In Waaskantje
In de wijk het Waaskantje woonden vele werkeloze asocialen. Op straat, in de zomerdagen, zaten velen voor de stoep van hun huis met enkele kratjes bier en tegen de avond een flinke zak patat en een frikandelletje of tien.
Ze kwamen de dag wel door.

Het was een rumoerige wijk, waar vaak wat te beleven viel en de politie meerdere keren per dag doorheen reed met de wouten bus om de boel in de gaten te houden, want de vlam sloeg er vaak in de pan.
Zo ook de afgelopen maanden, toen er elke keer trammelant was geweest tussen de buurtbewoners en een nieuwe groep jonge lui uit het buitenland die zogenaamd gevlucht waren.
“Wat?” hoonde oude Henrika. “Die zijn niet gevlucht hoor. Ze komme hier een uitkering hale. Opvreters dat zijn het.”
Ze wees met haar kromme vinger in het rond, de wijk door.
“Ze komme hier de boel belazeren, zijn ze helemaal gek geworden?”
Nee, vreemden, daar moesten ze niets van weten.
Het was een apart, vreemd volkje, met een slimheid ergens die velen verbaasde.
Rooie Hannes keek de journalist voor de wijkkrant aan met zijn bruine, felle ogen.
“En wat kom jij doen hier? Ga je de boel voorliegen? Daar zijn jullie goed in. Niet te vertrouwen.”
Hij trok weer een potje bier open.
De schuimkraag gleed traag over zijn handen.
Schele Freek stak zijn vinger uit naar de angstige journalist.
“Ja, wat denk je nou? Dat we dit allemaal late gebeuren? Nou, dat dachten we ff niet hoor.”
De mannen zaten dagelijks voor de deur om niets te hoeven missen in de wijk. Het was hun wijk, nml.
“Nee, jaren terug, weet je nog Henkie? Die pepernoten die hier woonden aan de overkant, die waren snel weg!”
Ze lachten gezamenlijk bij de gedachte aan ‘de mens met een tintje’ die het gewaagd had hier te komen wonen, en als men het had geweten, hadden ze nooit een -ja- op die woning gegeven.
“Oh nee.”
“Wat hebben we die mensen te pakken genomen hè!”
Hannes verslikte zich bijna van het lachen. Het bier droop over zijn blote borst.
Schele Freek schalde een flinke boer door de straat, gevolgd door die van Henkie, en die klonk zo mogelijk nog harder. En alsof het een drieling was, liet ook Hannes er eentje horen.
Saamhorig keken ze elkaar glimlachend aan.
Vaak deden ze een wedstrijdje om te zien wie het hardst kon boeren en of de journalist het misschien ook wilde horen.
Sjors de journalist knikte van -nee-.
Het zweet brak hem uit bij deze wilde kerels.
Ze waren niet gemakkelijk en als je er woonde… het was gemoedelijk, en ze hielpen elkaar als het nodig was, en vaak waren ze de beste vrienden, maar vaak ook kregen ze onderling ruzies, die ze uitvochten met verve. Daarbij moesten de ramen het vaak ontgelden door wat bakstenen en een paar patsen op de bek, maar meestal was het daarna wel weer in orde. Soms ging het verder, maar dan had je het er ook wel naar gemaakt, zoals toen die bruine pepernoten. Dat was de spreektaal in die wijk.
Henkie sneerde:
“En toen belden ze de politie. Ja, iedereen weet: dat moet je hier niet doen!”
“Nooit,” beaamde Hannes, die naar zijn biertje keek. Dat was alweer bijna op.
“Heey, Skele, geef me nog eens een biertje! En doe de journalist er ook eentje joh.”
Sjors wilde nee knikken, maar bedacht zich snel.
Weigeren zou bijna op oorlog uitlopen, wist hij inmiddels wel.
Het half lauwe biertje stond voor hem op het houten kratje op de stoep.
“Zo,” zei Schele Freek, “lekker een biertje, journalist.”
“Met een boertje,” grapte Henk.
“Ja, die pepernoten toen ze de politie belden… dat hebben ze geweten. Dag en nacht zijn we toen in de wijk bezig geweest hen het leven zuur te maken. Weet je nog, Hannes? Jij moest toen vier maand de bak in.”
Hannes knikte bedachtzaam bijna koninklijk, als een a-sociaal opperhoofd van de wijk.
“Ja, en later hij ook. Zeven maanden moest-ie zitten.” Prachtig vonden ze dat!
Hannes lachte zijn gouden hoektand bloot.
“Ja, dat hadden we mooi geregeld met elkaar. Die kerel kreeg toen gevangenis. Hij had óns bedreigd hè, niet andersom! We hadden toen wel mooi bewijs.”
Dat ze hem zover hadden gedreven, kwam zogenaamd niet in hen op. Dat was hun slimmigheid.
“En toen deden wij aangifte tegen hem!” riep Henkie uit.
“Ja, kom niet aan ons hè!”
Henkie stak een Shagje aan en keek eens in het rond. Hun domein. Hun wijk.
“Ze wilden hier van dat AZC-gedoe een azc maken. Nou, dat gaat dus niet gebeuren!”
Eenstemmig mompelden ze dat ze het eens waren met Henkie, die flinke witte wolken uitblies.
“We hebben de straatstenen verzameld en die bij de burgermeester door de ruiten gegooid.”
“Ja, maak ons de pis niet lauw,” zei Henkie, terwijl hij woest zijn vuist in de lucht stak.
“Maar nu ik het zeg… ik mot pissen.”
Strompelend ging hij naar binnen.
Er liep een jongeman schuchter langs.
“Heey, skeluh!” jende Hannes. “Brillejood!”
De jongeman keek niet op of om en liep snel door.
“De angsthaas,” spotte Hannes.
“Die woont hier en ging met een pepernootje. Nou, dat hept-ie geweten. Dat doet hij nooit weer, en anders dondert hij maar op naar een andere wijk!”
“Zijn moeder woont in de wijk en die moet hij helpe, daarom bleef hij.”
“Mooi mokkeltje wel hoor, zeker,” zei Hannes. “Maar ja, wie hier niet in de zon hoeft, is hier ook niet geboren.”
Henkie strompelde de deur weer uit en viel neer op het krukje op de stoep. Hij moest zich even vastgrijpen aan de klimop, maar wist zich weer te herstellen.
“Heey, voetbal is erop. We moeten gaan kijken.”
Een kleine oude tv werd buiten gezet met kabels en snoeren en luidruchtig keken ze voetbal, zoals het bijna dagelijks ging in die wijk…
Waaskantje was voor de Waaskantjes, en men noemde hen wel eens Dwaaskantjes, maar zo gek waren ze nog lang niet.
Het was maar hoe je het bekeek… en van welke kant je het bekeek.
Voor meer verhalen zie:
https://angelwingsverhalen.nl/

