heerlijkheid met de ingelijfde heerlijkheid Beusichem in 1298 over aan de graaf van Gelre. Ze kregen het onmiddellijk als leen terug. In 1383 werd in het gebied het landrecht van Buren en Beusichem afgekondigd. Een rondtrekkend gerecht hield driemaal per jaar op zeven verschillende plaatsen zitting. De heer van Buren bezat het recht van appèl. In 1435 veroverde de hertog van Gelre de stad Buren, het kasteel en de omliggende gebieden en voegde dit nieuwe, afzonderlijke ambt bij zijn hertogdom. In 1446 werd de heerlijkheid verpand aan Gerard, heer van Culemborg. De naam ambtman raakte in Buren snel buiten gebruik en werd vervangen door drost of ‘drossaert’. Deze titel bleef ook in gebruik nadat Buren voor Gelre verloren ging, doordat in 1472 het gebied werd geschonken aan Frederik van Egmond. In 1492 verhief keizer Maximilliaan de heerlijkheid tot graafschap. Het bevatte naast het stadje Buren de dorpen Asch, Beusichem, Buurmalsen, Erichem, Tricht en Zoelmond. In 1795 werd een eerste poging ondernomen om Buren weer bij Gelderland te voegen. Door wisselende besturen – veroorzaakt door de Franse inval en de daaropvolgende bevrijding – duurde het tot 1814 totdat de prins van Oranje definitief verklaarde dat een onafhankelijk graafschap Buren binnen het koninkrijk niet wenselijk was en dat Buren in het vervolg bij de provincie Gelderland hoorde.
Eén van de drie Burense poorten had de veelzeggende naam: Keelafpoort. De poort bevond zich aan de noordoostzijde van de stad en leidde naar de Aalsdijk, de grens tussen het Graafschap Buren en de Neder-Betuwe. Een laaggelegen perceeltje achter het Marechaussee Museum heet nu nog Keelaf. Daar werden kennelijk de doodvonnissen voltrokken. Vandaar werd het lijk naar de tentoonstellingsgalg gesleept, die een eind oostelijk van de stad aan de Erichemse kade stond. Het perceel wordt op de topografische kaart van 1890 ‘De Galg’ genoemd.

Graafschap Culemborg

 De voormalige heerlijkheid Culemborg had zowel de dagelijkse als de hoge jurisdictie, met appèl (of beroep) op de heer. In 1555 verhief Karel V de heerlijkheid tot graafschap. Ten tijde van de Opstand tegen Spanje was de stad een notoire dwarsligger over de aanpak en veroordeling van ketters. Culemborg werd hiervoor collectief gestraft. Als gevolg van hun tegenstand tegen koning Filips II maakte de hertog van Alva rond 1570 het hof van Culemburg te Brussel met de grond gelijk en richtte op de vrijgekomen plek een schandzuil op. Iedereen kon daar lezen wat voor verdorven plaats Culemborg wel was.
De gerichtsbank werd gespannen op het marktveld boven de Blauwe Steen tegenover het stadhuis. Daar stond ook het schavot, waar de executies plaatsvonden; soms stond het schavot bij de voorburcht van het kasteel. De laatste terechtstelling in Culemborg vond plaats in 1840! De galg (en het rad) waar de veroordeelden tentoon werden gesteld na hun terechtstelling, stonden ‘op den Gallichweert’ in de Redichemse Waard in de bocht van de rivier de Lek ten noordoosten van de stad. Beide straftoestellen stonden er duidelijk zichtbaar voor iedereen die over de rivier voorbij voer! Zo had Liesbeth Jans uit Culemborg in de jaren 1773-74 geregeld ‘vleselijke gemeenschap’ gehad met haar zwager. Het kind dat hieruit geboren werd, had ze gedood en begraven onder de keukenvloer. Verder had ze nog twee van haar eigen kinderen gedood. Liesbeth Jans werd veroordeeld tot de dood door worging op het schavot (van Culemborg). Boven haar hoofd werden drie poppen vastgebonden, als symbool voor de drie omgebrachte kinderen. Haar dode lichaam werd daarna door de stad naar het galgeveld gesleept (in de Redichemse Waard). En daar moest het blijven liggen op een rad.

Het ambt van Beesd en Rhenoy

 De dorpen Beesd en Rhenoy vormden het gelijknamige ambt ingeklemd tussen het landgoed Mariënweerd in het oosten en (de baronie van) Acquoy in het westen. De graaf van Gelre was in het bezit gekomen van het kleine gebied door een ruil met Rudolf de Cock, die hiervoor Waardenburg, Neerijnen en Opijnen kreeg. Beesd en Rhenoy hadden een ambtman, die de belangen voor de graaf behartigden. De galg van het ambt stond aan de Lingedijk in de uiterwaard, de Galgenwaard genaamd.  

Landgoed Mariënweerd

Mariënweerd is een voormalig klooster dat werd gebouwd op een lap grond dat in het jaar 1129 ter beschikking was gesteld door de weduwe van Hendrik van Cuijk. De orde der Norbertijnen betrok het klooster. Op de ruïnes van het klooster werd in de loop van de achttiende eeuw een groot landhuis gebouwd.
Het kwartier van Nijmegen had het gebied in beheer en wenste het van de hand te doen. Om het aantrekkelijker te maken voor een eventuele koper, werd het gebied (met instemming van de graven van Culemborg) tot hoge heerlijkheid verheven. In 1734 kocht de toenmalige graaf Van Bijlandt de grond. De galg stond op een heuvel in de uiterwaard van de Linge, pal voor de ‘Neust’ aan het begin van de Bisschopsgraaf (afb. 2.22). De galgenberg is nog goed te onderscheiden in het landschap.

Baronie van Acquoy

 Acquoy maakte vóór de dertiende eeuw deel uit van de Zuid-Hollandse heerlijkheid ter Lede. Het betreft een langgerekt smal gebied tussen de Diefdijk in het westen en Rhenoy in het oosten. Acquoy wordt in 1305 voor het eerst officieel vermeld. Het gebied behoorde aan de heren van Voorne. In 1364 kwam Otto van Heukelum in het bezit van de heerlijkheid Acquoy. In 1516 werd de heerlijkheid tot baronie verheven. Door het huwelijk met Anna van Egmond-Buren in 1551 kwam de baronie van Acquoy in bezit van prins Willem van Oranje. Tot op de dag van vandaag voert koningin Beatrix de titel van barones van Acquoy. Over een galgenplek in Acquoy is ons niets bekend.

Conclusie

 Deze eerste inventarisatie levert in totaal achttien galgenplekken in het onderzoeksgebied op, waar de lijken werden tentoongesteld. Sommige galgenplekken werden door meerdere rechtsgebieden met een hoge jurisdictie gebruikt, zoals die van de Tielerwaard en die van Zandwijk. De tentoonstellingsgalgen bevonden zich ver van de bewoonde wereld, meestal op opgeworpen heuvels of op kaden en dijken, zodat ze voor iedereen goed zichtbaar waren. De meeste galgenplekken, die wij hebben geïnventariseerd, bevonden zich langs of niet ver van een rivier of andere vaarweg, zoals de Culemborgse galg aan de Lek, die van Elst langs de Grift, die van Gendt, Lent, Loenen, Zandwijk en Tiel aan de Waal, die van Tuil en Deil aan de Mark en die van Mariënweerd en van het ambt van Beesd en Rhenoy aan de Linge.
Wat ons herinnert aan de galgen in het Rivierengebied zijn slechts de namen van percelen, zoals Galgenwei, de Galg, Galgenveld, Galgenweert, Galgenpas, Galgenheuvel, Galgendaal, Galgenwaard en Galgenkamp. Bij de straten voorbeelden zoals het Galgepad, Galgenstraatje, Galgheuvelsestraat en de Galgeplek.
Opmerkingen

Angeroyen heeft tot 1355 deel uitgemaakt van het kerspel Angeren. Door een verlegging van de Rijn is het gebied aan de Liemerse zijde komen te liggen.
Geraadpleegde literatuur

• Aa, A. J. van der: Aardrijkskundig woordenboek van Nederland. ’s Gravenhage, 1839-1847.
• Bavel, B.J.P van: Goederenverwerving en goederenbeheer van de abdij Mariënweerd (1129–1592). Hilversum, 1993.
• Bont, C. de en A. D. M. Veldhorst: Atlas van perceelsnamen in het Gelderse rivierengebied. Deel I. Kesteren/Wageningen, 1992.
•  Bredie, A: Toegang tot het verleden van de dorpen Ressen-Doornik, Bemmel, Haalderen, Gendt, Doornenburg, Angeren. Bemmel, 1970.
• Dalen, A. G. van: Het Huis Aerdt. In: De Liemers 15. Zevenaar,1966.
•  Idem: Angeren of Angeroyen. In: De Liemers 21. Zevenaar, 1968.
• Idem: Uit de historie van Pannerden. In: De Liemers 24. Zevenaar, 1970.
• Derksen, H. W. J.: Het Zandse Vierkant. Vroeger: de Galgenkamp. In: Mededelingen van de Historische Kring Huessen, 11, 1: p 159 t/m164. 1987
• Edelman, C. H. en A. W. Vlam: Over de perceelsnamen van het Nederlandse rivierkleigebied. Betuwe en Bommelerwaard. Brussel, 1949.
• Kehl, P. A. M.: Historische schetsen van eenige dorpen en kasteelen in de Over-Betuwe. Nijmegen, 1910.
• Harten, J. D. H.: Sporen in het landschap. Kleine historische landschapselementen in de West-Betuwe en de Vijfheerenlanden. Utrecht, 1997.
• Hol, A. R.: De Betuwe. Leiden, 1957.
• Hol, R. C.: Zeshonderdvijftig jaar Neder-Betuwe. Amsterdam. 1977.
• Ingen, K. van: Het huys van de jonker. Kasteel de Wijeburg te Echteld. Kesteren, 1998.
• Jelgersma, H. G.: Galgebergen en Galgevelden. Zutphen, 1978.
• Keverling Buisman, F.: De klaarbank van het land van Bergh in de vijftiende en zestiende eeuw. In: De feestbundel D. P. Blok, 172-181. Hilversum, 1990.
• Kuys, J. A. E.: De Ambtman in het kwartier van Nijmegen (ca. 1250-1543). Nijmegen, 1987.
• Maris, A. J.: De lijst van Bannerheerlijkheden en andere hoge heerlijkheden in Gelre en Zutphen van 1569. In: B & M Gelre, LXVIII: p 143 t/m 159. 1974/75.
• Mentink, G. en J. van Os: Over-Betuwe.  Geschiedenis van een polderland (1327-1977). Zutphen, 1985.
• Moorman van Kappen, O, J. Korf en W. A. Verschuer: Tieler- en Bommelerwaarden 1327-1977. Grepen uit de geschiedenis van 650 jaar waterstaatszorg in Tielerwaard en Bommelerwaard. Tiel/Zaltbommel, 1977.
• Nieboer, Attie: ‘Met de Vielegepee d’r op uit’. In: Eigen haard,  6 mei 1916.
• Schipperus, P. J.: Buren en Oranje. Buren, 1962.
• Veerman., W.: Het eigene van Culemborg. In: A. J. Blommers (red.),  Culemborgse Historische Reeks, p 54. Culemborg, 1994.
• Voet van Oudheusden, A. W. K.: Historische Beschryvinge van Culemborg; behelzende een Naemlijst der Heeren van Bosinchem, benevens de graeven van Culemborg. Utrecht, 1753.
• Vries, W. de: Bijdragen tot de geschiedenis van het rechterlijk bestel in Gelderland. Arnhem, 1965.
• Wolters, J.: De gemeente Bemmel in het land van Overbetuwe. Geschiedenis van een 5-dorpen gemeenschap. Herdruk. Arnhem, 1987.
• Wolters, J.: Gendt aan de Waal. Geschiedenis van een landelijk gemenebest. Herdruk. Arnhem, 1987.
Dankwoord

Wij zijn velen erkentelijk voor het aanreiken van informatie over galgenplekken. We noemen hier: Bert Blommers uit Culemborg, Ed Terhije uit Beesd, Huub van Heiningen uit Tiel, Dik Herberts uit Elst, Joke Honders uit Dodewaard, Kobus van Ingen uit Opheusden en de heer E. A. J. Wezendonk uit Pannerden. Wij nodigen iedereen uit om correcties, aanvullingen, literatuur enzovoorts over galgenplekken in de Betuwe naar de redactie van de Stichting Tabula Batavorum te sturen.


http://www.mijngelderland.nl/nc/thema/mg-verhaal/artikel/1435/2741/

Related posts