Hans Stolp – Terug naar de aarde
DE WERELD VAN HET LICHT
Misschien kun je je het nog een beetje herinneren, maar ik denk het éigenlijk niet. Want de meeste mensen zijn het allang vergeten. En omdat ze het vergeten zijn, zeggen ze gewoon dat het niet waar is.

Gek, hè, dat doen mensen heel vaak: als ze zich iets niet kunnen herinneren, of als ze het niet kunnen zien met hun eigen ogen of aanraken met hun handen, dan zeggen ze gewoon dat het niet bestaat. Of dat het niet waar is.
Wat ik bedoel is dit: dat jij, en ik, voordat we geboren werden, ergens ánders leefden, in een andere wereld. Nee, we leefden niet op aarde. Tenminste, niet vlak voordat we geboren werden. We leefden we in een hele mooie wereld waar het altijd licht is, en waar het nooit donker wordt. Een wereld die geen nacht kent, en geen avond. Dus ook geen maan.
Nu zou je denken dat in die wereld de zon dus altijd schijnt. Maar dat klopt ook al niet. Want iedereen in die wereld straalt zélf licht uit. En daarom is er geen zon nodig. Dat klinkt misschien wel een beetje gek. En toch is het waar. De mensen in die wereld zijn net kleine zonnetjes, omdat ze allemaal stralen van het licht. En niet alleen de mensen, maar ook de dieren, de bomen en de bloemen. Stel je maar eens voor: zelfs een kevertje met zo’n glanzend zwart schild, straalt allemaal licht uit. En ook een mus, een ekster, en een viooltje. Ja, alles en iedereen straalt er een warm, zacht licht uit, dat je helemaal blij vanbinnen maakt.
Nou, je begrijpt nu wel dat het echt een hele mooie wereld is, waar we woonden voordat we geboren werden. En omdat het licht er zo mooi is, noemen de meeste mensen die wereld de Lichtwereld.
In de Lichtwereld is iedereen blij en gelukkig. Niemand heeft er verdriet. Niemand heeft pijn. Je wordt er nooit ziek. En er is al helemaal geen oorlog in die wereld. De mensen zijn er zo gelukkig, dat ze niet eens op het idee komen om ruzie te maken of om elkaar kwaad te doen. Nee, het enige wat de mensen in de Lichtwereld willen, is elkaar blij maken. Daarom zie je in de Lichtwereld alleen maar vrolijke en lachende mensen.
Ja, daar woonden we dus, in die prachtige Lichtwereld, voordat we naar de aarde kwamen en hier geboren werden. En misschien, héél misschien, kun je je er nog vaag iets van herinneren, van dat licht en van al die vrolijke, lieve mensen, en van die lichtgevende kever, en van dat viooltje en die ekster.
Ja, als je eraan denkt hoe mooi die wereld wel niet is, dan begrijp je eigenlijk niet goed waarom wij uit de Lichtwereld zijn weggegaan om naar de aarde te komen. Want hier op aarde is het niet half zo leuk als in de Lichtwereld. Hier maken mensen ruzie met elkaar, hier doen ze elkaar pijn en hier hebben mensen verdriet. En dat is nog niet eens alles: de mensen gaan hier op aarde ook dood, en als ze hun zin niet krijgen, dan maken ze oorlog. Ja, vergeleken met de stralende Lichtwereld is het hier op aarde wel erg somber en donker.
Later zal ik jullie vertellen waaróm we eigenlijk vanuit die mooie wereld naar de donkere aarde gekomen zijn. Maar nu wil ik eerst iets anders vertellen. Want je kunt niet zomaar vanuit de Lichtwereld naar de aarde gaan. Je hebt er een speciaal jasje voor nodig. En je moet eerst die jas aantrekken voordat je op aarde geboren kunt worden.
Dat klinkt misschien een beetje vreemd, maar eigenlijk is het ook wel logisch. Want als iemand op de bodem van de zee naar een gezonken schip wil zoeken, en naar de schatten die misschien nog steeds in dat scheepswrak opgesloten liggen, dan moet je een duikerspak aantrekken. Anders zou je binnen de kortste keren verdrinken. Alleen met een duikerspak aan kun je urenlang onder water blijven om te zoeken naar de verborgen schatten in dat schip.
Eigenlijk gaat het net zo wanneer wij vanuit de Lichtwereld naar de aarde gaan. Dan hebben wij ook een speciaal pak nodig om op aarde te kunnen leven. En weet je wat dat pak is dat je nodig hebt om op aarde te kunnen leven? Dat is ons lichaam! Ons lichaam is eigenlijk het jasje dat we aantrekken als we naar de aarde komen om hier een poosje te leven. En als dat jasje oud wordt en versleten raakt, dan trekken we het gewoon weer uit en gaan we terug naar de Lichtwereld.
Dus als we geboren worden, dan trekken we het jasje van ons lichaam aan, en als we doodgaan, dan trekken we dat jasje gewoon weer uit en gaan we weer terug naar die mooie Lichtwereld.
Begrijp je nu dat doodgaan eigenlijk helemaal niet zo eng is? Als iemand doodgaat, dan gaat hij gewoon weer terug naar huis. En als onze hond doodgaat, dan trekt hij ook gewoon zijn jasje uit en gaat weer terug naar die mooie wereld waar we allemaal vandaan komen. En weet je wat nu zo leuk is? Onze hond blijft daar gewoon op ons wachten. Net zolang tot wij ook het jasje van ons lichaam uittrekken en weer teruggaan naar huis. En als we eindelijk thuiskomen, dan komt onze hond ons kwispelend tegemoet, net alsof hij zeggen wil: Ziezo, nu kunnen we tenminste samen weer spelen.
Nu heb ik al wel een heleboel verteld, vind je niet? Maar het mooiste van alles wat ik vertelde vind ik zelf, dat wij eigenlijk allemaal Lichtmensen zijn. Hele lieve en vrolijke rnensen. Maar ja, dat vergeten we nog wel eens wanneer we het jasje van ons lichaam hebben aangetrokken en hier op deze donkere aarde leven. En toch is het waar: iedereen is een Lichtmens. Zelfs die jongen of dat meisje aan wie je eigenlijk een hekel hebt of voor wie je een beetje bang bent. Ja, eigenlijk is iederéén een Lichtmens!
2
DE REIS NAAR DE AARDE
Ja, dat jasje van ons, ons lichaam…
God heeft er wel iets héél moois van gemaakt, hè? Toen Hij de aarde gemaakt had, wist Hij meteen dat de mensen een jasje nodig zouden hebben om naar de aarde toe te kunnen gaan. En daarom heeft Hij dit mooie lichaam voor ons gemaakt. Met armen en benen, met ogen en oren en met een mond.
God maakte ogen in dat jasje, dat lichaam, om ermee te kunnen kijken. Hij maakte er benen aan om ermee te lopen. Een mond om ermee te eten en te praten. En handen om elkaar te kunnen strelen. Ja, want onze handen heeft God niet bedoeld om elkaar pijn mee te doen. Of om er elkaar mee te slaan. Nee, God wilde juist dat wij met onze handen mooie dingen zouden maken. En dat we met onze handen zouden laten merken dat we elkaar lief vinden. Maar ja, ook dat is iets dat wij wel eens vergeten wanneer wij eenmaal dit jasje hebben aangetrokken…
Wanneer wij vanuit de Lichtwereld vertrekken om naar de aarde toe te gaan, dan hoeven we gelukkig niet alléén op reis te gaan. God stuurt met iedereen een Engel mee. En God zegt tegen die Engel: ‘Wil je heel goed voor hem (of voor haar, als je een meisje bent) zorgen? Zul je altijd heel dichtbij hem blijven? En zul je zachtjes in haar hart fluisteren, zodat ze steeds weet wat ze moet doen?’
Onze Engel knikt dan stralend van ‘ja’ tegen God, zó blij is hij dat hij met ons mee mag gaan om voor ons te zorgen.
Zo gaan we samen op reis, onze Engel en wij.
Het is wel een lánge reis, hoor! Want de aarde ligt heel ver weg, nog verder dan je denken kunt. Maar dat geeft niet. Want als we moe worden onderweg, dan neemt onze Engel ons gewoon in zijn armen om ons te dragen. Heel die lange weg naar beneden draagt hij ons.
Meestal vallen we onderweg vanzelf in slaap. Want onze Engel wiegt ons zachtjes heen en weer, zodat we slaperig worden. Maar als we dan weer wakker worden, gebeurt er iets vreemds. Want dan is het net alsof we ons niet goed meer kunnen herinneren waar we nu eigenlijk vandaan kwamen. We herinneren ons nog wel dat licht, en we hebben nog steeds een blij gevoel als we denken aan de wereld waar we vandaan kwamen. Maar verder zijn we vergeten wat we er nu eigenlijk deden en met wie we daar speelden.
Eventjes denken we geschrokken: hoe kan het nu, dat ik dat nu allemaal vergeten ben? Maar dan zegt onze Engel, die precies weet wat we denken: ‘Je mág het nu ook even allemaal vergeten, want nu gaan we naar de aarde toe, nu begint er een nieuw avontuur. Straks, als je terugkomt, zul je je het allemaal weer herinneren. Maar nu mag je het eventjes vergeten, want nu moet je eerst aan dat leven op aarde beginnen.’
Tevreden kruipen we nog wat dieper weg in de armen van onze Engel, die steeds verder naar beneden zweeft.
En weer dromen we weg. Maar nu denken we niet meer aan de wereld waar we vandaan kwamen. Nee, nu beginnen we te denken aan dat nieuwe leven op aarde. Wie zouden daar je pappa en je mamma worden? En zou je er mooie, leuke en lieve dingen mogen doen? En zou je er ook allemaal níeuwe dingen kunnen leren?
Na een poosje maakt onze Engel ons weer wakker. ‘Kijk,’ zegt hij, ‘zie je daar beneden de aarde zweven? Daar gaan we naar toe. Kijk maar goed.’ En als we dan naar beneden kijken, zien we daar de aarde als een kleurige bal zweven in de ruimte.
Even later, als we vlakbij de aarde zijn, zegt onze Engel: ‘Zie je daar die man en die vrouw lopen? Dat zijn je nieuwe pappa en je nieuwe mamma.’ Nieuwsgierig kijk je meteen naar beneden. En als je die twee ziet, dan word je heel blij vanbinnen. Want het is net alsof je ze allang kent, je nieuwe pappa en je nieuwe mamma.
Dan zegt onze Engel: ‘Zie je dat mamma een dikke buik heeft? Daarin groeit jouw nieuwe jasje, het lichaam dat je nodig hebt om op aarde te kunnen leven. Ga nu maar gauw naar binnen in mamma’s buik en trek maar gauw dat nieuwe jasje aan.’
Nou, dat hoeft onze Engel geen twee keer te zeggen. Want we hebben er nu zó’n zin in om aan dat nieuwe leven op aarde te beginnen, dat we meteen dat nieuwe jasje aantrekken.
En als we eenmaal in mamma’s buik in dat jasje zijn gaan zitten, dan worden we plotseling zo ontzettend slaperig. We kunnen er niets aan doen, maar we vallen meteen weer in slaap. Een hele diepe slaap. En we worden pas weer wakker als we geboren worden en in dat nieuwe jasje uit de buik van mamma kruipen.
Brrr… dat is wel even wennen hoor, in zo’n nieuw jasje in een nieuwe wereld komen. Maar gelukkig, mamma is heel lief en zorgt heel goed voor ons. En pappa praat steeds maar tegen ons en strijkt zachtjes met zijn grote handen over ons jasje, ons nieuwe lichaam. Daardoor beginnen we ons al heel gauw thuis te voelen op aarde.
Wat is het mooi op aarde! En wat gebeurt er veel! En wat moeten we veel leren! We leren drinken, praten en later zelfs om te lopen. Ja, we hebben het gewoon heel erg druk! En we beginnen meteen al zo hard te groeien dat we helemaal vergeten waar we eigenlijk vandaan gekomen zijn. We denken alleen nog maar aan de aarde en aan pappa en mamma. Zelfs onze Engel zijn we dan al helemaal vergeten!
Maar gelukkig, ook al zijn wij onze Engel vergeten, hij is ons níet vergeten. Hij blijft altijd heel dichtbij ons in de buurt, precies zoals God dat gezegd had. Hij helpt ons stilletjes, zonder dat we dat merken. En hij kijkt steeds naar ons. En als hij naar ons kijkt, beginnen zijn ogen te stralen van liefde!
Ja, onze eigen Engel houdt heel veel van ons!



