De IJskoningin
Het sneeuwde onophoudelijk, alsof de hemel zelf de wereld wilde bedekken onder een wit, stil tapijt. De wind hief de sneeuw op in dansende spiralen en sloeg tegen een eenzame reiziger op een houten wagen. Zijn paarden stampten angstig, de wielen van de wagen zakten weg in de sneeuw.
Plots doemde er plots aan de horizon een kasteel op, gehuld in een blauwachtig licht dat glinsterde als bevroren tranen van glas. Het was het paleis van de IJskoningin, een vrouw wiens schoonheid zo koud en scherp was, dat men zei dat ze harten kon bevriezen met slechts één blik.
Toen de man, hij was maar een gewone koerier van kleine waren uit het dorp, rillende van de ijzige koude de poort bereikte, zonk zijn wagen ineens weg in een sneeuwwal. Hij stond daar plots vast, hulpeloos, en de kou beet woest in zijn vingers en gezicht. Uit de schaduwen van het kasteel kwam de IJskoningin snel aangelopen alsof ze dit bewust had aangericht, haar mantel van ijs glinsterde als miljoenen kleine glittertjes, maar haar ogen glansden als geslepen sterren. Haar glanzende vuurrood gestifte lippen reten uiteen en glinsterende parelwitte tandjes kwamen tevoorschijn, de hoektanden wat scherper dan normaal zou zijn.
“Wat doet een sterfelijk wezen hier, zo ver van het leven?” fluisterde ze, en haar fluisterende stem klonk als het lichtelijk kraken van een bevroren meer.
Hij durfde nauwelijks te spreken, betoverd door haar schoonheid en de verstilde dreiging die ervan uitging. Zonder een extra woord te verliezen, strekte ze haar handen uit en raakte de twee angstige paarden aan. In een vonk van kou en licht smolt de sneeuw onder hen weg, en plots stond de wagen weer vrij. Ze had hen gered.
Maar het was geen gewone redding. Ze nodigde hem uit in het prachtige paleis om wat te warmen en te eten.
Toen ze hem naar haar paleis leidde, voelde hij vreemd genoeg hoe hij langzaam veranderde. Alsof hij langzaam bevroor terwijl het toch warm aanvoelde in het paleis of verbeeldde hij het zich maar?
Haar gangen waren gemaakt van spiegelend ijs en gangen vol glinsterende kristallen. Iedere kamer leek wel een valstrik, als een spookhuis op de kermis waarin je kon verdwalen, elke spiegel leek wel een test. Ze liet hem zitten, gaf hem een warme maaltijd… en terwijl hij at, voelde hij zijn krachten langzaam wegglijden. Uiteindelijk viel hij in een uitputtende slaap op een groot wit bed midden in een grote witte kamer.
Ze kwam regelmatig bij hem, sprak zacht en teder, haar spelletjes waren subtiel maar ook meedogenloos. Ze bond hem met magische draden van ijs en wol, en elke dag verloor hij meer van zijn eigen wil. Hij werd haar lakei, een pop van vlees, bloed en angst, gevangen in een paleis dat fonkelde en gloeide in het maanlicht. Soms hoorde hij haar lachen, een geluid dat zo mooi als muziek was en zo koud als een graf.
Op een middag, aan het einde van de dag toen de sneeuwvlokken als witte watten uit de lucht vielen, kwam er een mooie elf bij de poort met manden vol waren. Ze stopte even toen ze de paleistuin in kwam toen zag ze hem ,daar in het afruisende licht, inmiddels gebogen en verkrampt, een mooie jongeman gevangen in het blauwe licht van de ijskoningin, en hij was niet de eerste. Dat wist zij. Haar ogen vulden zich met mededogen, ze voelde zijn verlorenheid en pijn. Ze liep snel naar hem toe en stopte een felgroene appel in zijn koude handen en fluisterde:
“Eet deze elfen appel, speciaal door onze clan gezegend. Wij zullen je bevrijden van haar betovering. Je zult 1 van ons worden maar alles beter dan dit leven hier”
Hij nam de elfen appel, koud en glanzend als smaragd. Hij keek de elf in haar groene ogen en was dankbaar, eindelijk een einde aan deze gevangenschap?
Hij keek naar de appel en toen hij hapte, en de appel helemaal op at, voelde hij een gevoel van kracht terugkeren in zijn lichaam. Wankelend ging hij naar binnen en deed wat zij, de ijskoningin, hem nog opdroeg.
Maar uiteindelijk kon hij naar zijn kamer in het paleis en ging gespannen afwachten wat er zou gaan gebeuren. Later die nacht kwamen de elfen in stilte, glinsterend in het maanlicht, de sneeuw als een wit glinsterend tapijt. Via het raam kwamen zij binnen.
Ze bevrijdden hem van de draden, van de betovering, van het paleis, van de koude grip van de IJskoningin.
Toen hij zijn ogen weer opende, voelde hij dat iets veranderd was: zijn hart klopte sneller, lichter, en een zacht groen licht scheen in hem. De appel had hem veranderd: hij was nu een elf, een wezen van licht en natuur. De elf die hem had bevrijd nam zijn hand, en hun ogen ontmoetten elkaar in een belofte die dieper was dan woorden.
Ze liepen samen het paleis voorbij, door de sneeuw, onder de maan. Het ijzige paleis bleef achter, fonkelend maar leeg, en in hun plaats bloeide het bos met magie en nieuw leven. Hun handen waren intens verstrengeld, hun harten warm, terwijl de eerste zonnestralen de sneeuw deden smelten en een nieuw verhaal begonnen, wonderlijk en levendig, waar angst en kou slechts herinneringen waren aan een nacht die hen had veranderd… voor altijd.
