Het Lelijke Beeldje van de Anunnaki
Het Lelijke Beeldje van de Anunnaki
Ergens in een stoffig museum, achter een vitrine vol halfsmeltende godenhoofden en gebarsten kleitabletten, staat het.
Het beeldje.

Volgens de beschrijving is het “een zeldzame representatie van een buitenaardse bezoeker uit de Anunnaki-periode, ca. 2800 v.Chr.”
In werkelijkheid — en dat weet bijna niemand — is het gewoon het knutselwerk van een Anunnaki-kind dat niet geheel goenie was.
Dat kind, een mislukt experiment uit de categorie “DNA-mengvorm met verrassend resultaat”, had iets van een hottemetoot, met een dikke hondenneus, scheve ogen, iets van een Japanner, en verder vooral iets dat je liever niet in een spiegel tegenkomt, laat staan in het donker of overdag!
Zijn vader zei: “Maak jij nu maar eens iets moois, iets dat de mensheid ooit zal aanbidden.”
Dus het kind pakte een homp klei, drukte er met z’n klauwtjes op los, gaf het ding te veel ogen, te weinig kin, en een mond alsof hij net citroensap dronk.
Toen het klaar was, keek iedereen zwijgend naar het resultaat.
“Nou…” zei de hoofdwetenschapper voorzichtig, “het heeft… karakter.”
Het was best kunstzinnig wel.
Het beeldje werd op een plank gezet, met de mededeling dat het bijzonder was, maar uiteindelijk vergeten, overleefde het rampen, vloeden, beschavingen — want zelfs rampen dachten: dat ding laten we maar staan.
En nu, duizenden jaren later, staan er mensen in musea te fluisteren:
“Zie je die ogen? Pure intelligentie! Zo moeten de Anunnaki, de aliens eruit hebben gezien!”

