Dit molecuul kan de hersenen van mensen met het Syndroom van Down ook op latere leeftijd nog herstellen
Het molecuul pleiotrofine lijkt een belangrijke rol te spelen bij verstoorde hersencircuits, specifiek bij mensen met het Syndroom van Down.
Dit concluderen onderzoekers op basis van experimenten met muizen. Door pleiotrofine gericht toe te dienen aan astrocyten, steuncellen in de hersenen, nam het aantal hersenverbindingen toe. Daarnaast werd het makkelijker voor het brein om nieuwe hersenverbindingen te vormen of oude te versterken, ook bij volwassen dieren. Het onderzoek is te vinden in Cell Reports.
Pleiotrofine
Het Syndroom van Down ontstaat doordat iemand niet twee, maar drie kopieën van chromosoom 21 heeft. Hierdoor ontstaat een fout in de celdeling, wat vaak gepaard gaat met ontwikkelingsachterstanden, hyperactiviteit en een verhoogd risico op medische problemen. Hieronder vallen ook problemen met het gehoor en met het zicht.
De onderzoekers wilden beter begrijpen wat er mis kan gaan in de hersenen bij dit syndroom en keken daarom naar verschillende stoffen die in het brein van mensen met het Syndroom van Down anders zijn afgesteld. Daarbij viel hun oog op pleiotrofine: normaal gesproken is dit eiwit veelvuldig aanwezig tijdens belangrijke fases van de hersenontwikkeling. Tijdens het onderzoek met muizen bleek echter dat dit molecuul niet vaak voorkwam.

