“Bep en de Kattenbende”
“Bep en de Kattenbende”

Bep was net verhuisd naar haar strakke nieuwbouwpaleisje. Alles fris, alles wit, alles glad. Ze had zelfs van die mooie moderne tuintegels waar bijna de wolken in konden spiegelen. Maar één ding paste níet in het plaatje: de katten.
Elke ochtend lagen er in haar perfect versteende voortuintje met plantenbakken sporen van nachtelijke orgies. Kattenontlasting als kunstige molshoop installaties, klodders muizenvellen en onderdelen in geometrische patronen, en her en der een verdwaalde muizenlever.
“Ze feesten hier alsof het Ibiza is,” mopperde Bep, terwijl ze met een schep de tuin doorploegde, alsof ze een opgraving deed in Pompeï.
Ze was er klaar mee. Dus toog ze naar het plaatselijke tuincentrum, een oase van keurig gestapelde plantenpotten en overenthousiaste medewerkers met schorten.
“Wat heb je tegen katten?” vroeg ze.
De medewerker — type blozende stagiair met meer liefde voor flora dan faun, maar kwam niet aan katten — knikte gewichtig, (Dacht in een flits; dit is er weer eentje die katten haat) dook achter een stelling en kwam terug met een pot vol bladeren.
“Dit,” zei hij plechtig, “houdt ze uit de buurt. Gegarandeerd.”
“Doe er dan maar drie”, zei Bep gedecideerd.
Bep rekende af, gewapend met nieuwe hoop.
Die avond zette ze haar tuin vol met de plant in kwestie. Ze had zelfs wat blaadjes strategisch op het tuinpad gelegd, alsof het een soort groene landmijnen waren.
De volgende ochtend…
…leek het wel Lowlands in haar achtertuin.
Katten. Overal katten.
Ze lagen op hun rug, keken naar de wolken en miauwden filosofisch naar een grasspriet. Eén kat lag tegen een tuinbeeldje met vrouwe met waterdragende kruik over een blotige stenen schouder aan te spoonen. Een andere knabbelde verdwaasd op een grassprietje met half dichtgevallen ogen.
Bep stond met open mond te kijken hoe haar tuin veranderd was in een kattenverslavingskliniek.
“ZE ZIJN STONED!” riep ze, wanhopig.
Een buurvrouw kwam giechelend langs: “Bep, dát is kattenkruid. Daar worden ze dus helemaal wild van!”
Bep balde haar vuist naar het tuincentrum in de verte en zwoer wraak. Maar eerst haalde ze de schep. Weer.
Sindsdien wordt haar tuin liefkozend “Club Miauw” genoemd. En Bep? Die overwoog zelfs een entreeprijs.
Een maand later had Bep een puppy gekocht, dat zal die katten leren.
Een blaffende hond kon geen kat tegen op.
Althans dat hoopte ze van harte en zeg nu zelf was het geen dotje, een kleine groot-orige langhaar chihuahua. Zijn naam was Gremlin.

