web analytics
...

De geur van late rozen ~ Catherine Duval

De geur van late rozen

Catherine Duval

fa661cc1068acec6e992c9338fe12889 via Angel-Wings

Stil lag de tuin in de avondnevel. De marmeren banken stonden verlaten
naast het verzonken perk, waar in een diep glanzend purper de laatste rozen
bloeiden. De stenen van de paden en ook het gazon waren al bedekt met
dorre, omgekrulde blaadjes en kleine afgevallen takjes lagen overal.
Bekraalde spinnenwebben hingen tussen de struiken en ijle herfstdraden
hechtten zich licht opwaaiend aan de kalende takken. De winter was niet
ver meer.
De roerloze stenen beelden langs het gazon deden de tuin nog verlatener
schijnen alsof alle leven en de volle schoonheid van de zomer voor goed
waren weggevaagd. Of er niets meer wachtte dan alleen de dood, het bittere
einde na een voltooid leven.
Een briesje huiverde aan, streek over de perken en paden, de geur van late
rozen met zich voerend als een bitterzoete afscheidskus.
Het was rumoerig in het tehuis; vandaag zou er weer een nieuwe komen.
Weer een onwillige, weerstrevende mens zou aan hun gelederen worden
toegevoegd. Het maakte de bewoners onrustig. Zij waren er al zo lang,
sommige al meer dan twintig jaar – zij hadden de gelatenheid, het uitgeblust
zijn van de totale verslagenheid – anderen waren nog in stil verzet, vermokt
en wrokkig, maar ze hadden met elkaar gemeen dat ze waren opgeborgen,
oud gebrekkig, dement, min of meer ontoerekeningsvatbaar, onzindelijk,
lastig, agressief, maar ongewenst; allen zonder uitzondering ongewenst.
Dàt hadden zij gemeen en zij vormden een broeiend bolwerk tegen de
maatschappij, die hen dit had aangedaan.
Zij zaten in de gemeenschappelijke eetzaal, ieder op zijn vaste plaatsje,
ogenschijnlijk rustig en ongeïnteresseerd, schijnbaar toevallig, maar
innerlijk opgewonden, gespannen in hun verwachting naar de komst van de
nieuwe.
Toen hij eindelijk werd binnen gebracht en de massieve buitendeur achter
hem op slot werd gedaan, richtten aller ogen zich op de plaats waar hij
verschijnen moest. Als hongerige roofdieren zaten zij, wachtend, gereed
hun prooi te bespringen.
De man, die werd binnengebracht was klein en tenger. Hij liep met
onzekere houterige passen, aan één kant ondersteund door een broeder. Hij
had een bleek asceten-gelaat met een goed onderhouden witte snor en
kleine puntbaard. Zijn omfloerste blauwe ogen keken nietsziend voor zich
uit. Een bril met een breed donker montuur gaf hem het voorkomen van een
professor en die naam zouden zij hem geven. Ze gaven elkander altijd een
naam hier, dat was makkelijker. Je verloor je eigen persoonlijkheid immers
als je hier binnen kwam. Hier hield je werkelijke leven op, was alleen nog
maar een vegeteren; een wachten op de dood.
De man werd naar een lege stoel geleid aan een vrijstaand tafeltje. Als een
ledepop liet hij zich neerzetten.
Tientallen ogenparen namen hem nauwkeurig op, een paar knikten en
mompelden een groet; maar hij reageerde niet.
Hij zat daar, stil en onbeweeglijk en de verslagenheid en de verwarring die
heerste in zijn hart tekende zich af op zijn gezicht en vond een uitweg in
stille tranen, die traag neerdrupten uit zijn wazige blauwe ogen.
Eén voor een sloegen de anderen hun blik neer, zij kenden dit leed, de pijn.
Hij was aanvaard; hij was één der hunnen.
Voor Johannes had de wereld opgehouden te bestaan. Hij voelde zich een
gevangene, weerloos, verlaten en zijn gedachten cirkelden aanhoudend om
dit ene: ‘Hoe kom ik hier uit, hoe kom ik hier ooit uit?’
Nog luttele maanden geleden was hij vrij en onafhankelijk geweest op de
ruime ouderwetse zolder, waar hij woonde en zijn atelier had. Hij had
geschilderd en iedere dag genoten van zijn leven en van wat hij schilderde;
de natuur, dieren, stillevens en mooie vrouwen, ontsproten aan zijn fantasie.
Zestig jaar was hij en hij had een kleine rente om van te leven.
Met wat hij verkocht van zijn schilderijen kon hij zich af en toe een goede
maaltijd met een flesje wijn veroorloven in een gezellig restaurant en voor
de rest deed hij het met brood en soep, een gebakken visje of een bal gehakt
van de patatkraam op de hoek. Liters zwarte koffie vergoedden hem veel,
want daar was bovenal zijn vrijheid en zijn onafhankelijkheid en die had hij
lief. Hij was een gelukkig en ongecompliceerd mens.
En nu… nu was daaraan een eind gekomen. Een kleine onbeduidende
operatie – hoe welgemoed was hij naar het ziekenhuis gegaan – een kleine
fout, een onbekende oorzaak, een langzame beroerte en zijn leven was
ineengestort. Gedeeltelijk verlamd, aan één oog blind met een zwaar
verstoorde spraak, kon hij niet meer voor zichzelf zorgen en werd hij, na
troosteloze maanden in het ziekenhuis, geplaatst in een demententehuis.
‘Voorlopig’ zei men,
‘voorlopig een tehuis voor dementen, want in een gewoon tehuis, dat ging
niet. Daar zou men hem niet accepteren. Hij kon zich immers niet
verstaanbaar maken. De ongearticuleerde klanken die hij uitstootte, zouden
hem van anderen vervreemden. Hij zou geen contact met ze hebben,
eenzaam zijn. Dat ging niet. Hij zou er ongelukkig zijn.
Maar bij de gestoorden, daar zou hij geaccepteerd worden, die hadden zelf
allen een gebrek.
Ze zouden hem aanvaarden als een der hunnen.’
Zo hadden de doktoren en de psychiater het hem verteld. Het had zinvol
geklonken, maar Johannes wist heel goed dat zij aan zijn verstandelijke
vermogens twijfelden. Hij kon immers niet antwoorden en de macht over
zijn handen had hij verloren, opschrijven ging ook niet.
Bovendien had hij zich toen niet kunnen verdedigen, zijn gedachten waren
niet meer zoals vroeger als vrije flitsende vogels in een klare blauwe hemel.
Hij dacht moeilijker, trager en het kostte hem oneindig veel moeite. Hij was
weerloos en verslagen en hij wist het.
En zo kwam hij hier.
De benauwde lucht van verschaalde rook, van veel mannen dicht opeen,
vermengd met de geur van slechte koffie en luchtjes uit de keuken, benam
hem bijna de adem. Hij voelde zich beklemd, tot stikkens toe.
‘Wég, wég, hij moest hier weg, naar buiten, de frisse wind voelen, ergens
zou er toch wel een deur zijn die naar buiten voerde. Er zou toch wel een
tuin zijn waarin hij lopen kon; hier hield hij het niet meer uit.’
Hij stond op, keek om zich heen. Zijn éne goede oog probeerde een uitweg
te ontdekken, maar hij zag alles onduidelijk en omfloerst door tranen, die
onophoudelijk bleven stromen.
Een van de mannen kwam op hem toe.
‘Hé, prefessor, ken ik je helpen?’
Een paar onverstaanbare keelklanken in antwoord.
‘O, ken je niet praten, geef nie, zijnne der wel meer hier zo. Knik maar as ik
vraag. Mot je de broeder?’
Met zijn hoofd wees Johannes in de richting van de tuindeuren.
‘Buiten?…, de tuin. Kom maar. Mot je geen jas an, ’t is koud.’
Behulpzaam schuifelde de andere met hem mee. Hielp hem met de deur en
het stoepje af en liet hem toen alleen.
De frisse koude wind stoof op Johannes aan. Prikte tegen zijn gezicht. Zijn
verwarde witte haren stonden als een stralenkrans uit om zijn hoofd.
‘Vrij, hij was buiten, Goddank.’
Langzaam liep hij verder tot hij bij een schuurtje kwam. Er lagen
tuinstoelen opgestapeld en er stonden opgevouwen parasols, voor de zomer.
Er was een klein hek naast. Voetje voor voetje ging hij verder. De dorre
bladeren kraakten onder zijn schoenen. Hij vond een marmeren bank bij een
verzonken bloemenperk. Van hieruit kon hij het tehuis niet zien. Hier was
alleen de tuin, met de beelden, de natuur. Lang bleef hij zitten. In hem
schrijnde het verdriet om zijn verloren leven. Niets was er voor hem meer
dan een zinloos wachten op de dood. Half blind, aan een arm verlamd,
zonder spraak en niemand op de hele wereld die zich om hem bekommerde.
Een snik welde op in zijn keel; afgedaan, voor altijd.
Toen zag hij haar. Ze stond onder een berkeboom en keek naar hem. Ze
droeg een ijl bruin-wit kleed en een krans van roodbruine bladeren in haar
witte haar. Ze was mooi en vreemd met glanzende blauwe sterrenogen en
een lachende rode mond.
Ze knikte tegen hem. Hij kon niet spreken, maar in zijn gedachten vroeg hij
haar:
‘Wie ben je?’
‘Ik ben Roxane’ zei ze.
Ze kwam naar hem toe, haar slanke blote voeten schenen de grond niet te
raken. Dichterbij kwam zij, zo dicht, dat zij hem aan kon raken. Ze legde
haar slanke vingers tegen zijn lippen.
Ze voelden koud aan, zo koud als waren ze van ijs. Maar hij merkte dat hij
spreken kon. Hij had zijn stem terug. Hij kon praten met Roxane.
En hij vertelde haar zijn leed. Zij luisterde naar hem en toen hij
uitgesproken was voelde hij zich leeg, maar getroost, wonderlijk getroost.
Weer raakte zij hem aan en weer voelde hij de ijzige koude van haar
vingers.
‘Bent u nu nog eenzaam?’
‘Nee, nu niet meer, maar straks, als ik terug moet, daar naar binnen in het
tehuis, wat dan? O, God, Roxane, wat dan?’
‘Denk aan mij, alleen aan mij.’
‘Maar wie ben je, zeg me wie je bent. Woon je hier in de buurt en zal ik met
je mogen praten af en toe? Het zal minder erg zijn als ik met je praten kan.
Maar misschien vraag ik te veel. Ik ben oud en afgedaan en jij bent jong en
mooi en vol leven. Hoe kan ik verlangen dat jij mij komt opzoeken?
Misschien zouden ze je niet eens binnen laten.’
Haar lach parelde op.
‘Mij niet binnen laten?’ zong ze. ‘Maar niemand kan mij immers
tegenhouden. Maar het is niet nodig. U kunt hier komen, naar de tuin; hier
kunt u mij vinden als u dat wilt, maar vergeet niet, u alleen, anders zou ik
moeten komen en u halen en de tijd daarvoor is nog niet gekomen.’
‘Ik zal het niet vertellen’ beloofde hij, ‘maar kind, heb je het niet koud in die
dunne jurk en op je blote voeten; je zult nog ziek worden, de zomer is
voorbij.’
Weer klonk haar lichte lach als het tinkelen van kleine zilveren bellen.
‘De koude deert mij niet en op de wegen, die ik bewandel zijn geen
schoenen nodig, maar nu moet ik gaan en u moet weer naar binnen, anders
komen ze u zoeken. Tot weerziens.’
Ze ging weer terug naar de berk waar hij haar voor het eerst had zien staan
en weer knikte zij tegen hem. De nevel, die in de tuin hing scheen haar op
te nemen. Hij zag haar nu niet duidelijk meer. Vager en vager werd haar
beeld tot er niets meer was dan de nevel alleen en de blanke berk; zij was
weg, maar tot hem kwam strelend en fluweelzacht de zoete geur van late
rozen. Het omzweefde hem en nam hem op, voerend tot ongekende hoogten
van blijdschap en rust en een geluksgevoel even warm en schoon als de
purperen blaadjes van de rozen in het perk. Roerloos bleef hij zitten, de
ongemeen milde geur inademend. Het was als een genezing voor zijn
gewonde vertwijfelde ziel, die voor het eerst sinds maanden vrede
gevonden had.
Het harde geluid van plompe voetstappen schrikte hem op. Ze bonkten over
het tegelpad tot zij vlak bij hem waren.
‘Zo, ouwe, zit je hier, je hebt gelijk, daarbinnen is ’t nou ook zo lollig niet.’
De stem klonk ruw maar niet onvriendelijk.
‘Kom, ’t is etenstijd.’
Hij hielp Johannes overeind en voetje voor voetje ging het terug naar het
tehuis.
De tafels waren al gedekt en de anderen zaten al op hun plaats. Ze keken
niet op toen hij binnenkwam. Zij voelden met hem mee en wilden hem niet
storen. Hij kreeg een tafeltje alleen, dat was regel had de directeur hem
verteld, tot hij zelf besloten had bij wie hij zich aan wilde sluiten. Het eten
was niet slecht en er was volop, maar het interesseerde hem niet.
Duizendmaal liever had hij een droge boterham gegeten op zijn vertrouwde
zolder.
Langzaam en onzeker bracht hij de lepel naar zijn mond. Hij wist, dat hij
morste, maar hij wilde niet gevoerd worden. Als hij maar meer controle had
over zijn handen. Waarom beefden en schudden die zo? Als hij maar kon
leren dat te beheersen, misschien zou hij dan weer kunnen schilderen.
Dat hadden de doktoren hem gezegd: ‘Proberen, steeds weer proberen.’
Het was waar wat de psychiater had gezegd, dat zag hij nu wel in. Tussen
normale mensen was hij niet op zijn plaats geweest; hier morste iedereen.
Voor het eerst kon hij weer redelijk denken en hij wist wie hij hiervoor
danken moest.
Dat wonderlijke meisje in die sprookjesachtige tuin had hem zijn evenwicht
terug gegeven.
Na het maal schuifelde een der anderen naar hem toe. Het was dezelfde
man, die hem naar buiten had gebracht.
‘Zo prefessor, hier ben ik weer. Ik ben de Kromme, zo noemen ze me hier.
Beetje bekomen?
Ja, het valt niet mee, ik weet het. Ik zit hier al ellef jaar. Toen de vrouw
doodging was d’r geen plaats bij de kinderen, dat was te lastig en toen
hebben ze me hier gedaan. Ze komme nog welderis…zo af en toe, ’n uurtje;
maar méé mag ik nooit. Voor mijn part magge ze helegaar wegblijven, wat
hebbie deran. Ze zeggen dat ik gèk ben, daarom ben ik hier. Niet gevaarlijk
hoor, nee, maar toch niet wijs en da’s veels te lastig om over de vloer te
hebben met de winkel en de kleine kinderen. Maar ze liege ’t, ik ken bestig
op de kinderen passen, beter dan hullie met der mederne fratsen, niks
gedaan.
Je ken netzogoed dood wezen, da’s waar we allemaal op wachten hier, op de
dood, maar ’t duurt verdomde lang. Zie je die met die lange baard daar in de
hoek, da’s Opa, negentig is ie, maar nog helegaar helder van geest. Die weet
alles, maar hij hèt lamme benen; daarom hebben ze em hierin gestopt, al
twintig jaar is ie hier. En links van hem zit Popla; die noeme we zo omdat ie
altijd het toiletpapier opvreet, die weet niks meer, nie eens dat ie leeft. En
die met die kale kop is de Tor, da’s een kwaje, die vloek soms zo dat ’t
schuim em op ze mond komt en dan motte drie broeders hem wegzeulen.
As ze de deur openlaten loopt ie weg, daarom draaien ze hem altijd op slot.
Niet voor allemaal hoor, maar de meesten zouden verongelukken azze ze
buiten kwamen, of verdwalen. Soms mag ie wel es naar buiten, met de
broeder, maar nooit allenig.
Heb jij kinderen prefessor?’
Johannes schudde van neen.
‘Zoveels te beter, allemaal ellende, pure ellende. Neem mij nou, gèk zeggen
ze dat ik ben; je bent beter dood. Hebbie geen vrouw ook?
Weer nee.
‘Nog beter, hebbie ook geen sjachrijn. Hier komme ze toch niet graag. In ’t
begin lopen ze nog wel, maar as die deur achter ze op slot gaat vinden ze
dat heel niet leuk en dan komme ze minder en dan blijven ze weg. Rotzooi.
Kom prefessor, ik zal je helpen, gaan me bij de televisie zitten, hebbe me
een goed plaatsie.’
Johannes liet de woordenvloed over zich heen gaan. De tragedie van de
Kromme was als een schrijnende wond, gelijk aan de zijne en ongetwijfeld
aan die van alle anderen hier, maar hij was er met zijn gedachten niet
helemaal bij. De vreemde ontmoeting in de tuin hield hem bezig. Hij kon
het zich niet duidelijk meer voor de geest halen. Het leek een droom, zo
onduidelijk en zo vaag.
Of was het een droom?
Had hij zitten slapen daar op die bank? Was het niet werkelijk gebeurd?
Had hij het zich verbeeld? Een jong meisje, dat Roxane heette en dat op
blote voeten liep en een ragdunne jurk droeg in die kou. Het kon niet waar
zijn: zoiets bestond niet.
Angst greep hem aan. Het Móést waar zijn, het moest, hij wilde dit
behouden; het was het enige dat hem nog restte, een schim van geluk. Die
mocht hij niet verliezen, liever maakte hij er een eind aan.
Bruusk stond hij op en met onzekere passen liep hij naar de tuindeuren. Zijn
bevende hand probeerde de klink, maar die gaf niet mee; de deur was
afgesloten.
Razernij steeg in hem op. Hij sloeg met zijn vlakke hand tegen het hout en
over zijn lippen kwam een onverstaanbare serie klanken; als ontstemde
orgeltonen golfden zij op en neer.
Toen waren er twee broeders bij hem en hij werd weggeleid. Hij probeerde
zich te verzetten.
Hij wilde naar buiten, hij wilde vrij zijn en geen gevangene. Vrij, vrij,
VRIJ!
Maar ze brachten hem naar een kleine kamer en hielpen hem in bed. Hij
voelde de prik van de scherpe naald in zijn vlees, als de beet van een klein
dier. Toen was hij alleen achter een afgesloten deur: een gevangene.
Als hij maar wist of het een droom geweest was. De onzekerheid was hem
onverdraaglijk. Hij snakte naar de serene stilte van de tuin; de koele
aanraking van de wind. Hij wilde wéten.
´Roxane´prevelde hij zacht.
Door het venster tegenover zijn bed gleed een manestraal en speelde met de
spijlen van het ledikant en daar, achter de ruit zag hij Roxaneś stralend
gelaat, de sterrenogen en de lachende mond. Ze knikte tegen hem en wuifde
met haar kleine witte hand. Het was of hij de ijzige koude van haar vingers
weer voelde; het raakte hem aan, beroerde hem, gaf hem rust.
Met een glimlach om zijn lippen vie hij in slaap.
De volgende ochtend mocht hij weer naar de eetzaal en niemand zei iets
over het voorval van de vorige avond. Zijn eerste gedachte gold de tuindeur.
Ze was open en weldra scharrelde hij langs het tegelpad. Tegenover de witte
berk ging hij zitten, vol verwachting. Zou zij terugkomen, of was het alleen
maar zijn eigen fantasie geweest die hem dit beeld voor ogen had getoverd;
geboren in de radeloosheid van zijn ziel. Schier ademloos wachtte hij, maar
niet tevergeefs, want plotseling was ze bij hem en hij voelde de ijzige koude
van haar vingers op zijn hand.
Het was geen droom, maar werkelijkheid: Roxane bestond.
Van toen af bracht hij ieder vrij moment in de tuin door. Het viel de
verplegers en de dokter op, maar de koude en het buiten zijn schenen de
man niet te deren. Het maakte hem rustiger en handelbaarder als hij weer
binnen was, dus lieten zij hem. Af en toe ging een van hen kijken, maar
onveranderlijk vonden zij hem zittend op de marmeren bank, stil voor zich
uitstarend en ze stoorden hem niet.
De dagen vergleden en langzaamaan groeide de verwondering in hem op.
Het bijzondere aan Roxane, de vreemde manier waarop zij kwam en ging,
alsof zij oploste in het niets. De rust die over hem gekomen was, en bovenal
dat hij gewoon praten kon als hij bij haar was, deden in hem de overtuiging
groeien dat zij geen gewone menselijke sterveling was en toen een der
tuinlui hen voorbij liep terwijl zij naast hem zat zonder haar op te merken
wist hij het zeker: anderen konden haar niet zien, omdat zij voor hen niet
bestond.
Maar waarom voor hem wel?
Eer hij het haar vragen kon, gaf zij hem het antwoord.
‘Het was uw wanhoop, die mij aantrok. Kom, laten we hier weggaan.’
En ze nam hem bij de hand en leidde hem de tuin door tot achter de berk
waar een haag van vogelkers als een massieve groene wand de tuin afsloot
van de wereld daar buiten. De fijne wiegelende takken vielen als een
waterval van verbleekt, stervend groen. Met één hand maakte zij een
opening. Achter hen sloot de dichte sluier zich met een zacht geritsel.
Ze liepen door een tunnel van bladeren en kwamen tenslotte in een andere
tuin. Ze hield halt bij een slank, met klimop overwoekerd, paviljoen.
‘Kom’ ze ze, ‘ ik heb iets voor je.’
Het paviljoen was een klein wonder. Er stonden roodfluwelen stoelen en
een Récamier. Aan de zolder hing een lamp in wier glanzende facetten het
licht gebroken werd en tintelend uiteenviel in een regenboog van kleuren.
In een hoek stond een schildersezel met een half voltooid portret. Vanaf het
linnen keek Roxane’s gezicht hem aan, maar het miste het stralende,
zilverachtige dat er nu over lag. Het was een oudere Roxane en in de ogen
lag een wereld van pijn.
Er was ook een doos met penselen, tubes verf en een rol ongebruikt linnen.
Hij keek haar aan.
‘ Maar, zou ik kunnen . . .’ stamelde hij.
Ze knikte.
‘Ja, hier kun je alles wat je wilt. Hier is niet je lichaam de baas maar je
geest; probeer het maar.’
Liefkozend streken zijn handen over de vertrouwde materialen en eer hij het
zich realiseerde had hij een klein doek genomen en schetsten zijn onwillige
vingers een wonderlijke bloem.
Hij vergat alles om zich heen; hij schilderde.
De tijd vergleed.
Het was de ijskoude aanraking van Roxane die hem terug bracht tot de
realiteit.
‘U moet gaan’ sprak ze, ‘het is tijd.’
‘Kan ik niet blijven, moet ik terug?’
Ze knikte.
‘Ik begrijp het, ze zullen me komen halen en dan zullen ze me beletten
hierheen te komen.’
‘Nee, ze zullen u niet zien als ik dat wil, maar de tijd is nog niet daar om te
blijven. Kom, ik breng u terug.’
De broeder, die hem kwam zoeken vond hem op de marmeren bank.
‘Wordt het geen tijd dat binnenkomt ouwe? Volgens mij moet je even
versteend zijn als die bank. Potverdorie, wat is het koud hier. Voel jij dat
niet?’ En de vraag zelf beantwoordend mompelde hij: ‘Nou ja, dat zal wel
niet. Die verkalkte botten zullen wel geen enkel gevoel meer kennen.’
Hij strekte de hand uit om Johannes op te helpen, maar met een hoofs
gebaar wees hij de hulp af. Hij stond op en het hoofd hoog opgeheven, de
schouders recht, liep hij naar het tehuis terug met langzame, zekere passen.
De broeder staarde hem na in stomme verwondering.
‘Alsjemenou.’
Hij vertelde het de directeur zodra hij hem zag.
‘Ik geloofde mijn ogen niet’ eindigde hij, ‘stekkerde weg of er niks aan de
hand was.’
De dokter werd eveneens ingelicht, met gevolg dat Johannes naar de
onderzoekkamer gebracht werd.
Hoewel hij wist dat Johannes niet spreken kon vroeg hij gewoontegetrouw:
‘Hoe voelt u zich?’
Hij keek naar Johannes, die daar stram en recht voor hem stond. De
ascetische gelaatstrekken waren dezelfde, hoogstens nog iets verfijnder,
maar er was iets anders bijgekomen, een vreemd waas, een vage gloed,
alsof hij jonger was geworden; jaren jonger.
Dat kon niet, dat was een raadsel, want in het medisch rapport stond dat
onverwachte kleine bloedingen, herhaaldelijk terugkerend, deze man
uiteindelijk totaal dement moesten maken, hem slopen tot ten laatste de
dood hem zou verlossen. Hier was geen genezing mogelijk, alleen verdere
aftakeling op kortere of langere termijn, met een totaal verlies van
geheugen en bewustzijn.
En nu dit, een overklaarbare verbetering. De dokter geloofde niet in
wonderen en hij vreesde dan ook een sterke tijdelijk opleving, die
onherroepelijk gevolgd moest worden door een ergere terugval.
Halen en brengen, dat was het vaak, maar dit was uitgesproken ongewoon.
‘Speciaal op letten’
dacht hij nog en nadat Johannes was weggegaan gaf hij dienovereenkomstig
instructies.
Maar er gebeurde niets, hoogstens dat Johannes niet terugviel, dat zijn
toestand nog verbeterde, alhoewel hij nog steeds niet sprak. Er begon zelfs
vlees op zijn botten te komen.
Zijn ene goede oog straalde en hij bleef fier rechtop lopen; de bange
verwachtingen van de dokter ten spijt.
Elke dag ging Johannes nu naar het paviljoen om te schilderen en Roxane
vergezelde hem. En elke dag zagen de broeders, die opdracht hadden extra
op hem te letten, hem urenlang zitten op zijn marmeren bank in de stille
tuin, kijkend naar de rozen, die bloeiden in purperen overdaad.
En de dagen vergleden als vage rimpels in een gladde vijver en altijd was
daar Roxane, naar wie heel zijn ziel opgeheven werd. Haar vreemde koude
aanraking was hem zo vertrouwd.
Hij voelde zich sterker, jonger, overmoediger, als gaf zij hem een nieuw
leven.
Niets kwam er meer op aan dan alleen die vreemde stille tederheid, die
tussen hen gegroeid was. Hij wist dat hij haar beminde met al de gloed van
zijn late leven; zoals hij nooit tevoren had gekund. Passieloos, zonder
begeren, mild en teder, zich kerend naar het sralende licht van haar wezen
zoals de late rozen zich naar de zon wendden.
De milde herfst was haast onmerkbaar overgegaan in de winter. Kaal en
naakt stonden de bomen en de grond was bedenkt met hun afgeschud kleed.
De herfstdraden waren verdwenen, maar nog bloeiden in het perk enkele
rozen. Ze schenen eenvoudig niet te kunnen sterven, geen afstand te willen
doen van het leven. En iedere dag zag Johannes hen en hij raakte ze
voorzichtig aan.
Voor hem waren zij onverbrekelijk verbonden met Roxane, die op zo’n
wonderlijke manier in zijn leven gekomen was toen hij er niets meer van
verwachtte, toen hij geloofde dat alles nu afgelopen was voor hem en niets
anders meer overbleef dan een opstandig wachten op de dood. Juist toen
had het leven hem aangeraakt en was in volle schoonheid naar hem
toegekomen.
Hij had mogen proeven van de zoetheid van het leven.
Zij geluk was volmaakt. Zijn verzet was weg en de dood boezemde hem
geen vrees meer in, want Roxane was bij hem.
Zij was er altijd. Haar vage gestalte wachtte op hem onder de zilveren berk.
De dagen vielen hem niet lang meer nu; zij maakte ze licht.
Iedere dag nam zij hem mee naar het paviljoentje en hij schilderde het ene
schilderij na het andere in onverzadigbare honger. Alleen dàn leefde hij; de
uren, die hij in het tehuis doorbracht waren onwerkelijk. Hij realiseerde het
zich niet meer, hij wachtte tot het moment dat hij weer naar de tuin kon
gaan en Roxane ontmoeten. Hij had geen verlangen meer het tehuis te
mogen verlaten. Wat moest hij nog in de wereld, die hij in luttele weken
was ontgroeid. Voor hem bestond alleen de lieflijke droom die Roxane
heette, en die wilde hij vast houden met alle kracht die in hem was.
Zittend op zijn bank wachtte hij op haar en toen zij naar hem toekwam
voelde hij weer de intense koude die van haar uitging en die hem toch niet
afschrikte. Hij verlangde naar de lichte aanraking van haar dunne ijzige
vingers; het was de schoonste liefkozing, die hij ooit had gekend.
Hij knikte naar de rozen en zei:
‘Er zijn er nog maar een paar, Roxane. Zo lang die bloeien ben ik veilig,
maar wat als de winter komt met sneeuw en ijs.
Zullen ze dan ook toestaan dat ik de tuin inga?’
Ze glimlachte, een verre, vreemde lach en wees hem een bijzondere gave,
grote knop, die zachtjes bewoog in de wind.
‘Zolang die niet heeft gebloeid, zal de winter niet komen en àls ze bloeit zal
het lente zijn.’
Zij nam zijn hand in de hare. Het was als voelde hij sneeuw, koud,
tintelend. De kou kroop op in zijn arm, maar het deerde hem niet. Hij
schoof dichter naar haar toe tot haar lichaam het zijne raakte en hij keek in
haar wonderlijke blauwe ogen.
Hij voelde hoe de koude meer en meer bezit van hem begon te nemen en
ergens schemerde een herkennen in hem, een vermoeden.
Was dit de dood?
Hij had altijd gedacht dat de dood een man was, zwart, somber en
onverbiddelijk. Maar nu, nu wist hij dat zij een vrouw was. Mild, geduldig
en vol liefde.
Niet in vertwijfeling had ze hem willen vinden. Niet in zijn opstandigheid
had zij tot hem willen komen. Zij had gewacht en hem haar schoonheid
getoond; hem voor zich gewonnen, tot hij niets anders wilde dan haar
volgen.
De koude had nu bijna zijn hart bereikt, maar hij voelde geen vrees.
‘Roxane, ben jij de dood? Als jij de dood bent, dan vind ik het prettig om te
sterven.’
Zij glimlachte slechts.
De ijzige koude had zijn hart aangeraakt. Hij voelde een lichte duizeling,
maar stierf niet. Hij zat daar en langzaam vielen de jaren van hem af. In
plaats van stil te staan voelde hij zijn hart opspringen in zijn borst. Hij
voelde het warme rode bloed heftig pulseren in zijn aderen; jagend door
zijn lichaam van ijs, dat jonger werd, iedere seconde jonger werd en sterker.
Hij voelde zich groeien tot hij was als een jonge God en voor zijn ogen
ontbloeide de gezwollen rozenknop. Zij vouwde haar blaadjes open, zich
ontplooiend tot een volmaakte bloem in koninklijk purper met diep in haar
een gouden kern, waarin de tere meeldraden trilden en bewogen als klopte
daar haar hart.
In vervoering trok hij Roxane aan zijn borst.
‘Kijk Roxane, kijk, het is lente’ schalde zijn stem.
Gehaast liep de broeder door de tuin, zoekend en spiedend.
De oude moest toch in de tuin zijn; binnen was hij niet.
Daar was een gat in de heg; hij zou toch niet . . . daardoor?
Hij wrong zich door de opening en kwam in een verlaten tuin met het
slanke paviljoen.
Een jonge vrouw met wit haar en stralend blauwe ogen kwam juist naar
buiten, achter haar liep een slanke man.
De broeder groette.
‘Neemt u mij niet kwalijk, maar heeft u hier soms een oude man gezien?’
De vrouw schudde van ‘neen’, de man beaamde het.
De broeder haalde de schouders op.
‘Dan zoek ik maar verder, bedankt.’
‘Vreemd’ dacht hij, ‘waar heb ik dat gezicht toch eerder gezien? Het komt
mij zo bekend voor’, maar hij kon het zich niet herinneren.
Hij zocht de hele tuin af, ook het kleine paviljoen, waar hij viel over de
rommel. Alles was met een dikke laag stof bedekt en spinnewebben hingen
overal. Niets dan wat wrakkig vermolmd meubilair en stilte, intense stilte.
Terug ging hij weer, door het gat in de heg, naar zijn eigen tuin. Verbaasd
bleef hij staan. Op de bank zat een oude zoals gewoonlijk, stil en in elkaar
gedoken. Maar iets was toch anders; hij ademde niet meer en de
uitgedoofde blauwe ogen staarden nietsziend voor zich uit. Zwijgend keek
de broeder naar de stille dode.
Ineens zag hij het, die man van daarstraks leek op Johannes.
Ja, beslist dezelfde trekken, hetzelfde ascetengelaat, de blauwe ogen; alleen
jonger, veel jonger was die man geweest.
Hij bukte zich over de broze gestalte. Met gemak tilde hij hem op en droeg
hem weg.
Stil en verlaten lag de tuin. De winteravond huiverde aan en deed de dode
blaadjes in een cirkel opdwarrelen.
Een lichte nevel maakte zich los van de aarde, ijl uitwaaierend langs de
witte berk.
Duisternis golfde aan en nam bezit van de tuin, alles verhullend tot er niets
meer over was dan alleen de geur van late rozen.

Auteur: Catherine Duval

Dode bladeren

5f74cadea389bb2a5f3cfc92e4f8186b via Angel-Wings
Liesbet de Winter hield van wandelen, het liefst alleen. Speciaal hiervoor
was zij naar een bosrijk gebied getrokken diep in het Taunusgebergte.
De morgen lag stralend en nieuw voor haar toen zij zich op weg begaf om
een lange tooht te maken.
Ze liep stevig door, aanvankelijk een brede weg volgend, maar al gauw
begon haar dat te vervelen en wurmde zij zich onversaagd door het dichte
kreupelhout. De takken haakten vergeefs aan haar gladde nylon jack, dat
hen zo ongehinderd voorbij glipte, nergens houvast biedend.
Na een kwartiertje wandelen stuitte Liesbet plotseling op een smal pad.
Even aarzelde zij, doch toen sloeg ze links af en begon het te volgen. Het
was zo smal, dat de takken van de dichte struiken aan weerszijden langs
haar mouwen schuurden. Rondom haar was het schemerduister van een
diep dicht woud en ook boven haar waren slechts volle duistere takken. Het
pad leek op een sombere donkergroene tunnel. Nog nooit eerder had zij een
dergelijk pad gevonden, een pad zonder zijpaden en door zulk
ondoordringbaar struikgewas, dat het zelfs Liesbet niet aanlokkelijk scheen
er zich door te wurmen.
Had ze aanvankelijk nog allerlei geluiden gehoord en waren opgeschrikte
vogels weggefladderd, thans was er alleen nog het zacht krakende geluid
van haar voetstappen. De stilte was zo intens en zwaar, dat Liesbet
onwillekeurig zuchtte. Het kwam haar voor, dat zij al uren voortging over
het pad, dat onveranderlijk voortslingerde. Waar zou het heen voeren?
Ongeduldig verhaastte Liesbet haar pas. Ergens moest het toch heen gaan,
ééns moest het toch ophouden! Na een poos merkte Liesbet, dat het iets
breder werd, maar lichter werd het niet.
Het bleef even somber en donker. Het pad maakte een bocht en onverwacht
stond Liesbet voor een boomstam, die haar de weg versperde. De stam lag
dwars over het pad en rustte links en rechts in twee stevige gaffels.
Liesbet fronste de wenkbrauwen. Even aarzelde zij, maar toen stak zij de
hand uit om de boomstam uit de gaffel te lichten. Op het moment dat zij het
vochtige hout aanraakte voer een rilling door haar heen en met een kleine
kreet trok ze haar hand terug. De stam voelde zo koud, glad en glibberig
aan, dat het haar afschrikte, maar even later haalde zij de schouders op en
pakte de stam weer beet. Even snel liet zij hem weer los, terwijl iets van
afgrijzen over haar gezicht vloog. Zo moest het gladde koude lichaam van
een slang aanvoelen, dacht zij. Bah, wat een gevoel. Wie weet hoelang dat
ding hier al had liggen verteren. Nee, ze zou er maar onderdoor kruipen. Ze
bukte zich en dook onder de slagboom door.
Toen ze aan de andere kant stond, overviel haar een vreemd gevoel van
onbehagen. Was het pad tot dusverre helemaal niet mooi of aantrekkelijk
geweest, nu maakte het een bepaald dreigende en onheilspellende indruk op
haar. Even overwoog zij terug te keren, maar toen overwon zij haar
tegenzin en liep verder.
‘Waanzin om terug te gaan’, dacht zij, ‘ergens moet ik toch uitkomen!’
Ergens ja, maar wáár?
‘Ik schiet er niets mee op’, dacht zij hardop, ‘als ik me dat hier blijf afvragen.
Ik kan beter doorlopen, nu ik toch eenmaal zover ben’. En verder ging ze in
stevig marstempo.
Na een poos merkte zij, dat het kreupelhout aan haar linkerkant dunner
werd, de struiken stonden minder dicht op elkaar. Ze kon er zelfs
gedeeltelijk doorheen kijken. Een schemerig grijs licht aarzelde door de
takken. Weldra zag zij, dat het maar tot een bepaalde hoogte licht was en
waar het licht overging in duisternis was een dichte donkere streep.
Nauwlettend keek ze toe. Het leek wel alsof daarginds een muur liep, een
tamelijk hoge stenen muur. Daar moest zij meer van weten. Ze wrong zich
door het kreupelhout in de richting van de donkere streep.
Hoewel het zo gemakkelijk leek, kostte het haar toch nog bijzonder veel
moeite door de takken heen te wringen. Het leken wel sterke armen met
grijphanden, die haar koste wat kost tegen wilden houden.
Eindelijk had zij toch haar doel bereikt. Ze stond er nu vlak voor.
Het was inderdaad een muur, grauw, grijs en vochtig groen overwaasd. Ze
rook de zure lucht van de natte stenen. Wat zou er achter liggen?
Eroverheen kijken kon Liesbet niet, daarvoor was de muur te hoog en de
glibberige stenen boden nergens houvast. Er bleef haar niets anders over
dan maar weer verder te lopen, ditmaal er langs.
Voorzichtig, om niet te vallen over de vele wortels en boomstronken, ging
zij verder. Er scheen geen einde aan te komen. Het zat haar vandaag wel
tegen. Hoelang ze voortsjokte langs de vieze stinkende muur wist zij niet
meer, maar opeens zag zij dat de stenen lager waren dan eerst… óf het pad
lag hoger…
Met nieuwe moed ging zij verder. Misschien werd de muur nu wel gauw zo
laag, dat zij eroverheen kon kijken en zien wat er achter lag.
Hoe verder ze ging, des te groter werd haar hoop: de muur wérd lager. Het
pad werd ook weer lager, maar Liesbet zag dat het alleen een soort kuil was
waar zij doorheen moest. Als ze de kuil uit was, zou ze er beslist overheen
kunnen zien, daar was hij op zijn laagst en hield op voor zover zij het kon
zien. Het afdalen in de kuil viel niet mee, de grond onder haar voeten was
glad en nat. Eruit klauteren was nog zwaarder. Een paar maal gleed Liesbet
terug en slechts het vlugge grijpen van een laaghangende tak redde haar van
een val in de modder.
Maar eindelijk was zij er dan toch uit en kon ze een blik: werpen over de
muur, die niet zoals zij gedacht had ophield, maar scherp naar links boog.
Ze liep er heen en keek.
Voor haar ogen vertoonden zich onafzienbare rijen grafzerken, verweerd,
oud, gescheurd en scheef, sommige omgevallen en alle tot op de helft
begraven onder dichte bergen dode bladeren.
Door de bomen viel een vaag trillend licht, dat over de zerken siepelde,
maar het was zo onwezenlijk, dat het eerder leek of een witte damp van de
aarde opsteeg. Doodstil was het, geen blad bewoog. Niets was er dan stilte,
absolute, volledige stilte.
Een kil gevoel van afgrijzen begon langzaam langs Liesbets ruggegraat
omhoog te kruipen.
Onbewust verzette zij zich ertegen. Dit was een kerkhof, een doodgewoon
kerkhof. Liesbet huiverde. Nog nooit had zij zoiets verlatens, zoiets
sombers, ja, zoiets onheilspellends gezien, als dit kerkhof.
Zich vermannend boog Liesbet verder over de muur. Nauwlettend keek ze
naar de grafstenen, die vlak onder haar stonden. Er was iets vreemds aan die
stille grafzerken en ineens wist Liesbet het… ze stonden omgekeerd. Ze
stonden met de rug naar ‘het graf toe, de terpen bevonden zich áchter de
stenen inplaats van ervóór.
De verweerde, gescheurde zerken stonden vol gegrift met vreemde,
onleesbare letters en tekens.
Was het de koude van de vochtige muur, die door Liesbets kleren heen
drong? Of was het iets anders, dat haar deed huiveren?
Een rilling ging door haar heen, ze wilde zich losrukken van het sombere
toneel voor haar, maar ze kon het niet. Haar ogen zaten als vastgezogen aan
de verweerde groen uitgeslagen zerken.
De stilte was zo intens, dat ze haar eigen ademhaling hoorde als luid gehijg.
Ze wilde wég, weg, weg: maar ze bleef staan als was zij zelf een zerk en ze
staarde, stáárde naar de stenen. Een radeloze angst, waarvoor zij geen reden
wist, begon zich van haar meester te maken en plotseling zag zij voor haar
ontstelde ogen één van de grootste zerken bewegen.
Hij begon langzaam, heel langzaam voorover te hellen. Liesbet drukte haar
handen tegen haar mond om een gil te smoren, die uit haar keel
omhoogwelde. Met een akelig ritselend geluid van dode bladeren viel de
zware steen om.
Toen gilde Liesbet toch, ze gilde rauw en luid, ze draaide zich om en zette
het op een lopen.
Ze rende als een bezetene. Takken sloegen haar in het gezicht, doorns reten
haar handen open.
Struikelend en vallend rende zij voort, ieder gevoel van tijd en richting
verliezend, als waanzinnig geworden, tot zij van uitputting niet meer kon en
neerzakte op het mos tegen de stam van een dikke boom, waar zij hijgend
bleef zitten.
Een duizeling beving haar en zachtjes gleed zij onderuit op de grond.
Toen ze weer tot zichzelf kwam, wist ze de eerste ogenblikken niet waar ze
was en wat er gebeurd was. Toen het tot haar doordrong dat zij, de
onverwoestbare, de sterke Liesbet, flauwgevallen was als een overspannen
schoolmeisje, steeg een allesoverheersende verwondering in haar omhoog.
Voorzichtig richtte zij zich op en zij bekeek met afgrijzen de rottende
vegetatie, waarin zij lag. Ze krabbelde overeind en sloeg het vuil van haar
kleren.
Rondom haar was de groenig. grijze schemer van het woud. Ze begon het
pad af te lopen, maar ze ging zonder haar gewone kordaatheid.
.Een blik op, haar horloge vertelde haar, dat het drie uur was. In stomme
verwondering bracht zij bet naar haar oor, maar het tikte regelmatig. Hoe
was dat mogelijk? Ze moest uren gelopen hebben en uren bewusteloos
geweest zijn, liggend op dat vieze stinkende pad.
Voor het eerst in haar resolute, geordende leven begon zich iets van paniek
van haar meester te maken.
Ze moest hieruit zien te komen en wel heel gauw.
Ze was van links gekomen, dus links ging ze terug.
Ze liep en liep en aan het pad kwam geen einde. Haar horloge wees
halfvier. Zo lang had ze toch niet gelopen vanaf de slagboom tot aan het
kerkhof, of had dat maar zo geleken? Ze moest die over de weg liggende
boomstam nu toch al bijna kunnen zien. Die moest nu toch elk moment
voor haar opdoemen. Maar ze liep en liep en geen boomstam versperde de
weg.
Toen het halfvijf was op haar horloge, wist zij dat ze verdwaald was.
Verdwaald, op één enkel recht pad! Een pad dat door een ondoordringbare
wildernis van struikgewas liep. Het kón eenvoudig niet. Ergens moest dat
vervloekte pad toch weer uit het bos komen.
Ze moest verder gaan, terugkeren had geen zin.
Honger en dorst begonnen haar te kwellen, maar dit was niets vergeleken
bij de heimelijke vrees in haar hart, dat ze de uitweg uit dit afschuwelijke
bos niet zou vinden vóór de nacht viel. Die gedachte joeg haar op, tot ze
bijna rende. Haar hart sloeg als een bezetene, haar adem floot over haar
droge gebarsten lippen; ze was een volslagen uitputting nabij; maar voort
joeg ze, voort…
Zes uur wees haar horloge, ze kon niet meer. Ze moest even rusten.
Bevend liet zij zich neerzakken aan de voet van een grote boom. Ze sloot de
ogen en leunde met het hoofd tegen de stam. Ze voelde hoe de slaap over
haar kwam. Ze probeerde nog zich ertegen te verzetten – tevergeefs. Haar
hoofd gleed langzaam langs het groene natte hout van de boom en voor de
tweede maal die dag lag zij uitgestrekt in de rottende vegetatie van het bos.
Toen ze met een schok wakker werd, heerste er om haar heen slechts
duisternis, volledige, angstwekkende duisternis. Nu stond haar niets anders
meer te doen dan de hele verdere nacht te blijven zitten.
Bij die onverkwikkelijke gedachte kwam iets van het flinke zelfbewuste
terug in haar. Blijven zitten? Dat was toch te erg. Ze zou best kunnen
proberen voorzichtig vooruit te lopen. Als ze één arm uitstrekte, kon ze de
struiken naast zich voelen. Alles was beter dan hier te blijven zitten. Ze was
stijf en koud en haar kleren waren vochtig geworden. Een duffe lucht rees
uit de rottende bladeren op en prikkelde in haar neus. Dit was voldoende
om haar weer omhoog te helpen en voorzichtig begon zij te lopen.
Of het nu kwam doordat haar ogen aan het duister begonnen te wennen, of
dat er misschien toch iets van het maanlicht door het dichte lover siepelde
wist ze niet, maar langzaam aan kon ze het pad voor zich flauw
onderscheiden. Ze zag het nu zo duidelijk, dat zij haar hand niet meer
uitgestrekt behoefde te houden om de struiken naast zich te voelen. Ze kon
zelfs vlugger gaan lopen.
Hoe langer ze liep, des te duidelijker zag zij het pad. Toen zag zij heel in de
verte voor zich uit een flauw lichtschijnsel. Verheugd versnelde zij haar pas.
Daar scheen dan toch eindelijk een einde te komen aan die ellendige groene
tunnel van kreupelhout.
Naarmate zij vorderde, werd de lichte plek groter en sterker.
Zonder dat zij wist waarom ging zij langzamer lopen. Het was net alsof zij
niet meer zo opgelucht was. Er was iets met dat licht… iets vreemds.
Nauwkeuriger keek zij. Vreemd, het zou wel verbeelding van haar zijn,
maar het leek net alsof het pad dat licht afstraalde. Of het fluoresceerde.
‘Onzin’, zei ze tot zichzelf, ‘dat bestaat gewoonweg niet’, en ze ging verder.
Ze kwam nu dichter en dichter bij de lichte plek. Toen ze zo dicht genaderd
was, dat ze hem duidelijk zien kon, stond ze stil. Een afgrijselijk wurgend
gevoel kroop in haar omhoog. Vol ontzetting staarde zij voor zich uit. Daar,
vóór haar, lag de gescheurde stenen muur van het kerkhof! Nee, dat kón
niet, dat was eenvoudig onmogelijk, en toch…
Voetje voor voetje ging Liesbet verder.
Het was de muur. Daar was geen twijfel aan. Razendsnel werkten haar
hersens. Dat betekende dat het pad in een cirkel liep. Maar ze was van links
gekomen en daar was die slagboom geweest. Maar links was ze weer
teruggekeerd, dat wist ze heel zeker; en ze had die slagboom niet meer
gevonden. En nu was zij weer bij dat ellendige kerkhof.
Groenig lichtend lag de muur voor haar. Wat voor aanblik zouden de graven
nu bieden?
Nieuwsgierigheid kroop in haar omhoog. Buiten haar wil begonnen
Liesbets voeten haar erheen te dragen. Ze kon een kreet nauwelijks
onderdrukken. Maar ze wilde naar die muur. Ze wilde per se een blik
werpen op dat lugubere verlaten kerkhof! Voorzichtig ging zij voorwaarts.
Daar was de muur. Ze keek erover.
Voor haar lag het sombere kerkhof met de verweerde zerken. Er heerste een
macabere stilte, een stilte die verwachting inhield, dreigend, dodelijk. Het
geheel zag er uit als een toneel waarop straks een drama opgevoerd zou
worden. Liesbet stond daar, slikte ‘krampachtig en wachtte.
Er bewoog iets… iets zwarts.
Bij een der voorste zerken stond de gestalte van een man in een wijde
zwarte cape. Als uit het niets gekomen stond hij daar. Hij stond met de rug
naar Liesbet toe, want zij kon zijn gezicht niet zien.
Langzaam draaide de zwarte figuur zich om en keek Liesbet aan. Een kreet
stolde op haar lippen. Een verweerde groenige doodskop grijnsde haar aan.
Lange witte botten staken uit de cape en kwamen er onderuit. De cape gleed
op de grond en onthulde de wit gebleekte bottten van een skelet, waarop de
maan een afgrijselijke glans legde.
De gedaante stond even stil, spreidde de armen uit en hief zijn afschuwelijk
doodshoofd op.
Voor Liesbets ontstelde ogen begon zich langzaam een verandering te
voltrekken. Trage bladeren vielen van de bomen en hechtten zich aan de
uitgestrekte armen. Blad na blad viel en bedekte het skelet met een donkere
laag, die zich vasthechtte en vergroeide met de naakte botten, als vlees
werd, dat rozerood opkleurde en leefde, lééfde! En over dit lichaam vormde
zich een fluwelig donker wambuis en een smalle kuitbroek.
Verstard keek Liesbet toe. De bladeren hadden opgehouden te vallen en
voor haar stond de gestalte van een man. Hij liet de uitgestrekte armen
zakken en begon in de richting van de muur te lopen. Liesbet zag hem
komen. Ze wilde gillen, wegrennen, maar ze kon niet. Ze zat als
vastgezogen aan de koude, schimmelige muur.
Vlak voor haar bleef hij staan en ze keek in zijn gelaat. Voor haar stond een
knappe donkerogige man, die tegen haar glimlachte, haar zijn gelijke witte
tanden tonend.
Een huivering voer door Liesbet heen. Had ze zich het voorafgaande dan
allemaal maar verbeeld? Dit, dit kon niet waar zijn. Zeker had zij
hallucinaties van uitputting en honger.
De vreemde man stak haar een hand toe en zei:
‘Mag ik u over de muur heen helpen? Nu u de moeite genomen heeft hier te
komen, zou het jammer zijn door een muur te worden tegengehouden’.
Liesbet aarzelde.
De man kwam dichterbij.
Toen maakte zo’n doodsangst zich van Liesbet meester, dat zij het
uitschreeuwde – een lange, gillende .kreet, die eindigde in een zwak
gereutel.
De man legde zijn handen op haar armen en als woog zij niet, zo
gemakkelijk tilde hij haar over muur. Ze stond nu tegenover hem, trillend
en schier bezwijmend. De man was groot, zij reikte nog niet tot aan zijn
schouders. Hij zag op haar neer.
‘Van zover ben je gekomen om mij te bezoeken, mijn schone kind, en zo
weinig heb ik om je te bieden. Maar één ding kan ik je geven. Ik zal je een
kus geven, zodat je deze nacht nimmer meer vergeet’.
Als verlamd lag Liesbet in zijn armen, lag ze tegen zijn brede borst. Ze
voelde de warmte van zijn lichaam. Zijn gelaat was vlak bij het hare. Zijn
ogen leken gloeiende bollen groen vuur.
Ze boorden zich diep in de hare. Zijn mond, goed gevormd, met smalle,
bijna wrede lippen, naderde de hare. Ze rook een vreemde geur van rottende
bladeren en groen vochtig hout. Toen kuste hij haar – een kus, die haar de
adem benam.
Hij lachte zachtjes.
‘Mijn lief, beken het maar… Zó ben je nog nooit gekust, nietwaar? Zou je
niet hier willen blijven bij mij, altijd en altijd? Ik zou je liefhebben en aan
mijn borst drukken, je zou mijn koningin zijn’.
Op dat moment leek -het kerkhof geheel gevuld met schimachtige wezens
en skeletten waarop de bladeren van de oude bomen neervielen, zioh aan
hen vastzuigend, hun gestalte gevend…
lichamen, gezichten, ogen en monden.
Liesbet gilde het uit. Ze plantte allebei haar handen stevig tegen de borst
van de haar omarmende gestalte, proberend hem van zich af te duwen, maar
hij trok haar vaster tegen zich aan, haar omvattend met een dodelijke greep.
Door zijn glanzende huid zag ze het afschuwelijke doodshoofd. Ze zag de
holle kassen, die de glinsterende groene ogen tot woning dienden. Ze zag de
afschuwelijke verstarde doodsgrijns achter die schoon gewelfde mond en ze
gilde… gilde…
Weer probeerde hij haar te kussen, haar meesleurend naar omlaag, naar de
gebarsten stenen zerken. Wanhopig vocht Liesbet, hem slaand en krabbend
waar ze kon. Vlakbij was zijn gelaat en met een wanhopige snelle beweging
zette zij haar tanden in zijn gladde wang. Een bijna dierlijke kreet kwam
over zijn lippen. Zij hield vast en een stuk scheurde uit zijn gezicht. Er
kwam geen bloed. In haar mond proefde Liesbet slechts dode rottende
bladeren. Waanzin straalde uit haar ogen, ze vocht voor haar leven. De haar
omklemmende gestalte wankelde.
Beide stortten op de grond, tegen de zerk, die langzaam vooroverhelde en
omviel. Op hetzelfde moment liet het wezen haar los. Het sloeg zijn handen
voor zijn geschonden gelaat en jammerde luid. Voor haar ogen zag Liesbet
dat de bladeren, die zich eerst aan hem hadden gehecht, één voor één van
hem afvielen tot hij daar stond als een naakte kale boom. Ze zag het vlees
verdwijnen van zijn gezicht. Ze zag de afgrijselijke doodskop buigen en
hoorde hem met een doffe plof in de bladeren vallen. Heel het skelet scheen
in elkaar te schrompelen, te verdwijnen in het niets, op te gaan in de
rottende vegetatie waaruit het was voortgekomen.
Toen merkte Liesbet dat de bladeren van de boom waaronder zij stond
langzaam begonnen te vallen en dat zij zich aan haar hechtten. Gillend
sloeg zij ze weg, van haar kleren, haar armen en benen; maar altijd weer
kwamen er meer, meer… Ze begon te rennen, gillend en slaand naar de
noodlottig neervallende bladeren. Wild stortte zij zich tegen de muur en
probeerde eroverheen te klimmen, maar de glibberige stenen boden haar
geen houvast. Natte dode bladeren bedekten haar handen en vingers. Ze
begon langs de muur te rennen, maar nergens bood die enige kans erover te
klimmen. En almaar door regende het bladeren op haar neer, die haar slanke
gestalte veranderden in een wonderlijk dik waggelend wezen, dat
ronddraaide en wartaal uitsloeg. De bladeren kleefden nu in zo groten
getale aan haar, dat zij slechts moeizaam vooruitkwam. Ze strompelde
voort, struikelend, half vallend.
Uiteindelijk zeeg zij neer bij een pas omgevallen zerk. Zij zakte een eind
weg in de laag bladeren.
Toen zagen haar ogen de grijnzende doodskop vlak bij haar gezicht en de
uitgestrekte skeletarmen als gereed haar te omvatten. Zij hechtten zich aan
haar zoals de bladeren dat hadden gedaan, haar verstikkend en wurgend. En
er waren nog meer bladeren die vielen, steeds maar weer vielen, zodat er
niets meer over was dan één grote hoop dode bladeren, één hoop rottende
vegetatie…
Het was begin december toen mijn geest mij het laatste verhaal van dit boek
vertelde. Het zonk niet zo diep in mij weg als de andere gedaan hadden, het
bleef maar aan de oppervlakte, koud en grillig als opwaaiende dode
bladeren.
‘Waarom was je zo vaag vanavond?’ vroeg ik.
‘Dat komt door het Licht’, antwoordde mijn geest. ‘Het Licht trekt om deze
tijd van het jaar.
Kerstmis is het feest van het Licht, dat weet je toch wel? En dat Licht
overstemt al het andere.
Dat straalt zó sterk en helder, dat wij ons er wel heen móeten keren. Ook
wij hunkeren naar het Licht, weet je; hoe dieper het duister is waarin je
bent, des te groter is de hunkering naar het Licht’.
‘Blijf je lang weg?’
‘Wat is lang…? Ik meet mijn tijd niet zoals jij’.
‘Ik zal je missen’.
‘0, ik kom heus wel terug… ééns’.
Toen verliet mijn verteller mijn huis om terug te keren naar, zoals hij
gezegd had, zijn wereld, naar de wijde verte met de woeste heide, de ruige
heuvels en de schimmige moerassen waar de dwaallichtjes zweven in hun
eeuwige cadans en waar in de lange nachten de verhalen opstijgen, ijl als de
nevel – de verhalen die mij zo dierbaar zijn. En ik kan alleen maar wachten
tot hij zijn belofte gestand doet en terugkeert om ze mij te vertellen.
Paarse papavers
Wijd en golvend is het landschap van Toscane, de kleuren van lichtgeel
overgaand in oker en bruin. Verrassende tinten groen, die in elkaar vloeien
als op een aquarel, hier en daar de bijna zwarte cypressen onverschillig
verspreid, als had de Schepper van dit alles ze zorgeloos laten vallen toen
Hij dit land tot leven wekte. In dit alles de felle gloed van de papaver, de
bloedrode papaver. Nergens op de wereld zijn ze zo rood en zo talrijk als in
Toscane. Over dit alles de koepel van strak azuren blauw, de van hitte
trillende lucht, die de einder raakt.
Simone Dubonnet had dit land altijd liefgehad: Veel van haar vakanties had
zij er doorgebracht in Volterra, op de rotsen geklemd als het nest van de
adelaar.
De stille eenzaamheid van het ruige heuvelland had haar bekoord. Haar
leven was niet gemakkelijk geweest, teleurstellingen en ontgoochelingen
hadden haar gemaakt tot een teruggetrokken, eenzelvige vrouw. Toen zij als
laatste slag haar enige zoon verloor, wilde zij niet langer blijven in het land
waar zij alleen maar verdriet had gekend. Zij herinnerde zich Toscane en
besloot daar de rest van haar leven door te brengen. Zij wilde er een eigen
huis kopen en het nooit meer verlaten.
En zo reed zij op een juni-namiddag in haar kleine auto langs de
slingerende wegen van Toscane en riepen de eeuwig bloeiende papavers
haar een welkom toe.
Het was warm in de wagen. De zon brandde op de voorruit. Waarom zou ze
hier eigenlijk niet even stoppen? Een groepje cypressen bood aanlokkelijke
schaduwen en het uitzicht was prachtig.
Even later zat zij onder de blauwgroene bomen. Rondom haar was het gras
bezaaid met bloemen en wuivende graspluimen. Dor en droog was het land,
maar toch groeide en bloeide er een overdaad van geurig kruid. Nietige
bloempjes verbaasden haar met hun veelzijdige vorm en kleur. Insecten
gonsden af en aan en vlak bij haar voet ritselde een vlugge hagedis.
Zijn spitse groene bekje hoog opgericht zat hij daar, zijn zwarte kraalogen
keken haar monter aan. Dat zij zich niet bewoog scheen hem gerust te
stellen, want hij vluchtte niet weg. Haar strak in het oog houdend bleef hij
zitten, zich behaaglijk koesterend in de warme zon.
De hele sfeer ademde vrede en rust, die als een streling was voor haar
vermoeide geest. Haar ogen werden zwaar. Een zachte bries ademde door
de cypressen en zong haar een vreemde melodie. ‘Als de beroemde
slaperige prelude van Debussy’ dacht zij nog.
Door haar wimpers zag ze vaag de hemel en in het gouden licht danste
lichtvoetig een kleine bronzen faun. Met een glimlach op de lippen viel zij
in slaap.
Uren later, toen een vage schemering traag kwam aangolven over de velden,
ontwaakte zij.
Ze realiseerde zich, dat hoe prettig het hier ook was, zij toch verder moest.
Ze stond op en ging weer achter het stuur zitten. Verder ging het langs
schier eindeloze wegen, die zich door het landschap kronkelden.
En toen liet de motor het afweten. Hij sputterde nog wat, de wagen schokte
en stond stil. Wat Simone ook probeerde, er was geen beweging meer in te
krijgen. Ze was hopeloos gestrand en nergens in de omtrek een huis te
bekennen. Of toch?
Ze stond vlak bij een smal pad, dat tamelijk steil omhoog liep en hogerop,
daar stond toch iets, een of ander gebouw, dat zich in de steeds dichter
wordende schemering verloor.
Misschien woonde daar iemand. Ze kon het in ieder geval proberen. Het
vooruitzicht de nacht in haar auto te moeten doorbrengen lokte haar niet zo
erg aan.
Zodra zij het pad betreden had, overviel haar een vreemd gevoel, waarvoor
zij geen verklaring wist, iets van verwachting, een lichte opwinding.
Toen zij een poosje gelopen had werd de weg breder en liep tussen struiken
door, maar de randen waren als omzoomd met zacht wiegelende papavers
en voor het te donker werd om het goed te zien, zag zij dat deze bloemen
anders waren. Ze waren niet rood zoals de anderen, maar van een diep
paarse kleur met een zwart-fluwelen hart. Ze hield de adem in. Ze waren
van zo’n onvergelijkelijke schoonheid en lieflijk als een droom. Met een
gevoel als zweefde zij, ging zij langs hen en het scheen als waren er meer,
steeds meer in dichte rijen: de bloemen neigend als in welkom.
Het was bijna donker toen zij een ijzeren hek bereikte. Het was hoog en
puntig en gesloten.
Ze probeerde de klink tevergeefs.
Een koele ronde maan scheen uit het niets tevoorschijn te komen en toverde
een zilveren licht op de bloemen en dat wat zich achter het hek bevond: een
klein kasteel.
Simone drukte haar gezicht tegen de spijlen en keek of er ook licht brandde,
maar de vensters waren donker. Moedeloos wilde zij weer terug gaan, toen
ze een ijzeren handgreep zag aan een lange ketting. Bovenaan zat een bel.
Ze kon het proberen. Het viel niet mee, zeker was er in lang geen gebruik
van gemaakt. Stroef bewoog de handgreep in de ring, maar eindelijk luidde
de bel; heldere klare tonen, die weggolfd en over het land.
Bijna direkt daarna hoorde Simone voetstappen. Er kwam iemand het pad
af, een slanke rijzige gestalte in een zilverkleurig kleed. Dichterbij kwam ze
tot bij het hek. Simone zag een jonge vrouw, een meisje nog bijna, met een
bleek ovaal gelaat omlijst door matblond haar.
Ze lachte tegen Simone.
‘Ik heb pech met mijn auto, zou ik hier misschien kunnen overnachten?
Mijn naam is Simone Dubonnet.’
Het meisje knikte.
‘Komt u maar mee. Ik heet Salina, uw gezelschap is ons welkom. We leven
hier erg eenzaam, mijn broer Pietro en ik. Ze had een zachte lage stem, die
klonk als een streling. Salina opende het hek en samen liepen ze verder, de
twee vrouwen. Simone niet meer zo jong, getekend door het leven en de
jonge vrouw die zo lichtvoetig ging, dat zij met het maanlicht scheen te
vervloeien.
‘Ons huis is oud, maar we zullen het u zo gerieflijk mogelijk maken’ zei
Salina en opende de deur.
Ze kwamen in de hal, waar in een hoge luchter tientallen kaarsen brandden.
Een stenen trap verloor zich in de duisternis, die boven hen koepelde. Het
flakkerend kaarslicht toverde grillige figuren op de glanzende bruinhouten
deur waar Salina heen liep. Ze stiet haar open en zei: ‘Pietro, we hebben
bezoek.’
Simone zag het mooiste, gezelligste vertrek wat zij ooit had gezien. Er lag
een warm rood tapijt en er stonden glanzende oude meubels van bruin hout.
Lampen met tientallen tinkelende kristallen hingen en stonden overal.
Wanden met boeken en prachtige schilderijen, een groot open haardvuur
waarin de houtblokken lustig knetterden. Een hoge eiken schouw, waarop
tin en koper het licht vingen.
Voor het vuur stond een groen marmeren tafel met vergulde poten en erop
een schaal gevuld met diep paarse papavers. Een wonderlijke ontroering
kwam over Simone.
Uit een stoel bij het vuur rees een slanke jongeman op. Het levend
evenbeeld van zijn zuster.
‘Pietro, dit is Simone, ik màg toch Simone zeggen? Ze heeft pech met de
auto en ze blijft bij ons.’
Een stralende lach deed zijn lippen vaneen gaan en toonde zijn sterke witte
tanden. De ogen, groot, donker, en met iets van droefheid erin, keken haar
vriendelijk aan.
Hij stak haar zijn hand toe.
‘Wees welkom.’
En Simone voelde zich welkom. Er straalde zo’n rust en goedheid van
beiden uit, dat zij het liefst had geweend, omdat zij zich zo vreemd gelukkig
voelde; als was zij thuisgekomen, na lange, te lange omzwervingen.
Even later zat ze bij het haardvuur en praatte met Pietro over boeken en
kunst en Salina bracht haar een bord met koud vlees en brood en een karaf
amberkleurige zoet smakende wijn, die heerlijk fris en dorstlessend was.
‘Je moet ons maar excuseren’ zei ze, ‘we hebben geen bedienden hier, we
doen alles zelf. Ik zal je straks je kamer wijzen. Ik hoop dat je er prettig
rusten zult. Slaap morgen maar lekker uit. Je kunt gerust nog wat blijven als
je er zin in hebt. We hebben zo zelden gasten hier, dat wij er wel zuinig op
moeten zijn wanneer er een is.’
Later, toen Simone alleen was in haar kamer, omringd door de tekenen van
Salina’s zorgzaamheid, bevreemdde het haar dat twee zulke aangename,
sympathieke mensen als Salina en Pietro zo weinig bezoekers zouden
hebben. Maar toen zij tussen de koele, naar lavendel geurende lakens lag in
Salina’s simpel batisten nachthemd dacht zij er niet meer aan.
Zij voelde zich eenvoudigweg gelukkig en wonderlijk veilig in dit huis en
eer zij insliep zagen haar ogen weer dat stralende gouden licht, dat zij die
middag ook al gezien had en hoorde zij de zachte, dromerige muziek en
danste de kleine bronzen faun in zijn overmoedige naaktheid.
De volgende ochtend ontwaakte zij verkwikt en met hetzelfde geluksgevoel
waarmee zij was ingeslapen. Door haar venster keek zij uit over de
golvende velden van Toscane, de donkere cypressen en de verbijsterende
schoonheid van de paarse papavers, die elkander schenen te verdringen
langs het pad en om het kasteel, in roekeloze overdaad. Ontroering vulde
haar hart en ze wist niet waarom.
Zo veel serene schoonheid; zo veel verheven rust.
Die dag vertrok zij niet. Ze bleef op verzoek van Salina en Pietro, die
kinderlijk verheugd waren dat zij blijven wilde. En de dag groeide uit tot
dagen in dit stille huis, met zijn verdroomde sfeer, waar de tijd scheen stil te
staan.
Ze hielp Salina met de maaltijden en hield lange ernstige gesprekken met
Pietro.
Ze wandelden gedrieën over de heuvels, zaten in de vroege zon en luierden
in de schaduw.
Ze plukten boeketten van de paarse bloemen om er het huis mee te sieren.
In luttele dagen waren de bloemen Simone dierbaar geworden.
‘Overal zijn ze mooi, maar hier, hier zijn ze heel bijzonder van kleur. Nooit
zag ik bloemen schoner dan deze.’
Salina keek haar ernstig aan, haar donkere ogen keken droef toen ze zei:
‘Ze hebben lief, deze bloemen, en daarom rouwen ze om ons.’ Verwonderd
keek Simone haar aan, maar er lag zo’n wonderlijk waas over Salina’s teer
gelaat, dat zij het niet waagde te spreken. Het was als werd zij even maar
heel licht beroerd door iets waar zij geen deel aan had, maar wat tastbaar
aanwezig was. Een wereld buiten de hare, die zij moest eerbiedigen; dus
zweeg zij.
Soms gewaagde zij ervan dat het tijd werd om te vertrekken, maar Salina en
Pietro wilden hier niet van horen.
‘Laat mij dan in de kosten bij mogen dragen’ pleitte Simone, maar ook
hiervan wilden de twee niets weten.
‘Maar jullie zegt zelf dat je niet rijk bent, laat mij dan mijn deel mogen
vergoeden.’ Maar zij wezen het af.
De dagen regen zich aaneen en nog altijd was Simone op het kasteel en zij
was er zo gelukkig, dat zij zichzelf bekennen moest, dat zij eigenlijk
helemaal niet weg wilde. Ze wilde blijven, hier, waar ze voor het eerst in
haar leven rust en geluk gevonden had; waar zij zich thuis voelde.
Op een avond, toen zij bij het vuur zaten, begon zij er over. Pietro lachte en
zei:
‘We hoopten dat je erover zou beginnen en we zeggen ja. We vinden het
heerlijk dat je bij ons wilt blijven. Je hebt verteld dat je in Toscane een huis
wilt kopen, koop het onze; je zult het niet duur vinden.’
‘Jullie huis…, maar Salina en jij dan?’ Salina knikte.
‘Wij willen dat jij ons huis koopt. We willen dat jij het hebt. Het zou
onverdraaglijk zijn voor ons als iemand anders het in bezit kreeg, iemand,
die niet van het huis zou houden. Het hoort bij jou, Simone, zoals jij bij het
huis hoort. Als jij het niet koopt, dan zal het ons afgenomen worden. Je
weet, wij hebben geen geld en we kunnen het niet langer aanhouden. Het
zal verkocht worden en wij moeten het verlaten, maar als jij het bezit zal dat
minder erg zijn, dan is het in goede handen. Wij zullen rust hebben. Jij zult
ons niet verjagen. Onze herinneringen zullen de jouwe zijn Simone, denk er
eens over na.’
‘Goed, ik zal er over denken. Jullie zijn me zo dierbaar, als waren jullie mijn
eigen kinderen.
Het is of ik je altijd heb gekend; je bent een deel van mijn leven geworden,
een deel, dat ik niet meer missen kan.’
Salina boog zich over haar heen en drukte haar zachte wang vederlicht
tegen Simone’s gezicht. Haar warme stem trilde toen ze zei: ‘Eens, Simone,
zal je weten hoe dankbaar wij je zijn.’
Simone kuste haar zachtjes: ‘Dank is niet nodig kind, je genegenheid is al
beloning genoeg.
We hebben alle tijd. Ik zal er ernstig over denken als ik jullie er zo’n plezier
mee doe.
Morgen wil ik naar Volterra. Ik had beloofd mij met mijn bankier in
verbinding te stellen als ik een vaste verblijfplaats gevonden had. Dat moet
ik eerst in orde maken.’
De volgende ochtend wandelde Simone het pad af naar de weg.
Pietro vergezelde haar. Er was niets aan de hand met haar wagentje had hij
haar al eerder verteld, benzine op, en hier had hij inmiddels iets aan gedaan.
De auto stond in de schaduw van een struik. Simone stapte in.
Tussen de papavers stond Pietro. Met één hand beschutte hij zijn ogen.
‘Kom gauw terug’ zei hij.
Ze knikte en wuifde naar hem. Was het de ontroering die een waas voor
haar ogen bracht, of was het de trillende hitte van de zon dat zij hem niet
duidelijk zag? Het hele landschap scheen te glijden en te golven. Ze wreef
met de hand over haar ogen, schudde even met het hoofd, maar het hele
beeld bleef vreemd onduidelijk.
Ze reed weg en toen ze omkeek, zag ze het glooiende landschap met de
schat van paarse papavers en een wazig onduidelijke figuur: Pietro. Nog
eens wuifde zij.
In Volterra waren de zaken spoedig afgedaan.
Welgemoed reed zij terug naar huis en haar vrienden, de golvende velden
met de paarse papavers.
De weg was lang en heet, er scheen geen einde aan te komen. Hij kwam
haar onbekend voor en nergens zag zij een levend wezen.
Weer naderde de schemering en in haar groeide de vrees dat zij verkeerd
gereden was. Als zij de weg maar vinden kon eer het helemaal donker was.
Ze stapte uit en beklom een kleine heuvel waar ze de omgeving beter kon
overzien. Nergens een huis of kasteel te bekennen. In de verte bewoog iets.
Talloze kleine stippen, die op en neer deinden als pluizen in de wind.
Een eenzame figuur, die langzaam vooruit kwam; een schaapherder met zijn
kudde.
Ze herademde. Als iemand hier de weg wist, dan toch zeker hij, die iedere
heuvel in de wijde omtrek kende.
Over de heuvel golfde de kudde op haar toe als een vlokkige, schuimige
zee.
De herder was een knappe jongeman met roekeloze donkere ogen en een
lachende mond.
Ze groette hem en vertelde dat zij verdwaald was.
‘Ik zoek een kasteeltje’ legde zij hem uit. ‘Daar moet ik zijn. Het staat op een
heuvel en er is een weg waar alleen maar paarse papavers bloeien.’
Ze zag hem verbleken onder het bronsbruin van zijn huid. Schichtig keek
hij om zich heen.
‘Daar kunt u niet heen gaan’ fluisterde hij, ‘dat is niet goed.’ Verbaasd keek
zij hem aan.
‘Niet heen gaan? Waarom niet, ik. . .’
‘Wat moet u daar, zo heel alleen? Kom, gaat u met mij mee. Ik ben wel niet
groot behuisd, maar een slaapplaats is er altijd wel en mijn vrouw heeft het
maal gereed tegen dat wij komen. Vergeet u dat kasteel liever. Het is
bovendien te donker, u zult niets kunnen zien.’
‘Ja maar, dat geeft toch niet, binnen is toch licht?’
‘Komt u nu mee, geloof me, dat kasteel is niets voor u. Daar woont toch
niemand, dat staat al jaren leeg. Daar kunt nu niet verblijven.’
‘U moet zich vergissen, het kasteel dat ik bedoel, is bewoond.’
‘Met spoken en geesten, ja.’
‘Nee, heel gewoon, met levende mensen zoals u en ik.’
‘Wie u dat verteld heeft is gek of een slecht grappenmaker. Er is maar één
enkel kasteel, daar waar de paarse papavers bloeien en dat staat leeg,
niemand wil er wonen mevrouw, omdat het er spookt. Het staat al jaren
leeg, geloof me.’
‘Nee, ik geloof u niet! Ik was er, wekenlang en het staat niet leeg. Er wonen
mensen, heel aardige mensen. Ik ken ze heel goed en ik ga het huis kopen
en er wonen. Komt u maar eens kijken als u me niet gelooft.’
De man keek haar aan, de ogen groot van afgrijzen. ‘U was dáár, binnen,
zegt u?’
‘ja.’
‘Maar mevrouw, geloof me toch, er woont niemand. De vorige bezitters zijn
dood, allemaal.’
‘Het kan me niet schelen, wijs me de weg, ik ga er naar toe.’
‘Goed mevrouw, maar ga dan tenminste vanavond met mij mee.
Morgenochtend vroeg zal ik met u meegaan als u dan niet anders wilt, en
dan zult u zien dat ik gelijk heb. Nu kan ik het niet, het is te laat, te donker.
Kom mevrouw, kom. Ik kan er niet heen gaan als de nacht valt.
Overdag is dat iets anders.’
Zuchtend gehoorzaamde Simone en volgde de schaapherder. De man had
misschien gelijk, het was nu te donker om het kasteel te vinden.
Morgenochtend, als het licht was, dan ging zij naar huis. Een licht blij
gevoel sprong op in haar, haar hart zong ‘huis, thuis thuis!’
De volgende morgen was zij al vroeg op. Vol ongeduld wachtte zij op het
moment dat de schaapherder haar de weg naar ‘haar’ kasteeltje zou wijzen.
Zij zag niet de onrust in zijn blik, noch de meewarige bezorgdheid in de
ogen van zijn vrouw.
Zij bedankte hen voor de gastvrijheid en herademde toen zij op weg gingen.
De man was zwijgzaam en zij waardeerde hem hierom. Na een poos wees
hij haar een zijweg.
‘Hier afslaan en dan rechtuit, dan komen we vanzelf bij de plaats waar het
kasteel staat, daar waar de paarse papaven bloeien.’
Eén moment kwam er twijfel in haar hart. Wat wachtte haar boven in het
kasteel?
Eenzaamheid?.. en wat nog meer…?
Zijn woorden hadden zo waar geklonken, zo overtuigend. Zou hij het niet
weten, hij, die hier dagelijks door dalen en over de heuvels zwierf, die elk
plekje kende als zichzelf! Spoken en geesten…
In gedachten zag zij Salina’s lief gelaat, Pietro’s trouwhartige ogen. De
twijfel ebde weg en de blijdschap kwam terug in haar hart.
Het duurde niet lang of zij zag de smalle weg, omzoomd met paarse
papavers en bovenop de heuvel het kasteel; háár kasteel.
Ze zette het wagentje aan de kant van de weg, stapte uit en rende het pad af.
Haar voeten schenen de grond niet te raken. Blij schalde haar stem:
‘Salina, Pietro, ik ben terug.’
Ze duwde de zware deur open en ging de hal binnen.
Diepe serene stilte daalde op haar neer.
‘Pietro?’
Geen geluid verbrak het zwijgen.
Bevreemd liep zij naar de bruine deur waarachter zij zo menig gelukkig uur
had doorgebracht.
Bijna aarzelend duwde zij hem open. Voor haar lag het haarzo vertrouwd
geworden vertrek, maar er was niemand; slechts haar eigen gedachten
antwoordden haar.
Vlug doorzocht zij de andere vertrekken, geen spoor van Salina en Pietro.
Buiten voor de deur stond de schaapherder en wachtte. Hij zag de twijfel in
haar ogen toen zij terugkwam.
Hij stak haar beide handen toe en leidde haar in het zonlicht. Daar op een
stenen bank zaten zij een poos zwijgzaam.
Hij was de eerste, die de stilte verbrak.
‘Gelooft u me nu mevrouw. Vertelt u me eens, met wie heeft u hier
gewoond; hoe waren de namen?’
‘Salina en Pietro.’
‘Gaat u eens mee’ zei hij zacht.
Hij bracht haar naar een kleine ommuurde tuin, die Simone voordien nog
niet had gezien. Hij wees haar op twee groen-overwoekerde grafstenen.
Met zijn gebruinde hand duwde hij de klimplanten opzij.
‘Kijk mevrouw, lees’ zei hij.
In de grauwe, verweerde steen ontwaarde Simone vage letters. Met haar
wijsvinger streek zij erover terwijl een floers van tranen haar ogen
verduisterde.
‘Salina’ prevelde zij.
‘En hier Pietro mevrouw, op de andere steen.’
Simone knielde neer en ook hier raakte zij de letters aan. Traag druppelden
haar tranen op de steen, er kleine donkere vlekken opmakend.
Maar plotseling was het als zag zij één moment het stralend gouden
zonlicht, hoorde zij de dromerige melodie en zag in één ondeelbaar
ogenblik de kleine bronzen faun.
In haar rees het begrijpen als een stralende ster omhoog.
Twee eenzame zielen die haar gevonden hadden, die vanuit hun wereld
hadden gehunkerd naar haar liefde, haar begrip, die bescherming hadden
gezocht bij haar voor hun herinneringen, hun rust, hun huis. Medelijden en
liefde welden op in haar hart en vervulde het tot het wel naar buiten
springen wilde.
‘Niet tevergeefs’ zong het in haar. ‘Niet tevergeefs.’
‘Hier vond ik rust en geluk en dat wil ik delen met jullie. Hier zal ik blijven
en zo lang ik leef zal de rust niet verstoord worden en ook daarna zal ik
over jullie waken.’
De schaapherder zag haar tranen.
‘Begrijpt u het nu’ vroeg hij zacht.
Ze knikte.
‘Ja, ik begrijp het. Ik ga terug naar Volterra, nu meteen en ik ga dit huis
kopen en er wonen.
Ik wil hen nooit meer verlaten. Toen ik bedroefd was en verslagen hebben
zij mij getroost.
Waar anders zal ik gaan? Mijn plaats is hier.’
‘U wilt hier blijven wónen?’
‘Ja, ik zal hier wonen en ieder zal het weten, zodat niemand meer angst
hoeft te hebben voor schimmen. Er is niets te vrezen hier, geloof mij. Ik, die
hier zo lang vertoefde en met hen leefde, ik kan het weten.’
‘U moet een engel zijn, mevrouw, alleen aan hen gaan de verschrikkingen
voorbij.’
‘Geen engel, mèns.’
‘God behoede u mevrouw, vaarwel.’
Hij draaide zich om en ging.
Nog lang keek zij hem na tot zijn rijzige gestalte kleiner en kleiner werd. Er
was iets van weemoed in haar; een weemoed die zij zelf niet begreep.
Daar ging een mens, een vriend; daar ging de wereld.
En Simone ging terug naar Volterra en kocht het huis, en toen zij
terugkeerde in het kasteeltje scheen daar het goude zonlicht en wiegden de
paarse papavers in de bries; schoner dan ooit.
Toen zij ’s avonds bij het haardvuur zat voelde zij zich volmaakt gelukkig
en het verbaasde haar niets dat zij Pietro op zijn oude plaats zag zitten en zij
wist het eer zij het voelde Salina’s zachte wang tegen de hare en die
wondere zoete stem die zei:
‘Dank je Simone, O, dank je.’
Een kort persoonlijk nawoord van de schrijfster die via haar onzichtbare
verteller de verhalen tot leven brengt…
‘Ik staarde in de vlammen terwijl ik gedachteloos het glanzend diep-zwarte
vel streelde van mijn kat, die zich behaaglijk voor het vuur had uitgestrekt.
Achter mij klonk een onderdrukt gegrinnik. Mijn verteller was
binnengekomen.
‘Aha, je streelt de kat, het lieve dier. Katten, . . . daar valt me iets in, daa
weet ik een mooi verhaal over; een héél mooi verhaal.’
En hij grinnikte weer veelzeggend.
Ik snoof
‘Ja, dàt zal wel, luguber zal je wel bedoelen’ zei ik, maar ik ging vlug zitten
om het op te schrijven.
‘Tot ziens, moeder!’
De kleine jongen stond met zijn bruine voetjes stevig op de grond geplant.
Hij hield zijn hoofd een beetje schuin er keek naar de vrouw, die voorover
in het zand lag, het hoofd verborgen in de buiging van haar armen. Het
lange blonde haar lag uitgespreid als een waaier. De jongen vond het mooi.
Hij zou het wel aan willen raken. Heel voorzichtig natuurlijk, om haar niet
te verschrikken. Hij deed het niet keek alleen en vond dat het dezelfde kleur
had als het zand. Je zou je kunnen verbeelden, dat het er helemaal niet was
dat het alleen een fijngevormde tekening was in dezelfde kleur. Ook haar
gebruinde lichaam kwam die tint zo nabij dat zij er leek te horen, één leek
te zijn met het gouden zand. Hoe langer hij naar haar keek, hoe groter zijn
verlangen werd, haar aan te raken. Eigenlijk, heel dicht bij haar te zijn zodat
hij haar levenswarmte voelen kon. Hij deed het niet hij wist, dat hij wachten
moest. Voorzichtig liet hij zich neer zakken. Hij koos de plaats zó, dat zij
hem direct moest zien als zij haar hoofd ophief. Hij wachtte geduldig. Hij
wist waarom zij hier was en ook, dat haar houding niet die was van een
ontspannen rust, doch een van wanhoop.
Hij voelde het verdriet en de verlatenheid, die van haar uitgingen haast
lijfelijk en ondervond het als pijn. Zijn kleine handen knepen te saam en
zijn lippen drukten zich op elkaar, tot zijn mond een smalle vastberaden
streep vormde. Hij was een lange weg gekomen om haar hier te vinden en
nu hij haar gevonden had, zou hij over haar waken. Hij wilde haar niet
verliezen, nog eer hij de kans had gehad haar te leren kennen.
Hoewel het leek of ze sliep, was dat niet het geval. Ze had haar hoofd
verborgen, omdat zij de wereld niet meer wilde zien. Alles, wat het leven
haar nog te bieden had, was de moeite niet meer waard. Ze wilde niet langer
leven, daarom was ze hierheen gekomen, naar de plaats waar haar leven en
haar geluk begonnen waren, om hier voorgoed afscheid te nemen van alles.
Ze had de zee altijd liefgehad. Ze had er kracht en bevrijding gevonden. De
aanraking met de golven was haar als de liefkozing van een minnaar
geweest en het was naar deze minnaar, dat zij terug wilde keren, nu de man,
die zij beminde, haar verlaten had.
Voor haar betekende het ’t einde en ze had haar besluit genomen. Ze zou
wachten, tot er niemand meer op het strand was. Tot de zon was weggezakt
achter de einder. Tot de nacht zich over de aarde had gevlijd. Dan zou zij
zich overgeven aan de golven. In een laatste dodelijke omarming zou zij
zich geven aan die enige minnaar, die haar nooit verstoten zou, voor
eeuwig: de zee.
Ze kon aan niets anders meer denken; zelfs tranen om een verloren geluk
vond zij niet meer.
Haar ogen bleven droog. Er is een leed, dat te diep is voor tranen. De late
stralen van de zon streelden over haar heen. Straks zou ook dat beetje
warmte, wat haar nog restte, verdwenen zijn en haar lichaam zou koud
worden. Even koud als haar hart, dat met pijnlijke slagen klopte in haar
borst.
Ze lag heel stil, nu waren er zelfs geen gedachten meer, die zij denken kon.
Leeg was zij…
volkomen leeg. Toch was er iets veranderd, alleen, zij voelde het nog niet,
was zich van niets bewust, nog niet. Doch vaag, heel vaag, begon de
verandering op haar in te werken.
Het was, alsof de zonnewarmte toenam, in plaats van af te nemen. Het was
een andere warmte dan voorheen, een die allesomvattend was en die
doordrong tot diep in de ziel.
Langzaam, zoetjes, o zo zoetjes.
Traag werd Arletta zich die verandering bewust. Aanvankelijk begreep zij
het niet. In plaats dat de temperatuur om haar heen killer en onaangenamer
werd door de naderende avond, was het of zij omgeven werd door een
verwarmende sfeer, die zich om haar vlijde als een mantel. Het verbaasde
haar en ze vond het prettig en dat verbaasde haar nog meer. Ze had niet
gedacht dat er nog iets kon bestaan wat zij prettig zou kunnen vinden. Ze
hief haar hoofd op uit haar armen en sloeg de ogen op. Vóór haar, in de
stralen van de ondergaande zon, zat een kleine jongen. De wind speelde
liefdevol met zijn glanzend donker haar, dat als een helm om zijn hoofd
sloot. Zijn ogen waren licht van kleur en heel helder als de ogen van een
leeuw. Gekke gedachte, vond ze. Ze schatte hem een jaar of zes.
Onwillekeurig glimlachte ze ‘Hallo,’ zei ze, ‘wie ben jij?’
‘Ik,’ zei hij beslist, ‘ben je zoon.’
Ondanks haar ellende moest zij nu toch lachen.
‘Ik heb helemaal geen kinderen,’ zei ze. Hij knikte.
‘Dat weet ik wel, maar dat betekent nog niet, dat je er geen krijgen zult.’
Jij bent een eigenwijs ventje,’ antwoordde zij. ‘In mijn geval is dat
uitgesloten. Omdat je zo eigenwijs bent, te oud voor je leeftijd eigenlijk, wil
ik het je wel zeggen. Ik zal nooit kinderen krijgen. De enige man, van wie
ik ooit heb gehouden, heeft mij verlaten voor een ander. Dat heeft mijn
leven vernield. Ik zal dus nooit kinderen hebben, begrijp je wel. Een kind
zoals jij adopteren, daarvoor mis ik de moed. Ik wi helemaal niet verder
leven, zie je, zo zit dat.’
Weer knikte hij. ‘Dat weet ik,’ zei hij zacht.
‘Hoe kan jij dat nu weten…’ begon ze en hield op.
Zoals hij daar zat met zijn vroegwijze gezichtje, waarin de ogen zo oud
leken als de wereld zelf, leek hij helemaal niet op een kind en vond zij het
niet meer zo vreemd en onaanvaardbaar dat hij over volwassen dingen
sprak.
‘Hoe heet je?’ vroeg ze, ondanks zichzelf geïnteresseerd. Hij haalde de
schouders op. ‘Ik heb geen naam.’
‘Kom nou, je ouders hebben je toch een naam gegeven. Wil je me die niet
zeggen? Hoe noemen ze je dan?’
‘Ik heb geen naam en geen ouders,’ hield hij vol. ‘Aangezien jij mijn moeder
bent, zal jij me een naam moeten geven.’ Stomverbaasd keek zij naar het
kleine vastberaden gezicht. Ze zag dezelfde beslistheid van zijn woorden
herhaald in zijn ogen. Jij bent een volhouder, hoor en ik apprecieer het, dat
je mij uitgezocht hebt om als moeder te fungeren, maar het zal niet gaan. Ik
ben je moeder niet.’ Hij zei niets, keek haar alleen aan met die wonderlijke
lichte ogen, die zo oud leken en zo wijs. Amberkleurige ogen, met dansende
lichtjes en kleine bruine vlekjes in de iris, gouden ogen. De ogen van een
leeuw.
‘Goed dan,’ hoorde zij zichzelf zeggen. ‘Als ik je een naam moet geven, dan
zal ik dat doen.
Ik zal je “Leon” noemen, om je ogen, weet je, om je gouden ogen. Maar ik
ben niet je moeder.’
De blijdschap, die oplichtte in zijn blik, ontroerde haar. Zijn hele wezen
scheen plotseling te stralen en te glanzen, alsof er een licht in hem
ontstoken was, dat nu naar buiten trad en haar aanraakte, haar koude hart
verwarmde. Naast ontroering voelde zij verwarring en verzet. Zij wilde
geen ontroering voelen en zij wilde de warmte, die hij in haar opriep, niet.
Ze wilde niet meer gewaar worden van menselijke gevoelens. Ze had
gebroken met het leven en met alle gevoel. Ze wilde koud zijn en eenzaam
en dood. Daarom zei ze tegen hem: ‘Zo, en nu je een naam hebt, kan je dus
gaan. Het is al veel te laat voor een kleine jongen om nog alleen op het
strand te zijn. Wees braaf en ga vlug naar huis. Ongetwijfeld zitten ze daar
al ongerust op je te wachten. Ik begrijp ze trouwens niet! Wat voor soort
mensen zijn dat? Ik zou mijn zoon beslist niet alleen aan het strand laten…
als ik een zoon had…’
Hij glimlachte. Vol vertrouwen zag hij naar haar op en pakte haar hand. ‘Als
je dat denkt,’
zei hij, ‘dan moet je met me meegaan naar huis. Je hebt zelf gezegd, dat je
me niet alleen zou laten en aangezien jij mijn moeder bent…’
‘Ik bén je moeder niet,’ antwoordde zij een beetje kregelig, ‘nou ja, laat maar
zitten. Ik verlet niets als ik jou naar huis breng. Tijd is niet belangrijk voor
mij, niet meer. Wijs me de weg naar je huis, Leon.’
‘Ik zal je de weg wijzen,’ zei hij en trok haar zachtjes mee. Hij voerde haar
over het natte zand, vlak langs het water, tot waar de rotsen uitstaken in zee.
‘Moeten we daar overheen?’ vroeg ze.
Hij knikte. Samen klommen ze over de rotsblokken. Ze stapten van steen
tot steen. Het begon snel donker te worden en nog steeds voerde hij haar
mee. Nu over een in de rotsen uitgehouwen pad.
‘Waar breng je me helemaal naar toe? Ik hoop dat je de weg weet en dat we
er gauw zijn.
Straks is het te donker om nog iets te kunnen zien.’
‘Het is niet ver meer.’ Zijn stem klonk ijl in de wind.
VERVOLG > Het ongewone van de situatie trof haar. Eigenlijk was het
meer dan dat, het kwam verbijstering meer nabij. Hier liep ze nu met een
vreemd kind aan haar hand en ze wist niet eens, waar ze naartoe gebracht
werd. Ze had zich zonder meer aan zijn leiding toevertrouwd – aan een
kleine jongen, die op zo’n vreemde wijze in haar leven gekomen was. Haar
oorspronkelijke doel, datgene, waarvoor zij hier naartoe gekomen was, was
helemaal op de achtergrond gedrongen. Zij, die gemeend had geen enkele
wens meer te hebben om nog langer dit voor haar zinloze leven verder te
leven, zij had zich bezorgd gemaakt om dit kind, dat zo alleen voor haar in
het zand gezeten had. Zij had zich in laten spinnen in zijn argeloos
gesponnen web, dat hij om haar geweven had. De vreemde woorden, die hij
tot haar gesproken had en waartegen zij zich had verzet, hadden haar
niettemin betoverd. Zij had hem veilig willen weten in de geborgenheid van
zijn familie. Ze begreep zichzelf niet. Wat betekende dit kind voor haar?
Niets immers en toch was daar die drang in haar, die haar noodzaakte hem
naar huis te brengen.
‘Idioot,’ schold zij zichzelf in stilte. ‘Hij is waarschijnlijk niet anders
gewoon, dan alleen langs het strand te dwalen. Ze maken zich heel geen
zorgen om hem. Misschien is hij onmogelijk, lastig, zijn ze blij, dat ze een
poosje van hem af zijn.’
Nee, wist zij, niet dit kind. Deze kleine jongen kón niet onmogelijk zijn of
lastig. Hij was zo hartveroverend lief! Dat was geen pose, zó was hij
werkelijk.
Willoos liet zij zich meevoeren, mechanisch bijna bewogen haar voeten
zich over het smalle pad. Alles kwam haar opeens zo onwerkelijk voor. Ze
voelde zich vreemd en een beetje licht in het hoofd.
‘We zijn er haast,’ fluisterde zijn stem naast haar.
Het leek niet meer zo donker en het pad was overgegaan in een bredere
weg. Het liep makkelijker nu. Ze begon de omgeving te herkennen. Hij had
haar teruggebracht naar het stadje aan de baai. Hij liep rechtstreeks naar het
onopvallende kleine hotel, waar zij een kamer genomen had.
‘Woon je hier?’ vroeg ze verbaasd. Hij knikte.
Ze gingen naar binnen. Zonder aarzelen bracht hij haar tot voor de deur van
haar kamer.
‘Welterusten,’ zei hij zacht. Zijn gezichtje was naar haar opgeheven en de
goudkleurige ogen keken haar trouwhartig aan. Een ongekende tederheid
welde in haar omhoog. Wat was hij oneindig lief! Ze boog zich voorover en
drukte een kus op zijn voorhoofd. Hij sloeg zijn armpjes om haar hals en
kuste haar op beide wangen. Ze rook de frisse geur van de wind in zijn haar.
‘Welterusten Leon,’ fluisterde ze. ‘Slaap maar lekker.’
Ze opende haar kamerdeur en ging naar binnen. De leegte leek op haar te
vallen; koud en vijandig was de wereld, nu de kleine jongen niet meer bij
haar was. Ze miste zijn aanwezigheid. Boosheid rees in haar omhoog. Wat
bezielde haar, ze kende het joch amper.
Hij betekende niets voor haar en zij betekende niets voor hem.
‘Ik ben je zoon.’
Het was, of zij die woorden weer hoorde. Duidelijk en heel dichtbij en ze
zag de gespikkelde ogen, groot en glanzend. Zij kon ze niet ontwijken. Ze
voelde zich slaperig worden en moe… zo moe.
Slapen, dacht ze nog, slapen. Ze liet zich op bed vallen. Ze wilde niet meer
denken, niets meer weten. Ze gleed weg in een diepe droomloze slaap.
De kleine jongen was in haar kamer; hij ging dicht bij haar zitten. Er was
tevredenheid in zijn hart. Het was hem gelukt haar aandacht te trekken. Ze
was met hem meegegaan en nu was ze hier. Geen leed kon haar geschieden,
ze was veilig. Hij zou over haar waken en morgen zou hij wel verder zien.
Want hij wilde haar niet opgeven, nu hij haar gevonden had.
Het prille zonlicht beroerde Arletta’s gezicht. Ze sloeg de ogen op. Het
eerste ogenblik wist zij niet waar ze was. Langzaam kwam de herinnering
terug en daarmee het bewustzijn dat zij leefde. Ze was in haar hotelkamer
en ze had haar plan niet ten uitvoer gebracht. In plaats van haar leven te
beëindigen in de omarming van de zee, had zij zich laten inpalmen door een
kleine jongen aan het strand. Zij had hem naar huis willen brengen, hem
veilig willen weten. Om de een of andere haar totaal onbekende reden was
dat belangrijker geweest dan al het andere.
Doch het bleek nu, dat hij heel geen hulp nodig had gehad. Hij had háár
naar ‘huis’
gebracht, naar haar hotelkamer, langs een weg die zij niet kende en die hij
zelf ongetwijfeld iedere dag liep. Er was niets geweest, dat zij voor hem had
kunnen doen. Hij was geen ogenblik in gevaar geweest. Zijzelf was in
gevaar. Ze had op het punt gestaan iets onherroepelijks te doen. Haar
gevoelens hierover verwonderden haar. Het speet haar niet, dat het zo
gelopen was.
En toch had zij luttele uren geleden nooit kunnen geloven, dat iets haar van
gedachten zou kunnen doen veranderen, haar afbrengen van haar plan. Wat
was er dan veranderd? Haar omstandigheden waren dezelfde als voorheen.
Er was geen verschil. Zijzelf was anders nu.
of dit zo blijven zou, wist zij niet. Het was zo vreemd, zo onbegrijpelijk, zo
nieuw voor haar. Het was een gewaarwording, die zij niet kende en die even
pril was als het aarzelende vroege zonlicht op haar gezicht.
Ze herinnerde zich haar wanhoop, de pijn in haar hart, de kilte, de leegte.
Haar totaal verloren zijn, zoals zij daar gelegen had in het zand, wachtend
op de nacht – op de dood. De kleine jongen had voor haar gezeten, toen zij
haar ogen opsloeg. ‘Ik ben je zoon,’ had hij gezegd, en zijn gouden ogen
hadden haar aangezien vol tederheid. Ze onderbrak haar gedachten. Ze
moest ophouden zo te denken, het leidde tot niets. Hij was haar zoon niet.
Denken aan hem betekende wéér te moeten verliezen, want hij behoorde
haar niet toe. Hij had zelf ouders, een moeder waar hij bij hoorde en zijzelf
was niets, kón niets voor hem betekenen. Ze zou boos op hem moeten zijn,
omdat hij haar leven had gered, terwijl zij niet gered wilde worden. In volle
omvang drong tot haar door, wat zij zo juist had gedacht –
gered – had zij gedacht. Het was de waarheid: hij had haar leven gered.
Ze sloot de ogen. Ze moest ophouden met denken. Het was te vreemd, te
verward. Ze wist niet meer wat zij nu werkelijk wilde. Of eigenlijk wist zij
dat wél. De kleine jongen terugzien. Hij had iets heel bijzonders, dat haar
had beroerd, ook, toen zij meende voor niets meer open te staan.
Nadat zij zich gewassen had en verkleed, ging zij naar beneden. Het was
niet druk in de kleine eetzaal, waar de ontbijttafels netjes waren gedekt.
Alleen een ouder echtpaar, dat bij het raam zat en een man, die de krant las.
De broodjes in het gevlochten mandje zagen er vers, knapperig en
aanlokkelijk uit. Arletta bemerkte ineens dat zij trek had, voor het eerst
sedert weken. Met zichtbaar welbehagen zette zij haar tanden in een dik
beboterd broodje.
De koffie in het dikbuikige stenen potje was heet, sterk en voortreffelijk van
smaak. Ze nam een tweede broodje en een derde. Iets van haar oude gevoel
voor humor kwam naar boven: ‘Arletta,’ zei ze in gedachten tot zichzelf,
‘voor iemand die levensmoe is, zit je behoorlijk te schransen.’
Na het ontbijt zocht ze de waard op en zei langs haar neus weg: ‘U heeft een
schattig zoontje, ik heb hem gisteren aan het strand ontmoet.’
De man keek haar verbaasd aan.
‘Pardon,’ zei hij, ‘u moet zich vergissen. Ik heb geen kinderen.’
‘0, wel, ik dacht… ik…’ Ze voelde zich afgebluft en een beetje belachelijk.
‘Een van uw personeelsleden dan,’ probeerde ze.
Hij schudde het hoofd. ‘Nee, ik heb geen getrouwd personeel in dienst,
dus…’ ‘Maar hij zei toch, dat hij hier woonde…’ haar stem klonk onzeker.
‘Dat hij hier woonde,’ herhaalde hij,
‘juist, eh, hoe zei u dat zijn naam was?’ ‘Ik heb niet gezegd hoe hij heette; ik
weet niet, hoe hij heet. Alleen, dat hij hier woont.’
‘Wel mevrouw, de bengel heeft u voor de mal gehouden. Hier wonen geen
kinderen.’
‘Een van de gasten misschien,’ probeerde zij.
Weer schudde hij van neen. ‘Er logeren hier geen mensen met kinderen. Er
zijn alleen een ouder echtpaar, een handelsreiziger en uzelf, mevrouw.’
Daar stond ze, dat was dat. Geen kinderen en toch had de kleine jongen
gezegd dat hij hier woonde. Dat kon geen vergissing zijn. Zo zeker was het
kind geweest, zo zelfbewust. Zelfs haar kamer had hij geweten. Zonder
aarzelen had hij haar daarheen gebracht. De waard loog, dat stond voor haar
vast. Er was iets met dat kind. Had hij niet zelf gezegd, dat hij geen naam
had? In gedachten keek zij naar buiten. Daar, onder de zacht wiegende
trossen van de oleander, stond de kleine jongen. ‘Leon,’ haar lippen
vormden zijn naam. Ze strekte haar hand uit en wees. ‘Kijk,’ zei ze ‘daar
buiten staat hij.’
De hotelier keek naar de plaats, waarheen haar vinger duidde.
‘Ik zie niets,’ zei hij
‘Daar, onder de oleander. U ziet dat jongetje toch wel staan?’ Haar stem
klonk ongeduldig.
‘Mevrouw, het spijt me, maar daar stáát geen jongetje en als u mij wilt
excuseren…’ Met opgeheven hoofd schreed hij weg als een in zijn trots
gekwetste haan.
‘Wel, nou nog mooier,’ zei Arletta hardop. ‘Eerst alles ontkennen en dan nog
liegen, als het betreffende kind in levenden lijve voor je ogen staat.
Misschien is hij wel de natuurlijke vader en wil hij niets van de moeder
weten,’ fantaseerde ze.
Ze keek weer naar de oleander. De kleine jongen was weg. Ze rende bijna
naar buiten en keek om zich heen. Hij was nergens te zien. Ze liep de
smalle boulevard af, scherp voor zich uit turend. Ongemerkt was zij bij de
trap gekomen, die naar het strand voerde.
Misschien was hij daar ergens beneden bij de zee. Gisteren was hij er ook
geweest. Ze daalde de trap af. Ze zou wat langs het strand lopen, misschien
zag ze hem.
Ze ging tot het punt, waar de grillige rotsen oprezen uit het water. Hier ging
ze zitten. Ze voelde de leegte en de eenzaamheid van haar alleen zijn. Haar
verdriet, dat al die tijd verdoofd was geweest door haar belangstelling voor
het jongetje, keerde terug en knaagde aan haar.
VERVOLG > Het lichtpuntje, dat voor haar scheen opgedoken uit het niets,
was verdwenen. De grauwe werkelijkheid van alledag staarde haar aan met
holle ogen. Wat had het allemaal nog voor nut? Het leven was niet de
moeite waard om je er druk over te maken. Dat had ze trouwens nooit
gedacht. Soms zelfs dacht zij, dat God haar vergeten had.
Ze stond op. Langzaam liep zij het water in. De koude van de zee deed haar
huiveren, maar ze liep door. De golven rolden speels op haar toe, beroerden
de zoom van haar wit linnen rok. Ze liep door. Dit spel was dodelijk, wist
zij. In de verte scheerden een paar meeuwen boven de witbeschuimde
golven. Het water reikte nu tot aan haar borst. Ze liet zich voorover vallen.
’n Hoge golf nam haar op en droeg haar mee. Willoos gaf zij zich over.
Haar lichaam verzette zich niet tegen de stroming, die aan haar trok. Water
spatte in haar gezicht en een luide kinderstem klonk op: ‘Arletta, Arletta…’
Vóór haar dook de kleine jongen op. Blij lachte hij tegen haar, de
goudkleurige ogen keken haar stralend aan.
De schrik sloeg om haar hart. ‘Leon… je…’ Het schuimige water vulde haar
mond. Haar armen maakten zwembewegingen. ‘Leon!!’ ze gilde nu, ‘Leon!’
Haar handen grepen naar het kind.
‘Wat doe je hier?’ hijgde ze, ‘moet je verdrinken?’
Zijn heldere lach klaterde over het water. Hij schudde zijn helmachtig haar,
dat de druppels in ’t rond spatten.
‘Zwemmen,’ schreeuwde hij. ‘Kom, zwemmen.’ Aarzelend liet ze hem los.
Hij draaide en dook, kwam lachend weer boven. ‘Zwemmen,’ gilde hij,
‘zwemmen!’
Hij zwom als een kleine bruinvis, zijn lenig lichaampje glinsterend in het
zonlicht, stralend van leven. Weer werd zij gevangen in de betovering, die
van hem uitging. Alles, wat haar bedrukt had, viel van haar af. Ze voelde
blijdschap en een warmte, die haar doortintelde.
Ze lieten zich drijven op de golven, opnemen en meesleuren naar het strand.
Ze stonden hand in hand in de branding, tot ze moe en ademloos waren.
Tenslotte trok hij haar uit het water.
‘Drogen,’ hijgde hij.
Ze gingen op de rotsen zitten, in de warme zon. Hij keek naar haar. ‘Ga je
altijd zwemmen in je rok en met je schoenen aan?’ vroeg hij. Ze keek naar
haar verfomfaaide rok en haar sandalen, die sopten van het nat. Ze lachte:
‘Nee,’ zei ze, ‘een enkel keertje maar.’ Ze schopte de natte schoentjes uit.
Misprijzend keek ze naar de vormeloze vodden. ‘Wel, die zijn goed
bedorven,’ zei ze.
‘Je moet je rok uitdoen en drogen. Anders word je ziek,’ zei hij wijs.
Ze keek naar zijn bruine lijfje. ‘Waar zijn je kleren?’
‘Hier achter die steen,’ zei hij en viste ze op.
‘Slim jongetje. Je bent verstandiger dan ik.’
Hij knikte tevreden.
‘Leon,’ begon ze, ‘waar woon je eigenlijk?’
Hij maakte een vaag gebaar met zijn hand in de richting van het land. ‘0,
daar ergens.’
‘Woon je in het hotel?’ probeerde ze verder.
Hij schudde van neen.
‘Wil je me niet vertellen hoe je werkelijk heet, Leon? En waar je woont?’
pleitte zij. Hij hield de ogen neergeslagen. De dichte wimperfranje rustte op
zijn wang. Hij trok met zijn vinger denkbeeldige figuurtjes op de rots.
‘Leon,’ zei hij zacht, ‘ik heet Leon.’
‘Ja, dat is de naam die ik je gegeven heb, maar je moet toch nog een andere
naam hebben?
Dat is nu eenmaal zo. Alle kindertjes hebben een naam. De naam van hun
ouders. Jij ook.’
Ze dacht even na, misschien was hij een vondeling en wilde hij de naam,
die ze hem gegeven hadden, niet accepteren. Er moest toch iemand zijn, bij
wie hij hoorde?
Ze probeerde opnieuw. ‘Hoe heten de mensen, bij wie je woont? Kun je me
dat dan vertellen?’
Hij zei niets, zat daar met gebogen hoofd, de schouders iets voorover. Ze
voelde medelijden met hem. Ze begreep dat lij het niet prettig vond, dat zij
bleef vragen. Hij wilde er kennelijk niet over spreken. Ze wist niet goed wat
te doen, ze wilde hem zo graag helpen, maar hoe kon ze dat, als zij niets
van hem wist? ‘Leon, kijk me eens aan.’
Zijn hoofd ging omhoog en de amberkleurige ogen keken echt in de hare.
Ze waren zo dichtbij, dat zij de donkere vlekjes rond de iris kon zien. Ze
kon haar blik niet afwenden.
Ze moest blijven kijken.
Zijn stem leek van heel ver te komen. Ze moest moeite doen om hem te
verstaan.
‘Ik heet alleen Leon. Niet vragen, want dan kan ik niet meer komen.’
Zijn antwoord maakte haar een beetje bang. Ze wilde niet dat hij wegging.
Nog steeds kon zij haar blik niet losmaken van die wonderlijke ogen, die zo
onschuldig waren, zo jong en toch weer zo wijs, zo oud. Ogen, die haar
leken weg te voeren uit het heden, haar omgeving, zodat het was of er niets
anders meer bestond dan zij tweeën, alleen in een vreemde, ijle, onbekende
wereld, waarin het goed was te leven.
‘Beloof het – beloof, dat je niet meer vraagt,’ drong hij aan. ‘Ik beloof het,’
zei ze, want ze wilde niet dat hij weg zou aan.
Hij lachte zijn stralende kinderlach en Arletta werd zich de wereld om haar
heen weer bewust. De warme zon en de blauwe eindeloze zee, waarboven
witte vogels zeilden op de wind. Ze leunde tegen de rotsen. Alles was goed.
Naast haar zit de kleine jongen met de amberkleurige ogen. Ze wist dat hij
haar voor de tweede maal het leven gered had en ook dat was goed.
Ze zwommen en zochten schelpen en haalden wat te eten in de strandtent
een eind verderop. Ze spraken niet veel, ze hadden genoeg aan eIkaars
gezelschap. De dag ging veel te vlug om. Weer werd zij zich bewust van het
vreemde in de situatie. Het kind, dat de hele dag aan ’t strand kon blijven,
zonder dat iemand er zich om bekommerde, of naar hem zocht. Ze zou de
waarheid willen weten en toch ook schrok zij daarvoor terug. Misschien
zou het kennen daarvan een eind maken aan alles. Zoals dat al eerder in
haar leven gebeurd was. Het was beter alles op zijn beloop te laten, zoals ze
had beloofd.
‘Zal ik je naar huis brengen?’ vroeg ze, toen het tijd werd om op te stappen.
‘Nee,’ zei hij, ‘ik zal jou wegbrengen, tot aan de trap.’
‘En dan?’ vroeg ze. ‘Waar ga je dan naar toe?’
Hij haalde de schouders op. ‘Nergens,’ zei hij.
Hij bracht haar tot aan de trap en wuifde haar na, zo lang hij haar zien kon.
De lange avond alleen in haar hotelkamer bracht de oude verlatenheid en
levensmoeheid weer terug in haar. Ze wilde die ontvluchten, weg uit het
kleine vertrek, waarvan de muren op haar toe leken te komen. Ze ging naar
buiten. Daar, onder de oleander, stond de kleine jongen. Toen hij haar zag,
lachte hij zijn stralende lach.
‘Wandelen?’ vroeg hij gretig.
Ze knikte. Er was een blijdschap in haar, waarvoor zij geen woorden wist.
Ze slenterden samen langs de strandboulevard en keken uit over zee, waar
de lichtjes van de dorpjes en stadjes rond de baai pinkelden tegen donkere
heuvels.
‘Moet je niet naar bed?’ vroeg ze, toen het bij tienen was. ‘Kleine jongens
hebben veel slaap nodig, weet je, om groot en sterk te worden. Ik zou je
veel vroeger naar bed sturen, als ik je moeder was…’
Hij keek haar aan, maar hij zei het niet. Hij wilde haar ontkenning niet
horen.
‘Ga je morgen naar het strand?’ vroeg hij.
‘Misschien…’
‘Dan mag je niet meer gaan zwemmen met je rok schoenen aan,’ zei hij,
‘anders zal je mij nooit meer zien.’ Ze stond stil. Zijn gezichtje was ernstig,
de gouden ogen keken bedroefd.
Hij leek heel niet op een kind nu. Hij leek oud en bang en ongelukkig. Hij
weet het, dacht zij. Hij weet dat ik een eind aan mijn leven wil maken en hij
probeert mij ervan af te houden. Er was iets met dit kind, iets vreemds,
misschien wel ongehoords. Dit was geen gewoon kind.
‘Ik ben je zoon…’ had hij gezegd.
‘Zou je bij me willen wonen?’ vroeg ze.
Als had een toverstaf hem aangeraakt, zo begon hij te stralen. Niet langer
was hij oud en zorgelijk. Hij was een kleine jongen, die in zijn handen
klapte en uitgelaten heen en weer sprong.
‘Ja, o ja,’ zong zijn stem.
Tegenstrijdige gevoelens bestormden haar. Ze was blij aan de ene kant, dat
ze die woorden had geuit en aan de andere kant betreurde zij ze. Hoe had ze
het durven riskeren? Zij was nooit gelukkig geweest in haar keuze en nu
stelde zich weer bloot aan een diepe teleurstelling, die ongetwijfeld volgen
moest op een relatie met dit kind. Ze diende beter te weten. Er was immers
geen kans op geluk voor haar.
Ze nam afscheid van hem voor de deur van haar hotel en zag zijn kleine
figuurtje verdwijnen in de duisternis. Ze ging naar binnen en naar bed. Ze
sliep rustig en diep.
De kleine jongen was tevreden. Hij stond voor haar bed en keek naar haar,
terwijl ze sliep.
Ze was veilig, want hij had haar in bescherming genomen tegen zichzelf.
Hij zou bij haar blijven, totdat zij geleerd had het onvermijdelijke te
accepteren, tot de wil tot leven sterker zou zijn dan die tot de dood.
Iedere dag trokken ze erop uit, de vrouw en de kleine jongen. En iedere dag
werd zij sterker en haar hang naar het leven groter. Meer en meer hechtte zij
zich aan Leon. Ze vroeg hem niet meer naar zijn naam en waar hij vandaan
kwam. Zij accepteerde de situatie zoals die was. Zij wilde niets meer weten.
Ze wilde genieten van het samenzijn met dit buitengewone kind. Zij wilde
leven! Het stoorde en bevreemdde haar niet langer, dat niemand hem scheen
te kennen of te zien. Het viel haar ook niet op, dat de hotelier af en toe naar
haar keek, of zij niet goed bij haar hoofd was. Omdat ze in zijn ogen een
ongevaarlijke gek was, moeide hij haar niet en behandelde haar
voorkomend. Als zij in zichzelf wilde praten, dan was dat haar zaak en als
zij twee lunchpakketten vroeg in plaats van één, dan kreeg zij die. Als zij
extra chocolade vroeg, gaf hij het haar en als zij kleine jongens onder
oleanders wilde zien staan wachten, die hij daar zeer beslist niet zag, dan
zou hij haar niet tegenspreken. Dan waren die kleine jongens daar zover het
hem betrof. Hij vond haar een aardige, bescheiden vrouw en de klant is
koning, nietwaar? Zolang zij zich rustig gedroeg en hij geen last van haar
had, kon zij doen en laten wat zij wilde.
Arletta leefde zorgeloos voort in de ijle droomwereld, die de kleine jongen
met de gouden ogen voor en om haar had opgebouwd. Elke dag die voorbij
gleed, kwam zij hem nader en kwam hij dichter bij zijn doel. Meer en meer
koos zij voor het leven en bande zij de dood uit haar gedachten. Dat stemde
hem tevreden, want het leven was gegeven om het te koesteren, te
behouden, te beschermen, niet om het achteloos weg te werpen. De kleine
jongen wist dat heel goed, want hij was oud en wijs als de wereld. En hij
wist ook, dat wanneer alles verloren lijkt, dat dan juist alles eerst echt
begint. Zij wist dat nog niet, zij moest het nog leren.
Zo verging de zomer met haar warmte en drukte en ongemerkt was de
milde septembermaand gekomen met wazige mauve luchten en de
voorbode van de herfst in de korter wordende dagen. Met schrik realiseerde
Arletta zich de tijd. Ze was hier nu drie maanden en langzaamaan had zij
haar verdriet vergeten in het samenzijn met Leon. Zij had geleerd dat er
andere waarden waren dan een verloren liefde en de betrekkelijkheid van
het woord ‘geluk’. Ze was niet langer afkerig van het leven. Ze had weer
moed gekregen, nu ze nieuwe waarden had ontdekt. Ze realiseerde zich, dat
er iets moest gebeuren. Ze kon niet eeuwig in dit hotel blijven hangen, hoe
goed het haar ook beviel. Niet, omdat zij het zich financieel niet kon
veroorloven, dat was niet het probleem. Ze moest een huis zoeken, zich
ergens vestigen, een nieuw leven beginnen. Samen met Leon zou dat wel
lukken, dacht zij, want zonder Leon was er geen sprake van, dat zij hier
weg zou gaan. Ze had alles op zijn beloop gelaten, de dagen waren zo
zonnig, zo goed, zo gevuld met alles, wat zij voordien nooit had gekend.
Ze begreep dat bijna het mooiste op aarde haar was ontgaan door haar
kortzichtig zich blind staren op die ene geliefde. Dat het mooiste haar bijna
was ontglipt: het moederschap!
Ze had nooit aan kinderen gedacht. Heel haar aandacht had zich
geconcentreerd op de man die zij meende lief te hebben. Voor niets anders
was er tijd of aandacht of plaats alleen voor hem. Ze had niet zelf geleefd,
hij had haar leven bepaald. Nu zag ze pas goed, wat een enorme egoïst hij
was geweest. Hij had nooit werkelijk van haar gehouden. Hij hield alleen
van zichzelf.
Ze kon er nu aan denken zonder bitterheid. Ze kon nu dankbaarheid voelen,
dat een liefdeloos huwelijk haar bespaard was gebleven. Ze was genezen!
Blijdschap vulde haar hart. Ze kon het leven weer aan, dank zij Leon. Ze
kon niet langer de ogen sluiten voor de feiten. Ze zou nu moeten proberen
achter zijn identiteit te komen. Zij had beloofd niet meer te zullen vragen.
Maar nu lag dat anders. Ze wilde hem hebben, hem adopteren, hem een
thuis geven. Daarom moest ze wel vragen. Ze had hem nu zo veel te bieden
en ze kon niet zo maar zonder meer met hem verdwijnen.
Ze bestelde een dubbelluchpakket en met haar tas volgepakt liep ze naar
buiten. De hotelier keek haar na. Daar ging ze weer, ze bracht iedere dag
door aan het strand – alleen. Hij had vaak naar haar staan kijken, als ze op
de rotsen zat, haar gezicht opgeheven naar de zon.
Nooit sloot zij zich bij iemand aan. Ze leek geen behoefte te hebben aan
gezelschap. Hij was haar een paar maal nagegaan, omdat hij toch wel
benieuwd was naar de kleine jongen, waar ze ’t vaak over had. Maar het
was hem niet gelukt ook maar een glimp van het kind op te vangen. Het
moest alleen in haar verbeelding bestaan. Zij was altijd alleen. Hij begreep
het niet. Ondanks dat leek ze niet eenzaam; ze leek bijna gelukkig. Ja, dat
was het: gelukkig. Heel anders dan in het begin, toen zij pas in zijn hotel
was komen logeren. Toen had ze er moe en verdrietig uitgezien, levensmoe
bijna. Dát was totaal veranderd. Het deed hem plezier, dat het verblijf haar
zo goed had gedaan en hij was ijdel genoeg om te denken, dat dat ook een
beetje door hem zelf kwam. Was hij niet altijd extra voorkomend tegen
haar? Tevreden draaide hij zich om en ging terug naar het werk, dat hem
wachtte.
Lichtvoetig liep Arletta naar de rotsen, waar Leon op haar wachtte. Ze zag
hem al van veraf zitten. Een klein figuurtje met een blauwe blouse en
donker glanzend helmachtig haar. Leon, háár Leon. Diepe ontroering welde
in haar omhoog. Ze kon zich niet herinneren, dat zij ooit dergelijke
gevoelens had gekend, als zij nu doorleefde. Alsof iets groots en machtigs
haar had aangeraakt. Ze kon haast niet wachten, tot zij naast hem zat, zo
graag wilde zij over haar plannen beginnen. Tóch beheerste zij zich, tot zij
hem had begroet en ze samen uitkeken op de eindeloos af en aanrollende
zee.
‘Leon,’ begon zij. ‘Ik wil van hier weggaan en jou met me meenemen,
voorgoed. We zullen in een huis wonen, waar jij het prettig vindt en waar
een gemakkelijke verbinding is naar een goede school, want natuurlijk zul
je eens naar school moeten.
Daarom zal ik meer van je moeten weten. Ik heb beloofd, dat ik niet meer
vragen zou waar je vandaan komt en hoe de naam van je verzorgers is. Nu
moet dat, Leon. Wil je het mij nu vertellen?’
Ze had alles in één adem gezegd en ze was zo vervuld van haar eigen
gedachten, dat zij niet opmerkte, dat hij niet reageerde op wat ze zei. Hij zat
stil op zijn plaatsje, zijn rug geleund tegen de rotsen. Zijn gezichtje was
ongewoon bleek en de lichte ogen leken nog feller en groter dan anders. Er
lag een vage pijn in hun gouden diepten.
Hij draaide zijn hoofd om, zodat zij het niet zou zien, het stil verdriet, dat
plotseling over zijn wezen lag. Hij zou eigenlijk blij moeten zijn, maar hij
was het niet. Zijn doel was bereikt: hij had haar terug mogen voeren naar de
weg tot het leven. Hij had haar gevonden en gewonnen, doch hij zou haar
eerst moeten verliezen om haar toe te kunnen behoren voor altijd.
Eindelijk merkte zij, dat hij helemaal niets had gezegd.
‘Leon,’ vroeg ze, ‘Leon, wat is er – ben je niet blij?’
Hij keerde zijn gezichtje naar haar toe en slikte.
‘Ja, ik ben blij, heel blij, want ik weet nu dat je niet meer wilt gaan
zwemmen met je rok aan.’
Ze kleurde. Zij schaamde zich nu voor het kind en voor het feit, dat zij een
einde aan haar leven had willen maken. Achteloos weg had willen werpen,
wat hij als een kostbaarheid had beschouwd. Haar ogen werden vochtig,
maar ze lachte door haar tranen heen.
‘Wil je me dan nu de waarheid zeggen, Leon? Mij helpen, zodat ik alles in
orde kan maken voor ons vertrek?’ Weer kwam zij in de ban van de gouden
ogen, die haar zo machteloos maakten. Alleen waren het niet langer de ogen
van een kind en hij sprak ook niet als een kind.
‘Mijn naam is Leon, de naam, die jij me gegeven hebt. Het was
voorbeschikt, dat je in dit leven moeder worden zou. Maar jij veranderde
alles, je was verblind door de dingen, die om je heen gebeurden. Je wilde
het kostbaarste, wat je gekregen had – je leven –
vernietigen, omdat je teleurgesteld was in wat jij dacht je leven te zijn,
terwijl al die tijd je werkelijke leven op je wachtte. Ik zag het en ik wilde je
helpen, want ik wilde je niet verliezen. Jouw leven was zo nauw verbonden
met het mijne, want ik ben je zoon. Ik besta niet werkelijk, Arletta, nog niet.
Niemand dan jij kan me zien en horen. Alleen jij en jij alleen kunt mij
werkelijkheid maken. Daarvoor zal ik je moeten verlaten.’
Haar ogen vergrootten zich, toen zij dit laatste hoorde. Een glimp van
wanhoop flitste op.
Zij strekte haar handen naar hem uit. Haar lippen vormden het woord ‘neen’.
‘Het zal niet voor lang zijn, Arletta,’ troostte hij. ‘Alleen voor een korte poos
en dan zul je mij bij je dragen. Je zult voelen, weten, dat ik er ben.’ Haar
lippen trilden. ‘Maar ik kan je niet missen en hoe zal alles gaan, hoe zal ik
weten, dat jij het bent?’ Hij lachte zachtjes.
‘Kijk me aan, Arletta. Natuurlijk zul je me herkennen.’
Ze zweeg. Het was zo moeilijk dit alles te verwerken, dit ongelooflijke, dit
vreemde en toch, ze voelde dat het waar moest zijn. ‘Ga… ga je al gauw
weg?’ vroeg ze. Hij knikte. ja, maar je moet er niet verdrietig om zijn. Ik
kom terug en dan zul je niet meer schrikken, dan zul jij zeggen: Je bent
mijn zoon.’
De gouden ogen lieten haar los, de betovering werd verbroken. Zij voelde
zich weer terug op de aarde en hij was weer het kind met het helmachtig
donker haar en de ogen, waarom ze hem ‘Leon’ genoemd had.
Lang zaten zij die dag op de rotsen in het zonlicht, dicht bij elkaar. De
vrouwen het kind, dat niemand kon zien. Ze zochten schelpen en zwommen
in zee. Over alles lag het droeve waas van het naderend afscheid. De kleine
jongen wist, dat hij haar troosten moest. Hij wist ook, dat hij het kon. Hij
ging heel dicht bij haar zitten en legde zijn handje in de hare.
Haar vingers sloten er omheen.
‘Niet bang zijn,’ zei hij zachtjes, ‘want ik ben bij je, ook als je me niet ziet.’
Ze keek naar hem, naar zijn lief gezichtje, dat haar zo dierbaar was, als
wilde zij elk detail in haar geheugen griffen. Ze wist, dat het niet hoefde. Zij
zou hem altijd voor haar geest kunnen halen, zoals hij nu naast haar zat,
even duidelijk. Zij zou niets vergeten, de kleinste kleinigheid niet. Haar
liefde voor hem was bijna tastbaar. Nog begreep zij het niet ten volle, het
wonder, dat Leon heette, haar kleine jongen…
‘Ik zal niet bang zijn,’ zei ze. Hij lachte tegen haar. Zijn onschuld omgaf
hem als een aureool. ‘Ik moest je terugvoeren naar het leven,’ zei hij. Zij
knikte.
Een ranke witte boot kwam dansend over de golven naderbij. De motor
ronkte. Hoog spatte het water op. Het vaartuig kwam recht op de kust aan.
De slanke bruingebrande jongeman stond rechtop aan het stuur. Vlak bij het
strand sloeg de motor af. Hij stapte overboord en trok het scheepje op het
zand. Hij zag de vrouw op de rotsen. Ze vormde een zeer aantrekkelijk
beeld. Hij had haar nooit eerder gezien. Hij liep tot vlak bij haar. ‘Hallo,’ zei
hij.
Arletta keek hem aan. Er ging een schok door haar heen.
Zijn donker helmachtig haar glansde in het zonlicht en in zijn
amberkleurige ogen dansten pretlichtjes. ‘Gouden ogen,’ dacht ze.
‘Daar is mijn vader, Arletta,’ fluisterde de kleine jongen ‘Dag moeder, tot
ziens…’
Nawoord:
‘Dat was een ontroerende geschiedenis en één van de wonderlijkste, merkte
ik op. Wat ga je me nu nog vertellen? Weer een verhaal over de zee?’
‘Ja, maar ik denk niet, dat je dit een lieflijke geschiedenis zult noemen.’
‘Aha, weer een van je duistere schepselen.’
‘Zo mag je het wel noemen, ja, al is het dit keer een mens, die het kwaad
oproept. Dat gaat altijd zo. Het kwaad roept nu eenmaal altijd kwaad
tevoorschijn. Dit wist je overigens al.’
‘Ja, jammer genoeg. Tóch heb ik al eens gehoord van “kwaad met goed
vergelden”. ‘Maar,’
zei ik, ‘dat hoort niet in jouw wereld thuis.’
‘Nee. Maar wat is het verschil? Het is loon naar werken, ook in de wereld
waarin jij leeft. ‘
‘Dat is waar. Ik ben benieuwd wat je gaat vertellen.’
‘O, ik ga je vertellen dat liefde en schoonheid minstens zo dodelijk kunnen
zijn als het kwade en lelijkheid.’
SLOT

Lees ook:   Zielsoorzaken ziekte pdf

Gerelateerde artikelen

Back to top button