De Bezopen Wind van Wijdewormer (Polderverhalen)
De Bezopen Wind van Wijdewormer
(waait zó je onderbewuste binnen)
In Wijdewormer, waar het altijd net te hard waait om normaal over een bruggetje te fietsen, woonde Nel. Nel was 74, verkocht illegale pannenkoeken met paardenbloem erin en beweerde dat ze haar overleden man op dinsdagen in de regenjas van de postbode zag.
Niemand geloofde haar, behalve haar kat: Grauwtje. En Grauwtje was al zes keer overleden, dus die telde niet.
Op een gure novemberdag — zo eentje waarbij zelfs je telefoon besluit dat het ‘m effe niet meer interesseert’ — begon er iets vreemds. De wind kwam niet gewoon uit het westen. Nee. Hij kwam van binnenuit.
Letterlijk.
Het begon met een zuchtje in de badkamer.
Toen een boer in de broodtrommel.
En uiteindelijk een complete storm uit de spleet tussen haar fornuis en de muur, inclusief gefluister:
“NEL… NEL… JE MAG DE DIEPVRIES NU ONTDOOIEN…”
Nel dacht eerst dat het haar darmen waren, maar de stem klonk te welbespraakt. Het bleek de geest van Joop — een vroegere buurman met een passie voor windkracht 7 en rummikub. Joop was overleden tijdens een storm, op een ladder, met een blikje bier in de hand. En blijkbaar had hij nog zaken te regelen.
“Ik heb drie flessen advocaat onder jouw vloer verstopt,” fluisterde de wind.
“En ik wil dat je ze begraaft… in de achtertuin… met een lepel van roestvrijstaal.”
Nel, zoals altijd praktisch ingesteld, pakte haar sneeuwschep en begon te graven. Om middernacht haalde ze de laatste fles omhoog. De wind ging liggen. Grauwtje mauwde zachtjes in het Latijn. En sindsdien is het in Nel’s huis windstil.
Te stil, eigenlijk.
Af en toe ruikt het nog naar bier.
En wie goed luistert, hoort ’s nachts een stem uit de kier bij het fornuis:
“Heb je ook stroop?”

