web analytics
AngelWings Verhalen

And She was…

Haar naam was She.

Een spin in de nok van een zolder.

giphy AnGel-WinGs.nl

In het duister van de nacht, tokkelde fijntjes een geluid alsof iets kleins harp speelde, op kleine fijne zijden draden.
Het echode stilletjes door de atmosfeer op de grote zolder.

Tikkel… tokkel… sproeng… ting… spring… toenk…

Met sierlijke bewegingen van haar zwarte slanke spinnenpootjes woof zij een web, ze genoot van het geluid dat dit maakte.
Ze neuriede ook zachtjes.
Een eeuwenoud spinnenlied.

Niemand wist dat ze daar zat.
Niemand keek ooit zo hoog.

Maar She… zag alles.

Gerelateerde artikelen

Onder haar lag de zolder, vol vergeten spullen. Dozen die al jaren niet waren aangeraakt. Stoelen met lakens eroverheen alsof ze zichzelf wilden verbergen.
En in het midden… een oude spiegel.

Die spiegel hield ze altijd in de gaten.

Niet omdat er iets in te zien was…
maar omdat er soms iets terugkeek.

Tikkel… tokkel…

Ze stopte even.
Haar pootjes verstijfden.

Daar was het weer.

Een beweging — niet op zolder… maar ín de spiegel.

Heel langzaam draaide She haar kleine kopje. Haar zwarte oogjes glansden in het donker.
Ze zag zichzelf niet.

Dat deed ze nooit.

Alleen… een vage vorm. Alsof iemand achter het glas stond.
Wachtend.

Ting…

Eén draad van haar web trilde.
Maar er zat niets in.

Toenk…

Nog een trilling.
Sterker dit keer.

She voelde het.
Niet met haar ogen… maar door haar hele web heen.

Iets zat vast.

Maar niet hier.

Aan de andere kant.

Ze begon weer te weven, sneller nu. Haar poten bewogen bijna als muzieknoten zelf. Het spinnenlied werd luider, ouder… bijna waarschuwend.

“Kom maar…” fluisterde ze zacht.
“Je bent al zo ver gekomen…”

De spiegel… besloeg van binnenuit.

En heel langzaam…
drukte iets van de andere kant tegen het glas.

Alsof het… eruit wilde.

Het was een grote, sterke, zwarte mannelijke spin.
Hij was groot… enorm.

She schrok.

Niet vaak, bijna nooit, kende zij angst.
Maar dit… dit was anders.

Hij kroop uit de spiegel alsof het niets was. Alsof glas voor hem slechts een dun vliesje was tussen werelden.
Langzaam, beheerst… elke beweging vol kracht.

Hij had haar al die tijd geobserveerd.

Dat voelde ze nu.

She bewoog niet.
Ze kon niet bewegen.

Gebiologeerd keek ze naar hem.

Hoe sterk was hij wel niet…
Zijn poten, dikker dan de hare, gespierd, bijna sierlijk in hun kracht.
En zijn ogen… donker, dieper dan de zolder, dieper dan de nacht zelf.

Er lag iets in zijn blik.
Iets wat haar deed huiveren…

maar niet van angst alleen.

Vanwaar kwam hij?

Ze wist het niet.
Maar ergens, diep in het oude instinct dat ouder was dan hout, ouder dan stof, ouder dan het huis zelf…

herkende ze hem.

Tikkel…

Een draad van haar web trilde.

Niet door een prooi.

Door hem.

Hij had het aangeraakt.

Heel lichtjes… alsof hij haar taal sprak.
Alsof hij haar lied al kende.

Zijn kop kantelde een fractie.
Alsof hij luisterde.

Toen… heel zacht…

begon híj ook te tokkelen.

Tok…
…tokkel…
…ting…

Maar zijn klanken waren anders.
Lager.
Dieper.

Ouder.

Het spinnenlied dat She neuriede,..eeuwenoud, werd door hem vervormd. Verlengd. Verdonkerd.
Alsof haar lied slechts een fragment was…

en hij de rest kende.

She voelde iets door haar web trekken.
Geen trilling.

Een herinnering.

Beelden flitsten door haar heen, niet van deze zolder. Niet van dit huis.
Maar van andere plekken.

Donkere balken die geen hout waren.
Luchten die geen lucht waren.
En spiegels… zoveel spiegels.

“Je zingt het verkeerd…” klonk het.

Niet hard.
Niet eens echt hoorbaar.

Maar ze hoorde het toch.

In haar.

She kromp iets in elkaar.
Voor het eerst… voelde haar eigen web te klein.

Hij zette een stap dichterbij.

Nog één.

En nog één.

Tot hij aan de rand van haar web stond.

“Je hebt me geroepen.”

Haar pootjes trilden.
Ze wist niet meer of ze wilde vluchten…

of dichterbij komen.

Hij kwam dichterbij.

She voelde het al voordat hij haar raakte.
Een spanning in haar web… een verstoring in alles wat zij kende als orde.

Zijn poten sloten zich om haar heen,… niet ruw, niet haastig… maar onontkoombaar.
Alsof dit al lang besloten was.

Zijn ogen hielden de hare vast.

En ergens… heel diep…
dacht She dat dit was wat hoorde te gebeuren.

Maar het was geen samensmelting zoals zij kende.

Geen zachte voortzetting van leven.

Dit was iets anders.

Iets ouds.

Iets dat haar web niet kon dragen.

Toen het gebeurde, voelde ze geen pijn.
Alleen… een koude verspreiding.
Alsof iets zich in haar nestelde,…niet op haar… maar in haar.

Hij liet haar los.

Stap voor stap trok hij zich terug.
Zijn werk gedaan.

“Zing,” fluisterde hij nog één keer.
“Zing voor hem.”

En toen…
kroop hij terug de spiegel in.

Alsof hij nooit was geweest.

Dagen gingen voorbij.

Of nachten.

Op de zolder bestond geen tijd meer.

She weefde.
En zong.

Maar haar lied was veranderd.

Langzamer.
Zwaarder.

Haar lichaam… groeide.

Niet zoals het hoorde.

Haar achterlijf zwol op, te groot, te strak gespannen.
Haar poten begonnen te trillen bij elke beweging.

Tikkel…
tokkel…

De draden klonken dof nu.

Iets bewoog in haar.

Niet zacht.
Niet klein.

Hongerig.

Voor het eerst… voelde She angst die nergens heen kon.

Ze probeerde te stoppen met zingen.

Maar het lukte niet.

Het lied zat in haar vast.
Dwong haar.

Voedde… hem.

Tot

krak.

Een scheur.

Van binnenuit.

She verstijfde.

Nog een.

En nog één.

Toen,…

barstte ze open.

Niet in stilte.
Niet zacht.

Maar met een nat, scheurend geluid dat door de hele zolder trok.

Uit haar lichaam kroop iets… groters dan het had mogen zijn.

Veel groter.

Zwart.
Glanzend.
Met poten die te lang waren… te sterk… te harig.

Zijn lijf pulseerde nog, nat van wat ooit She was.

En toen… tilde hij zijn kop op.

Twee kleine, scherpe uitsteeksels gleden zichtbaar naar voren.

Geen gewone kaken.

Maar iets dat leek op… tanden.

Dun.
Hol.
Hongerig.

Hij rook de lucht.

Niet de zolder.

Niet het stof.

Maar iets daaronder.

Warm.

Levend.

Mens.

Langzaam begon hij te klimmen.

Van balk naar balk.
Langs het hout… langs de muren… naar beneden.

Onder hem lagen de slaapkamers.

Onwetend.

Rustig ademend in het donker.

Een deur kraakte zacht.

Hij gleed eronderdoor als een schaduw met poten.

Op het bed… lag iemand te slapen.

De spin stopte.

Zijn lichaam spande zich.

Zijn tanden blonken even in het maanlicht.

En toen—

bewoog hij.

Hij bewoog.

Niet snel.

Juist… langzaam.

Alsof hij wist dat haast niet nodig was.

Het slachtoffer – een man – lag op zijn zij, half onder de deken. Zijn ademhaling was diep en zwaar.
Onwetend.

De spin klom langs het bed omhoog, elke poot zorgvuldig geplaatst. Geen enkel geluid.
Alsof hij niet alleen door de kamer bewoog… maar er deel van was.

Hij bereikte het matras.

Stopte.

Voelde.

Warmte.
Hartslag.
Bloed.

Zijn lichaam trilde lichtjes, niet van twijfel… maar van verlangen.

Heel langzaam kroop hij over de deken.
De stof bewoog nauwelijks.

Tot hij bij het gezicht van de man was.

Hij bleef daar zitten.

Kijkend.

Zijn kleine, donkere ogen reflecteerden iets… bijna herkenning.
Alsof hij niet alleen honger had.

Alsof hij… leerde.

De man bewoog in zijn slaap.
Een zachte kreun.

Zijn hand schoof iets omhoog, richting zijn gezicht.

Richting… hem.

De spin bevroor.

Een fractie van een seconde.

Toen,

schoten zijn poten naar voren.

Razendsnel.

Hij landde op de huid van de man, net onder het oor.

De man’s ogen schoten open-

maar te laat.

Twee dunne, scherpe tandjes prikten in zijn huid.
Niet diep.

Precies genoeg.

De man wilde schreeuwen…
maar zijn stem stokte.

Zijn lichaam verstijfde.

Alle spieren… uitgeschakeld.

Alleen zijn ogen bewogen nog.

Wijd open.
Vol paniek.

De spin trok zich een klein stukje terug.

En bleef kijken.

Alsof hij genoot van het moment.

Alsof hij begreep… wat angst was.

Toen begon hij te drinken.

Langzaam.
Geduldig.

Niet slordig.

Niet wild.

Alsof hij wist dat er nog veel meer zou komen.

Onder het bed…
druppelde iets op de vloer.

Tik…

Tik…

Tik…

Boven, op de zolder…

trilde een oud, verlaten web.

Heel zacht.

Alsof ergens, diep in het hout van het huis…
een vergeten lied nog één keer werd gefluisterd.

Tikkel…
tokkel…

De man op het bed bewoog niet meer.

Alleen zijn ogen… langzaam dof geworden.
Leeg.

De spin liet los.

Zijn lichaam was zwaarder nu. Donkerder.
Alsof hij groeide met elke druppel.

Hij bleef nog even zitten.
Luisterend.

Het huis… ademde.

Hout dat zacht kraakte.
Leidingen die fluisterden.

En toen

ergens boven

Tikkel…
tokkel…

Hij verstijfde.

Dat geluid.

Zijn poten bewogen bijna vanzelf.
Niet naar voren.

Maar omhoog.

Terug.

De trap kraakte zelfs onder zijn lichte, snelle bewegingen.
Langs muren, langs plafonds… sneller dan eerst.

Alsof hij geroepen werd.

De zolderdeur stond op een kier.

Het geluid kwam erachter vandaan.

Ting…
toenk…

Hij gleed naar binnen.

De zolder was zoals altijd.

Stil.
Stof in de lucht.

En daar

de spiegel.

Maar het web…

Het web was niet meer leeg.

Nieuwe draden.
Dikker.
Sterker.

En in het midden…

zat iets.

Klein.

Nog een tweede.

De spin stopte.

Zijn lichaam trilde,… niet van honger… maar van herkenning.

Uit de schaduw van de spiegel bewoog iets.

Langzaam.

Bekend.

De grote, zwarte vorm kroop weer naar voren.
Zijn vader.

Groter dan voorheen.
Ouder… dieper… alsof hij nooit echt weg was geweest.

Zijn ogen gleden naar de nieuwe, kleine vorm in het web.

Toen naar hem.

“Goed…” klonk het.

Niet hard.

Maar overal.

De kleine spin bewoog.

Heel lichtjes.

En toen

Tikkel.

Een minuscuul pootje raakte een draad.

Tokkel.

Nog een.

De klank was dun.
Onzeker.

Maar herkenbaar.

Het lied… begon opnieuw.

De grote spin draaide zich langzaam naar de spiegel.

“Er zijn er meer.”

Zijn poten raakten het glas.

Dat geen glas was.

Een rimpeling.

Alsof water.

De zoon keek nog één keer naar het huis.

Naar beneden.

Waar nog meer warmte was.
Meer adem.
Meer bloed.

Toen… volgde hij.

De kleine spin bleef achter.

Alleen.

In het web.

Zingend.

Langzaam…
werd het lied sterker.

Voller.

Alsof het huis het oppikte.

Alsof het zich verspreidde.

Beneden… in de slaapkamer…

bewoog de dode man zijn hand.

Heel even.

Zijn vingers… trilden nog eenmaal.

Tikkel.

Gerelateerde artikelen

Back to top button