Code Rood Donder Storm en Bliksem
Code Rood Donder Storm en Bliksem

Iedereen zat al urenlang opgesloten achter de rolluiken. De weer-apps op ieders telefoon waren hysterisch rood opgelicht: Code Rood! Orkaan-achtige windstoten! Vernietigende rukwinden! Blijf binnen of sterf den duizend doden!
Bram zat op de bank naar buiten te staren. Buiten bewoog er werkelijk niets. Een enkel blaadje dwarrelde met de snelheid van een slak naar beneden, en een plastic tasje hing treurig aan een lantaarnpaal zonder ook maar te bewegen.
“Die meteorologen van tegenwoordig,” mopperde Bram in zichzelf. “Vroeger strikten we gewoon onze veters vast en gingen we bier halen. Tegenwoordig worden we gegijzeld door een stel grafieken.”
Volgens zijn app zou de “Apocalyps” om precies 14:00 uur losbreken. Om 14:02 uur besloot Bram dat het gevaarlijkweer-alarm onzin was. Hij trok zijn jas aan en liep vastberaden naar zijn favoriete stamcafé om de hoek, trotserend wat de app omschreef als ‘een zone des doods’.
Tegelijkertijd, drie straten verderop, dacht Luna precies hetzelfde. Zij was ook helemaal klaar met de collectieve huisarrest-hysterie van haar weer-app en wilde frisse lucht.
Het lot, of beter gezegd: een dramatisch overdreven KNMI-alarm, bracht hen samen bij de oversteekplaats van de Dorpsstraat. Er stond één stoere windvlaag (die met een beetje goede wil als een zachte zucht gekwalificeerd kon worden) die Luna’s rode sjaal plotseling net even door de lucht liet wapperen. De sjaal belandde precies in Bram zijn handen.
Bram ving de sjaal op, keek op en zag Luna staan. Luna keek naar Bram, daarna naar de windstille straat, en lachte.
“Nou,” zei Luna droog, “als dit de verwoestende orkaan is die ons allemaal zou uitroeien, dan vind ik de windkracht op een gemiddelde herfstmaandag indrukwekkender.”
“Echt hè,” antwoordde Bram terwijl hij haar de sjaal teruggaf. “Als we naar de app hadden geluisterd, hadden we hier nu allebei eenzaam op de bank gezeten thuis, te staren naar een televisie met noodberichten.”
Ze besloten samen door te lopen naar het café, dat wonderbaarlijk open bleek te zijn. Daar, onder het genot van een drankje, ontdekten ze dat ze niet alleen dezelfde allergie voor overdreven weersvoorspellingen hadden, maar ook elkaars liefde van hun leven bleken te zijn.
Buiten woei het nog steeds bijna niet. En ergens in een gebouw zat een weerman die zich diep zat te schamen, maar Bram en Luna konden het inmiddels niets meer schelen.
(Je zou de liefde van de leven maar mislopen door vage weersberichten!)



