Witte Roos

Eindelijk daar was hij weer, na lange tijd afwezig te zijn geweest, voelde ik zijn aanwezigheid weer om mij heen.
Als een kilte die ijzingwekkend een rilling over je lichaam doet gaan, terwijl er niets tocht in je woning, er geen raam of deur openstaat. Ik wist het, en ik glimlachte, dat is lang geleden fluisterde ik. Waar was je al die tijd?
Een streling over mijn gezicht was zijn antwoord. Meer niet…meer niet…

Ik kom je een verhaal vertellen, zei hij met schorre stem.
Hij klonk verdrietig, waarom weet ik niet, maar ik schrijf het maar op, wat hij te vertellen had, want daarom komt hij bij mij, soms….

Middernacht, donkerte aan de hemel, regen stromend, in alle hoeken en gaten. De maan half verscholen achter bomen, donker tonend aan de hemel. Huilend stak zij over, haar lange zwarte haren sluik hangend over haar witte gelaat. Druipend van de regen, verdronken haar ogen, en zagen niet hoe een auto, met gierende remmen….
Lijktwit lag zij daar, een eenzame figuur op het midden van de weg, verlaten door alles wat zij lief had ooit. Ze leek wel dood te zijn, de bestuurder van de auto stapte uit. In paniek liep hij toe op de roerloze gestalte, en bukte bij haar neer.
”Oh mijn God”, riep hij uit…in paniek nam hij haar hand, wit en roerloos, en zo koud, zo ijzig koud. In zijn hand zo teer zo klein, zo…hij snikte het uit. Had hij haar…dood gereden? Hij had niet opgelet, hij zag haar niet, ineens plots was ze er geweest. De tranen vergleden op haar gezicht in de druppels regen, onzichtbaar.
Voor eenieder die haar zag….pijn en tranen zo diepgaand dat zij niet langer zag…niet meer wist. En hij zat naast haar, schuldbewust, niet wetend waarom, wat hij gedaan had, en waar zij ook evenzo schuld aan had.
Niemand kwam voorbij, voorbij de twee eenzame figuren op de weg, in het donker, de nacht kolkte in razernij voorbij. Verlaten waren zij en eenzaam op die weg.
Ramon, kwam bij zijn positieven en rende terug naar zijn auto, zocht zijn telefoon en belde 112. Hierna rende hij terug naar de gestalte op de weg, die daar zo stil lag, zo alleen en wit.
31 Oktober was het, de avond van Halloween, maar hiervan waren zij zich niet bewust. Geen van beiden en zij, in diepe verlorenheid, lag daar, niets meer wetend, niets meer voelend aan pijn.
Ramon keek toe op haar lange donkere wimpers die op haar wangen lagen als was zij sneeuwwitje, uit het sprookje en hij de prins. Hij wilde haar lippen kussen, maar voelde zich een dwaas, misschien kon hij haar wakker kussen en dan was dit alles niet gebeurd?
Maar hij schudde zijn verwarde hoofd.
Waar dacht hij toch aan in deze tijd van nood? Hoe verzon hij dit eigenlijk, was hij gek geworden? Ramon keek om zich heen, in het donker, de koplampen van zijn auto beschenen hen als enige lichtpunt in het duister. Overal was het nacht. Ook in zijn ziel was het nacht, die avond was zijn vader overleden, hij kwam net terug uit het ziekenhuis en was enorm van slag geweest en toen zij de weg overstak had hij haar echt niet gezien, wie had dit verwacht?
Op dit tijdstip? Op dit onchristelijk uur?
En hier op dit verlaten landweggetje? Hoe kwam zij hier?
En Ramon keek neer op haar smalle gezichtje, zo intens wit, zo etherisch onwerkelijk mooi. Ramon slikte, nam nogmaals haar hand in de zijne en voelde hoe de ijzige kou tot zijn hand doordrong. Was zij stervende? Was dit zijn schuld?
Ramon wilde schreeuwen! Naar die nacht om hem heen, HELPPPPPPPPPPPPPPP!
Maar er kwam niemand om hem te redden van een ondergang, een ondergang die hij zelf nooit in gang had gezet, maar het lot.
Had hij wensen? Had hij iets te willen in het leven? Het leven waarin alles zo veilig leek, tot vanavond, tot zijn vader zijn laatste adem gaf op aarde. Ramon slikte weer een keer, zijn keel zat zo dicht, zo benauwend voelde het aan.
Hij keek naar haar stille gelaat, zo teer, zo schoon, zo onwerkelijk leek alles om hem heen.
Haar lippen zo bleek, hij wilde ze kussen, die lippen..
Maar waarom, misschien was ze al dood? Hij voelde aan haar pols en voelde een zeer zwakke hartslag… Hij boog zijn hoofd over het lichaam op de weg, hij huilde….met diepe uithalen, alsof hij zijn ziel uit zijn lijf huilde, hij kon niet stoppen. Zijn krullende haardos was doorweekt door de regen die hem overviel gelijk een douche, hij was drijfnat…zijn kleding alles. En zij lag daar maar stilletjes, nietszeggend, stervende…
Ramon wist niet wat te doen, hoe wekte hij haar weer tot leven? De tere gestalte voor hem, zou hij haar kussen voor de ambulance kwam? Zou hij het doen? Gelijk een kind voelde hij zich, alsof magie nog mogelijk was, in zijn denkwereld. Ja zo wilde hij geloven. Zo wilde hij eigenlijk wel dat het leven zou zij, alsof magie bestond!
En hij bukte zich voorover om die bleke lippen te kussen, wit en dodelijk koud.
Hij kuste haar, met zijn warme levende lippen, ze reageerde niet, maar hij ging verder, diep drong hij door tot haar mond, haar kilte tot zich nemend, haar weer tot leven wekkend gelijk de prins in sneeuwwitje.
Haar tong lag slap en stil tegen de zijne aan maar hij bewoog de zijne tegen de hare aan. Net zolang tot ze misschien zou reageren, zo hoopte hij.
Ja zo dacht hij daar op die stille landweg in het pikkedonker terwijl zij nietsvermoedend op weg was naar de hemel misschien?
Wie zal het zeggen?
Wanhopig roerde Ramon met zijn tong rond in haar stille mond, terwijl de regen langs hen heen stroomde alsof er geen einde aan zou komen en zij doorweekt, het ultieme moment voor sterven hadden uitgekozen, want zowel zij, nietsvermoedend, en hij bewust, vonden het leven niet meer zoals het had kunnen zijn.Goed nml…goed zoals het was. Zo zou het nooit meer zijn. Eigenlijk wilden beiden niet meer verder, konden ze niet meer verder, eenzaam en verlaten….
Ramon snikte het uit in haar koude stille mond, hij KON niet meer verder. Hij kon niet meer, zijn vader, was er niet meer en zijn moeder, jaren voorheen al overleden, hij was nu echt alleen op deze wereld. Die harde wrede wereld…
Geen zwaailichten, geen ambulance die nacht langs die stille landweg, niemand kwam!
Ramon was wanhopig, belde nogmaals 112…
En hij keek op haar neer, schikte haar zwarte haarstrengen haar opzij, vochtig en nat lagen zij langs haar smalle witte gezichtje. “Oh God laat haar blijven leven”. Riep hij uit.
Regendruppels gleden langs haar witte bleke lippen, Ramon moest er naar kijken, hij wilde ze weg kussen, ja dat zou hij doen. Ze weg kussen…tot ze weer tot leven kwam. Hij moest toch iets?Jankend kuste hij haar lippen weer, en weer en opnieuw. Ze mocht niet sterven! Niet nadat zijn vader heengegaan was, de tijd voor hem was al zwaar genoeg, hij wist hoe het was, net als toen zijn moeder.. hij wilde er niet aan denken!
Niet meer, niet weer, niet nogmaals!!!!!!
Er kwam nog steeds geen ambulance! Nog steeds niemand die hen kon redden van hun lot, misschien hun ondergang?
Ramon stak zijn tong diep in haar koude mond, ademde ze nog wel? Vroeg hij zich af?
Kom bij alsjeblieft kreet hij diep van binnen uit!
Hij kuste haar, maar geen teken van leven,…of toch?
Opeens opende ze haar ogen, groot en donker, keek ze hem aan. Hij kuste haar door, hij had haar tot leven gewekt!
Ja dat had hij! Hij wist het zijn hart juichte!
Hij schreeuwde diep van binnen..zijn hart joelde, hij had het voor elkaar, ze was terug uit het dal des doods!
Ramon keek op haar neer en zuchte diep,..”Je bent er weer”!
Ze kreunde zacht, bewoog wat en toen zag hij hoe er rood bloed van haar slaap over haar wang droop, diepe bloeddruppels, in de nacht leek het wel zwart bloed te zijn…
Je bent terug, riep hij weer uit, vertwijfeld.
De regen stroomde, hard om hen heen, doorweekt lagen ze tegen elkaar aan op de weg, de stille landweg.
Hoe heet je? Vroeg Ramon, om maar iets te zeggen. En ze keek hem aan met haar fluwelen donkere ogen, ze mompelde zacht iets, heel zacht. Ramon verstond het niet goed. “Wat zeg je”? Ze mompelde weer iets , Ramon keek haar verbaast aan, Roos?
Ze glimlachte tegen hem, hij genoot even, van dat stille geluk daar op die verlaten landweg.
Wat mooi die glimlach van haar, haar naam was Roos. Dezelfde naam als van zijn moeder.
Roos, zijn ziel glimlachte dit was een voorteken, een teken dat…
Hij wilde niet verder denken, niet meer dan dit..dit moment bewaren in zijn ziel voor altijd.
Ja,… hij zou verliefd op haar kunnen worden, hij zou best van haar kunnen houden, dan was hij niet meer alleen in het leven.
Hij zuchte het uit, ja stel je voor dat!
Stel je voor dat het lot hen samen bracht nu hij alles verloren had dat hij zo liefhad in zijn leven. Enigskind was hij, geen ouders meer, geen familie. Wat moest hij nu verder toch?
Maar zij kwam als een engel op zijn pad, voor zijn auto. JA zo moest het zijn dachten zijn verwarde gedachten. Ja, zij was het, zo dacht hij in die nacht, eenzaam en toch samen.
Zo was het… zo zou het zijn…
Ramon hoorde een ambulance van verre komen. Eindelijk ze kwamen hen redden.
Hij kuste haar nog eenmaal. Op haar lichtrose lippen, ze kuste hem terug alsof ze hem ook wilde. Ja wie weet dacht hij nog. Wie weet?
De ambulance kwam zeer nabij, hij zag bijna de blauwe zwaailichten in het donker om hen heen.
Hij kuste haar nog eenmaal. En hoorde ineens de vrachtwagen, op de weg voor de ambulance..

Samen stegen zij op naar de hemel hand in hand.
Het lot had besloten, dat zij samen, zouden sterven die avond en aan de overkant, stonden zijn ouders op hem te wachten, met uitgespreide armen, een glimlach op hun gezicht..
En Ramon en Roos…

Voorbestemd tot leven in de eeuwigheid….
Samen, zoals het lot had voorbestemd

Wat triest verzucht ik..
Hij glimlacht, streelt mijn gezicht weer en vertrekt, de deur slaat zacht achter hem dicht…

AngelWings

Gerelateerde Berichten