05 december 2020

 

De tegenprestatie en de psychodwang van de sociale dienst

De tegenprestatie en de psychodwang van de sociale dienst

de-tegenprestatie-en-de-psychodwang-van-de-sociale-dienst/

ANALYSE – De monitoring en activering van werkloze mensen door sociale diensten gaat gepaard met psychologische interventies, ofwel ‘psychodwang’. Los van de vraag of dit überhaupt effectief is, moeten we ons ook afvragen of dit in ethisch opzicht door de beugel kan.

In de openingsscènes van de documentaire De tegenprestatie (maandag 19 oktober, NPO2) zien we verschillende medewerkers van de Rotterdamse sociale dienst in gesprek met hun ‘cliënten’. Een van de medewerkers probeert een werkloze man moed in te praten: ‘Vanaf nu gaan we in oplossingen denken, niet in problemen,’ zegt ze, en: ‘het probleem effe bij onszelf houden.’ Als ze even later opstaat om het zogenoemde afsprakenformulier te printen, zegt ze, haar woorden kracht bijzettend met enthousiaste armgebaren, ‘Honderd procent hè?’

Een andere medewerker oppert dat werkervaring niet vereist is voor functies zoals productiemedewerker en postbezorger en zegt – vuisten zwaaiend – tegen de werkloze man tegenover hem: ‘Een beetje lef tonen!’ Een zestigjarige man zonder werk probeert begrip te kweken voor zijn situatie: hij heeft een ‘lastige leeftijd.’ De medewerker antwoordt daarop: ‘Ja, maar we moeten niet opgeven.’ Later horen we een medewerker zeggen dat het belangrijk is om naar de toekomst te kijken, want ‘waar wil jij je energie in steken, in iets dat je niet kunt veranderen, of iets dat je wel kunt veranderen?’
Psycho-dwang

De tegenprestatie is op zichzelf al een verwerpelijke en heilloze maatregel, zoals bijvoorbeeld hier en hier wordt uitgelegd. In dit stuk wil ik echter vooral de aandacht vestigen op wat twee Britse onderzoekers ‘psychodwang’ noemen.

Eerder dit jaar publiceerde het wetenschappelijk tijdschrift Medical Humanities een artikel van Lynne Friedli en Robert Stearn over ‘positief affect’ (positief gemoed, emotie) als dwangstrategie in Britse workfare-programma’s. Workfare, in tegenstelling tot welfare waarbij het recht op een uitkering centraal staat, is het voor-wat-hoort-wat-beleid dat mensen die een beroep moeten doen op bijstand verplicht zijn iets te doen voor hun uitkering, zoals het doen van vrijwilligerswerk, het lopen van stages en het volgen van sportlessen en trainingen. Als niet wordt voldaan aan de tegenprestatie volgt een sanctie – door de medewerkers van de Rotterdamse sociale dienst een ‘maatregel’ genoemd – namelijk korting op de uitkering (soms dertig procent, soms honderd procent, gedurende een of meerdere maanden).

Frieldi en Stearn signaleren dat de monitoring en activering van werkloze mensen gepaard gaat met psychologische interventies. De mentale kwaliteiten die zo bekend zijn uit de positieve psychologie en de welzijnsindustrie – zelfvertrouwen, optimisme, doelgerichtheid, aspiratie – worden opgelegd via verplichte werk- en trainingsprogramma’s. Het gaat hier niet om enkele opbeurende woorden richting de werkzoekenden, maar om het inzetten van ‘positieve psychologie’ om mensen in een bepaald traject te dwingen – vandaar: psychodwang.

‘Ik ben vaak lui’

Psychodwang wil zeggen dat de gemoedstoestand van mensen wordt gebruikt als verklaring voor het feit dat zij werkloos zijn en dat emoties als indicaties worden gezien voor hun motivatie om werk te zoeken en hun bereidwilligheid weer aan het werk te gaan. Op die manier kan de gemoedstoestand ook aanleiding zijn voor sancties als de indruk is dat de bijstandsgerechtigde in kwestie niet voldoende gemotiveerd is om weer aan het werk te gaan.

De scènes in de documentaire De tegenprestatie zijn doorspekt met psychologische interventies, soms expliciet, soms subtiel. We zien in de documentaire een scène uit wat een sollicitatietraining lijkt waarin bijstandsgerechtigden wordt verteld dat ‘kleding bepaalt hoe je je voelt’ en hoe je overkomt – hoge hakken geven de vrouwelijke medewerker naar eigen zeggen meer zelfvertrouwen. ‘Neem je ruimte,’ is het devies.

Psychodwang lijkt ook een rol te spelen in de vragenlijst die wordt afgenomen. We zien in de documentaire stellingen langskomen zoals ‘Ik ben vaak lui.’ ‘Ik was wel eens vier dagen zo prikkelbaar dat ik mensen uitschold of sloeg.’ ‘Ik werd nergens enthousiast van.’ En: ‘Ik had het gevoel dat mijn leven geen zin heeft.’ De vragenlijst lijkt de invulling van een Brits beleidsplan waarover Friedli en Stearn schrijven: mensen die bijstand aanvragen wordt een interview afgenomen om vast te stellen of zij een psychologische weerstand hebben tegen werk, in combinatie met ‘attitude profilering’ om te beoordelen of zij moedeloos of juist vastberaden zijn.

Beschuldiging

De vraag die bij mij opkomt, is hoe de antwoorden op zulke vragen zullen worden geïnterpreteerd in het licht van het gegeven dat het verliezen van een baan een zeer stressvolle gebeurtenis is en langdurige werkloosheid vaak leidt tot eenzaamheid en depressie. Aangezien meeleven met werklozen al snel als pamperen wordt gezien, heb ik er weinig vertrouwen in dat de vragenlijst gebruikt wordt voor het aanbieden van adequate psychologische zorg of dat de peptalk van de medewerkers bedoeld is als onschuldig steuntje in de rug. In combinatie met het afsprakenformulier lijken de vragen en de peptalk eerder een beschuldiging: je doet niet genoeg je best, je bent emotioneel niet in orde, en daarom heb je geen werk.

Lees ook:   Vreemd schoeisel tegenwoordig?

Dat brengt me bij het eerste probleem van psychodwang: het legt de verantwoordelijkheid voor werkloosheid volledig bij het individu en houdt alle structurele macro-oorzaken buiten schot. Dit is, zoals hier werd opgemerkt naar aanleiding van een uitspraak van Marco Pastors over het nog altijd hoge aantal werklozen, ‘sluipende neoliberale propaganda: de fout zit niet in de economie maar is een gevolg van individueel falen.’

Het reproduceren en bekrachtigen van de mythologie van neoliberalisme ondermijnt bovendien alternatieve discoursen, waarin bijvoorbeeld solidariteit, collectiviteit en onderlinge afhankelijkheid centraal staan, zo schrijven ook Friedli en Stearn. Psycho-dwang lijkt vooral ten dienste te staan van de voor-wat-hoort-wat-ideologie.

Ongelijkheid

Psychologische interventies leiden ertoe dat we inzoomen op het individu en sociale omstandigheden uit het oog verliezen. Het stimuleert dat de mensen die wel werk hebben zich op de borst kunnen slaan dat zij wél hun best hebben gedaan, daarbij vergetend dat ze misschien gewoon geluk hebben gehad of dat ze een betere startpositie hadden (hoger opgeleid, betere connecties, financieel kapitaal om dat bedrijf van de grond te krijgen). Het psychologiseren van werkloosheid doet ons gemakkelijk vergeten dat de kansen op werk, laat staan een stimulerende carrière, niet gelijk verdeeld zijn.

En dat is een tweede probleem van de psychologische framing van werkloosheid. Misschien zijn sommige mensen inderdaad minder gemotiveerd. Maar wat is precies de relatie tussen iemands gemoedstoestand en werksituatie? Zou het zo kunnen zijn dat hoger opgeleiden vanwege hun gunstigere arbeidsmarktpositie in het algemeen optimistischer zijn over hun kansen en dus meer gemotiveerd zijn? Als iemands kansen op de arbeidsmarkt afhankelijk zijn van opleiding en werkervaring, is het dan niet gewoon realistisch dat een deel van de werklozen minder gemotiveerd is? In hoeverre zijn verschillen in motivatie, optimisme, zelfvertrouwen en aspiratie in essentie manifestaties van sociale ongelijkheid, zoals Friedli en Stearn opperen?

Mes in de rug

Het framen van armoede en werkloosheid als het gevolg van morele tekortkomingen van individuen heeft een lange historie, zo herinnert Guardian-columnist George Monbiot ons aan Thomas Malthus die in de achttiende eeuw de armen wilde laten verhongeren. Wat nieuw is, is enkel de nadruk op vermeende wetenschappelijke inzichten – psychologie in dit geval.

Hoewel Britse beleidsmakers claimen dat hun beleid gebaseerd is op psychologisch onderzoek, stellen Friedli en Stearn dat er geen bewijs is dat psychodwang helpt bij het vinden van werk. Maar effectiviteit is niet de enige maatstaf waarlangs we de wenselijkheid van beleidsmaatregelen moeten meten, zo schrijft ook Chris Van der Meulen over de tegenprestatie: ‘Het antwoord op de vraag of het werkt, doet er natuurlijk toe, maar je zou ook ten onrechte de indruk kunnen krijgen dat het hier gaat om een technisch vraagstuk.’ Volgens Van der Meulen moeten we het ook hebben over de morele grondslag van het idee dat wederkerigheid (de tegenprestatie) een vereiste is voor solidariteit (recht op een uitkering).

En zo moeten we het volgens mij ook dringend hebben over de morele grondslag van psychodwang. Los van de vraag of de inzet op verandering van de mentale toestand van mensen effectief is, is het de vraag of het ethisch is om de nadruk te leggen op psychologische tekortkomingen van werkloze individuen, terwijl daarmee de échte oorzaken – structurele macro-ontwikkelingen zoals een financiële crisis – worden verhuld of weggepoetst als irrelevant (want daar kun je als individu toch niets aan doen).

Het wijzen op psychologische tekortkomingen brengt bovendien het risico met zich mee dat mensen monddood worden gemaakt, omdat hun protest en hun analyses van maatschappelijke problematiek niet serieus worden genomen (werklozen zijn immers psychisch niet in orde). Ten slotte moeten we ons afvragen of we mensen willen afrekenen op grond van hun optimisme of pessimisme zolang we leven in een samenleving waarin de redenen voor optimisme – gezondheid, capaciteiten, opleiding, afkomst – ongelijkheid zijn verdeeld. Een steuntje in de rug van de werklozen is welkom, maar laat het niet stiekem een mes in de rug zijn.

Gerelateerde berichten