Omgaan met gestorvenen Hans Stolp/Margarete van den Brink
Wanneer een geliefde doodgaat, komen er vragen op ons af als: Waar is de ander nu? Is er leven na de dood, en hoe ziet dat er dan uit? Is de verbinding met mijn geliefde nu definitief verbroken of blijft er nog contact mogelijk? Zowel in de oosterse als in de westers esoterisch-christelijke traditie is veel bekend over het leven na de dood.

De dood is een geboorte, het begin van een nieuw bestaan in de geestelijke wereld. De auteurs van dit boek laten zien welke ontwikkeling de gestorvene doormaakt en hoe hij of zij stap voor stap toegroeit naar de steeds verdere ontplooiing van het geestelijke lichtwezen dat de kern van ieder mens vormt. De relatie van de overgegane met de achtergeblevenen blijft bestaan en wordt in stand gehouden door de liefde die haar of hem vanaf de aarde wordt toegedragen. Onmacht, woede of het niet loslatende verdriet van de achterblijvers vormen daarentegen juist een hindernis voor de overledene om zich los te maken en onbelemmerd zijn weg te vervolgen. Meer dan wij denken oefenen wij dus invloed uit op het leven van onze dierbaren in het hiernamaals. Omgekeerd hebben degenen in de geestelijke wereld grote invloed op de weg die wij hier op aarde gaan.
Wat gebeurt er met een geliefde die sterft? Steeds meer mensen voelen van binnen met een innerlijk zeker weten aan dat de dood het einde niet is. Maar als de dood geen einde is, hoe gaat het dan verder aan de overkant van de dood?
De bijna-doodervaring
Bo Katzmann woont in Zwitserland en is leider van een succesvol zangkoor. In een interview in een Zwitsers blad vertelt hij dat hij op eenentwintigjarige leeftijd een zwaar motorongeluk had. Hij werd in het ziekenhuis opgenomen en onderging een operatie. Terwijl de operatie aan de gang was, kreeg hij een bijna-doodervaring. In het interview vertelt hij het volgende:
Tijdens de operatie na het ongeluk hoorde ik de arts zeggen: ‘Zijn hart slaat niet meer. Breng alsjeblieft direct het elektroshock-apparaat!’ Daarbij realiseerde ik mij dat ik tegen het plafond van de kamer zweefde en dat mijn lichaam op de operatietafel lag. De gedachten van de aanwezige personen nam ik waar als een luid gesprek. Ik zweefde naar beneden, wilde de arts bij zijn arm pakken en hem erop attent maken dat hij kon ophouden, want ik was immers dood. Tot mijn verbazing ging mijn arm dwars door zijn lichaam heen en hoorde hij mij helemaal niet.
Voelde hij zich toen beklemd of angstig? Katzmann: ‘Helemaal niet. Ik bevond mij in een toestand van berusting en vond al die opwinding om mijn levenloze lichaam niet nodig. Het was ook een onbeschrijfelijk gevoel niet meer in dat enge, nauwe lichaam gevangen te zitten. Door een kracht aangetrokken zweefde ik de kamer uit en merkte dat ik mij in een soort wereldruimte bevond, die ingebed was in een nevel. In deze “nevel” was al het weten aanwezig en ik als geestwezen – want dat was ik – maakte deel uit van deze “alwetendheid”. De antwoorden op alle vragen die er bestonden waren daar paraat. Het in één keer opnemen van zoveel weten ervoer ik als een explosie in mijn innerlijk. Maar dat was niets vergeleken met het licht dat ik zag.’
De interviewer: ‘Wat was dat voor een licht?’ ‘Licht was het eigenlijk pas in tweede instantie, in eerste instantie was het liefde. Liefde die zo sterk was dat zij alleen kon stralen, een heel persoonlijke liefde die mij omhulde en naar zich toe trok. Daarbij zag ik de bron van dat licht niet, slechts een aanduiding daarvan, en dat alleen al kon ik nauwelijks verdragen.’
De interviewer: ‘De artsen haalden je weer terug in het leven. Hoe was dat voor jou?’
Katzmann: ‘Midden in die aantrekking tot het licht werd ik tegengehouden en ik wist dat ik terug moest, dat er nog iets op mij wachtte, een opgave die ik nog moest vervullen. Drie weken lang werd ik op de intensive care-afdeling aan een overlevingsmachine gekoppeld die mij voedde en beademde. Toen ik na vier maanden het ziekenhuis kon verlaten ervoer ik het verder leven als zwaar. Ik heb lange tijd nodig gehad voordat ik mijn levenswil en levensmoed weer bij elkaar had. Achteraf gezien beleef ik echter alles wat er toen gebeurde als genade.’ Op de vraag of hij anders over het leven en de dood was gaan denken antwoordde hij: ‘Zeker. Tegenwoordig leef ik weer graag. Ik heb ervaren dat de dood een geboorte is en dat het werkelijke leven pas na het aardeleven begint.’10
Een verdere blik in de geestelijke wereld
Ook George Ritchie maakte een bijna-doodervaring mee. Hij vertelt daarover in zijn boek Terugkeer uit de Dood11 Kort nadat hij als gevolg van een zware longziekte ‘gestorven’ is ontmoet hij in zijn ziekenhuiskamer een stralende lichtgestalte die hij Jezus noemt. Omhuld door diens licht en liefde kijkt hij eerst op zijn afgelopen leven terug. Het bijzondere is dat Jezus hem dan meeneemt en hem verschillende gebieden van de geestelijke wereld toont. Hij maant Ritchie de blik op hem gericht te houden. Dan begint een uitzonderlijke reis. Ritchie:
Dit leek in niets op de uittredingsvlucht die ik eerder had ervaren. Tijdens die ervaring was ik bezeten geweest van mijn eigen gedachten … Nu bevonden wij ons veel hoger en verplaatsten ons veel sneller; en nu ik mijn blik op Hem gericht hield en me door Hem liet leiden, leek deze manier van bewegen me niet langer vreemd of verontrustend toe.12
Als eerste bezoeken zij een aantal steden op aarde, grotere en kleinere. Ritchie neemt fabrieken waar, drukke straten, huizen en mensen die lopen, werken, drinken of roken. Tot zijn verbazing ziet hij tussen deze mensen andere mensen lopen en bewegen die de eersten om iets vragen of hen iets willen zeggen, maar die door hen niet worden gehoord, noch opgemerkt. Ja, zelfs helemaal niet worden gezien. Ineens beseft Ritchie dat die mensen dood zijn, net als hijzelf. Sommigen van hen proberen sigaretten of drank te bemachtigen, maar slagen daar niet in doordat hun handen dwars door alles heen gaan. Anderen lopen achter levenden aan en trachten hen iets te zeggen. Zo vangt hij adviezen op over zakelijke transacties, aanmaningen om meer op de gezondheid te letten, maar ook spijtbetuigingen voor het verdriet dat de ander werd aangedaan. Geleidelijk aan wordt hem duidelijk:de wereld waar deze gestorvenen verblijven is geen oord ver weg van de aarde, maar bevindt zich in de werkelijkheid van de aarde, ja zelfs in het alledaagse leven!
Nog meer wordt hem getoond. Hij ziet dat er gestorvenen zijn die zich met hun begeertes blijven vastklampen aan de stoffelijke wereld. Ook ziet hij overledenen die gevangen zitten in hun eigen emoties en denkgewoontes, in hun eigen haat of destructieve of perverse gedachten.
Ritchie concludeert dat de dood hemelsbreed verschilt van de voorstellingen die hij daar vroeger over had gemaakt. Geleidelijk aan valt hem nog meer op. Midden tussen al die om en door elkaar heen krioelende mensen – mensen die nog gewoon op aarde leven en mensen die gestorven zijn – blijken zich nog andere wezens te bevinden. Grote stralende wezens die zich vol ontferming buigen over zowel levenden als gestorvenen en die hen troosten en bemoedigen. Engelen! Ritchie: ‘Ja, nu ik me eenmaal bewust was geworden van deze stralende wezens, besefte ik vol schrik dat ik hen weliswaar van het eerste moment af had gezien, maar hen tot nu toe niet bewust had waargenomen.’13 Ook in de steden en stadjes die zij hadden bezocht had het gewemeld van de Engelen. Ze waren te zien geweest in de straten en fabrieken, in huizen en zelfs in kroegen. Maar er was niemand geweest die hen waarnam.
De tocht gaat verder. Nu naar weer een ander gebied. Dat andere gebied opent zich doordat Ritchie dwars door de voorgaande wereld been een nieuwe gaat onderscheiden. In dat nieuwe gebied komt hij met de gestalte van Licht, Jezus, in een sfeer van diepzinnige gedachten en kennis, een soort ‘geestelijke universiteit’ waar uitvindingen worden gedaan die zijn bevattingsvermogen ver te boven gaan. De mensen die er werken – hij weet niet of het mannen of vrouwen zijn – lijken geabsorbeerd door een doel dat groter en belangrijker is dan zijzelf. Er heerst een sfeer van opwinding die ontstaat als grote ontdekkingen worden gedaan. Ritchie: ‘Wat deze wezens verder ook mochten zijn, ze wekten in ieder geval de indruk dat zij zichzelf in alle opzichten volledig hadden vergeten, geabsorbeerd als ze werden door een doel dat groter en belangrijker was dan zijzelf.’14
Nog verder gaat de reis, de aarde achterlatend. Nu ‘bevonden we ons in een immense leegte, een niets … Heel die uitgestrekte leegte leek te vibreren van een soort belofte waaraan ik geen naam kon geven.’ Dan ziet hij oneindig ver weg … een stad. ‘Een stralende, ogenschijnlijk oneindige stad die zo helder was dat ze zichtbaar was ondanks de onvoorstelbare afstand die wij ervan verwijderd waren. Heel die stad en alles wat zich erin bevond leek uit licht te bestaan, evenals de gestalte aan mijn zijde.’ Vol ontzag vraagt Ritchie zich af hoe het mogelijk is dat ieder gebouw en iedere inwoner zó helder kan stralen dat het over een afstand van vele lichtjaren zichtbaar is. Terwijl hij zich dit afvraagt … ‘zag ik hoe twee van deze stralende wezens zich losmaakten uit de stad en ons begonnen te naderen, waarbij ze die oneindige afstand leken te overbruggen met de snelheid van het licht zelf’.15
Dan echter trekken Jezus en hij zich terug. De afstand tot de stad en de twee stralende wezens wordt groter en groter. En het visioen vervaagt.
Ritchie: ‘Hoewel ik een kreet van teleurstelling slaakte over dit verlies, wist ik dat mijn gebrekkige gezichtsvermogen niet in staat was meer dan een kortstondige glimp op te vangen van deze waarachtige, opperste Hemel.’16
Het wezen van Licht heeft hem nu alles laten zien en toegelicht waar hij rijp voor was. Dan sluiten wanden hem in en komt hij weer terug in zijn kamertje in het ziekenhuis.
Uit het boek:
Omgaan met gestorvenen Hans Stolp/Margarete van den Brink

