Juliana is een New Age-aanhanger

De heilige Juliana 
Op 89-jarige leeftijd zorgt prinses Juliana weer voor opschudding. Op het huwelijk van Maurits en Marilène ontving ze de heilige communie. Is de populairste Oranje aller tijden nu nog rooms geworden ook? Welnee. Juliana is een New Age-aanhanger van het eerste uur. 

door René Zwaap 

HET VERHAAL van de heilige Juliana speelt in het Turkije van de vierde eeuw, ten tijde van christenvervolger keizer Maximus Daia. Als jonge maagd werd Juliana uitgehuwelijkt aan rechter Eulogius, maar tot schande van haar familie weigerde de bruid zich aan hem te geven zolang hij zich niet tot het christendom had bekeerd. Ze werd hard onder handen genomen door haar vader: ontkleed en gegeseld werd ze naar haar echtgenoot teruggestuurd, maar ze bleef in haar weigering volharden. Ook haar echtgenoot gaf haar met de zweep, evenmin met het gewenste resultaat. 
De beeltenis van de heilige Juliana, meestal gegeseld of hangend aan haar haren, prijkt in vele kathedralen. Op een reliëf in de Dom van Worms sleept ze een jammerende duivel aan een ketting met zich mee. 

HET WAS NIET de Turkse martelares die koningin Wilhelmina in gedachten had toen ze in de vroege ochtend van 30 april 1909 met 51 bulderende kanonschoten op het Haagse Malieveld kond liet doen van de geboorte van haar dochter Juliana Louise Emma Marie Wilhelmina, prinses van Oranje-Nassau, hertogin van Mecklenburg. Maar de symboliek mag achteraf adequaat worden genoemd. Want ook deze Juliana zou als koningin der Nederlanden uitgroeien tot een martelares. Ook zij werd gestraft en vernederd door haar hardnekkige weigering persoonlijke religieuze opvattingen op te geven. En ook in haar geval speelde een dubieuze echtgenoot daarbij een bedrijvige rol. 
Al evenzeer als haar naamgenoot is onze Juliana uitgegroeid tot een heilige. In de verre overzeese gebiedsdelen van het rijk waarover zij heerste, wordt zij nog steeds aanbeden als een godin. De winti-priesters van de bosnegers in de oerwouden van Suriname roepen haar aan als godin van de ‘witte’ (goedaardige) magie. In de zogeheten Vogelbekregio van Nieuw-Guinea wordt zij nog steeds vereerd als de hoogste godin van het papoeapantheon. Ook in Nederland zelf kan een dergelijke cultus rondom Juliana worden ontwaard. ‘Kinderen slaap maar zacht, de koningin houdt toch de wacht’, zo luidde het refrein van een muzikale aubade die bij het gouden huwelijksfeest van Bernhard en Juliana ten gehore werd gebracht. 
Juliana’s persoonlijke religieuze universum kan wellicht het best worden geplaatst in het veelkoppige pandemonium van de zogenaamde New Age. De biografie van Juliana staat strak van de mystiek, geheime genootschappen, gebedsgenezers, Indiase goeroes, kabbalistiek, spiritisme, lsd-profeten, sterrenwichelaars, contacten met buitenaardse wezens, extraterritoriaal fluïdum en meer van dat fraais. Hoewel ze formeel Nederlands-Hervormd heet, heeft Juliana zich nooit veel gelegen laten liggen aan de protestantse orthodoxie. 

JULIANA’S BAND met het bovennatuurlijke wordt in de regel als excessief omschreven, als een geïsoleerd geval van vorstelijke dwaling, geboren uit een torenhoog gevoel van onzekerheid. Volkomen onterecht, want Juliana volgde in feite niet meer dan een traditie. 
Neem bijvoorbeeld Anna Paulovna, de Russische overgrootmoeder van Juliana. Deze zuster van tsaar Alexander(I en dochter van de krankzinnige, bij een paleisrevolutie in 1801 vermoorde tsaar Paul(I, bracht het leeuwedeel van haar jaren na de dood van haar echtgenoot Willem(II door achter gesloten paleisdeuren, waar ze de muffe Hollandse lucht met grote vaten wierook trachtte te verdrijven, omringd door speciaal hiervoor uit Rusland geïmporteerde koren en iconen. Het paleis baadde in byzantijns mysticisme. Al snel deed het gerucht de ronde dat de Nederlandse koningin leed aan godsdienstwaanzin. Haar populariteit bij het volk werd er niet minder om. 
Of neem Sophie van Württemberg, de eerste vrouw van Juliana’s grootvader koning Willem(III. Ook Sophie was een Russin in hart en nieren en ook zij had een fascinatie voor het paranormale. Regelmatig belegde de koningin spiritistische seances onder leiding van ’s werelds befaamdste magiërs. Ook Sophies zoon Alexander was zeer actief op alternatief religieus terrein. Zo zette deze kroonprins kort voor zijn tragische dood op 33-jarige leeftijd alles op alles om aangesteld te worden als Grootmeester-Nationaal van de Orde der Vrijmetselaars, een functie die hij op 18 juni 1882 inderdaad kreeg toegewezen. De pers sprak daar indertijd schande van. Zoals Abraham Kuypers Standaard bij zijn verscheiden: ‘Het is te betreuren dat de kroonprins zich door deze verderfelijke en lichtzinnige sekte zodanig op sleeptouw heeft laten nemen en begoochelen, dat hij zich in zijn laatste levensuren met hare belangen nog bij voorkeure bezighield.’ 

OOK JULIANA’S vader, Hendrik Wladimir Albrecht Ernst, hertog van Mecklenburg-Schwerin, prins der Nederlanden sinds 1901, lid van de Maltezer Ridderorde, de johannieter orde en van de Orde van het Gulden Vlies, had een enorme hang naar het mystieke. Nog voor zijn huwelijk met Wilhelmina had hij in 1894 en 1895 reizen naar India en Ceylon gemaakt, op zoek naar de geheimen van de oriënt. Eenmaal in Nederland placht hij tijdens uitgebreide seances met behulp van Nederlands paleispersoneel geesten van overleden boezemvrienden op te roepen. 
In het geruchtmakende deel 9b van zijn Geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog doet dr. L. de Jong de intrigerende uitspraak dat prins Hendrik vroeg in de jaren twintig aan koningin Wilhelmina mededeelde dat hij van zijn geloof was gevallen en ‘naast Christus een andere Meester gevonden had’. Wie die Meester was, liet De Jong in het midden. De informatie over een en ander had hij regelrecht van de oude koningin betrokken. 
De Jong publiceerde zijn gegevens in 1979, samen met een spraakmakend relaas over de verwikkelingen rond Hendriks buitenechtelijke kroost. Diverse Oranjevorsers hebben met grote stelligheid beweerd dat het hier zou gaan om Bo Yin Râ, pseudoniem voor Joseph Anton Schneiderfranken, een Duitse goeroe annex schilder. Bo Yin Râ, die zich in 1938 – een jaar nadat Reichsführer Heinrich Himmler alle occulte bewegingen die niet direct onder het nazi-vaandel waren geschaard, had verboden – in Zwitserland vestigde, schreef een lijvige verzameling boeken van half mystieke donderpreken, met de nadruk op wenken van praktische aard. Vooral zijn prediking van de grote Universele Liefdesgeest zal Hendrik zeker hebben aangesproken. 
Bo Yin Râ’s vermeende uitverkiezing tot Hendriks Meester staat echter in schril contrast met het nadere signalement dat De Jong in 1979 tijdens een persconferentie van Hendriks Meester gaf. Volgens een verslag in het Vrije Volk had de geschiedschrijver des rijks het toen over een ‘Brits-Indiase wijsgeer uit Zwitserland’. Hetgeen correspondeert met de theosofische goeroe Jiddu Krishnamurti. 
Dat een aristocraat van het soort van Hendrik kon vallen voor het aura van een Krishnamurti is voor ons, laat-twintigste-eeuwers, in verwondering terugkijkend, wellicht wat merkwaardig. Uiteindelijk is Krishnamurti in onze ogen een linksige goeroe, een man van de dialoog en de wereldvrede. Daarbij moet men echter voor ogen houden dat Krishnamurti dit imago pas verwierf na zijn breuk met de theosofen. In de jaren twintig, tijdens zijn hoogseizoenen in Ommen, werd Krishnamurti door zijn aanhang nog ‘de goddelijke dictator’ genoemd en sprak de messias van de theosofen toch vooral tot de verbeelding van het conservatieve volksdeel. 

JULIANA IS IN HAAR esoterische funshop-gedrag zonder meer gestimuleerd door haar ouders. Andere bronnen kon ze ook onmogelijk hebben, want haar jeugd speelde zich af in het opperste isolement. Aangezien de toekomst van Oranje in Nederland geheel van haar afhing, werd Juliana zo veel mogelijk afgeschermd van de buitenwereld. Paleiswachten salueerden als het kindermeisje met haar in de wieg passeerde, overal waar ze kwam bogen de mensen als knipmessen. Van spontane omgang met leeftijdgenoten kon geen sprake zijn. 
Koningin Wilhelmina, hierbij zwaar gesteund door haar moeder Emma, zag er nauwlettend op toe dat de kroonprinses altijd met de verplichte revérence tegemoet werd getreden. Een van Juliana’s vroegste herinneringen bestaat uit de opfladderende gestalten van oude hofdames die uit de donkere hoeken van paleis Noordeinde schoten en de verplichte revérence maakten wanneer het kind door de lange donkere gangen liep. 
Wilhelmina’s zucht tot protectie sloeg al snel om in een soort sociale smetvrees, zowel voor haarzelf als voor haar dochter. Om een zo groot mogelijke weerstand te creëren, liet ze haar dochter met liters pap vetmesten. ‘Jula, wat heb je dikke benen’, merkte een jeugdvriendin ooit oneerbiedig op. ‘Dat klopt’, moet Juliana hebben gezegd. ‘Maar het zijn dan ook de benen waar het hele Huis van Oranje op rust.’ 

JULIANA’S JEUGD stond vooral in het teken van de angst. Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog werd alras duidelijk dat er weinig zou overblijven van het Europa van de grote vorstenhuizen. Overal stak de revolutie zijn kop op. Ook voor Oranje waren het benarde tijden. In april 1918, bij een officieel bezoek aan Amsterdam, stond de koninklijke familie doodsangsten uit toen morrend volk in Kattenburg de koninklijke koets bekogelde met rotte veenaardappelen. Haastig moest de koninkijke familie ontkomen, achtervolgd door woedende arbeiders, die ‘honger, honger’ riepen. Later die dag was het raak in de hoofdstedelijke Staatsliedenbuurt, waar een kleine volksopstand volgde op een plaquette-onthulling door Juliana in de Nassaukerk. Men probeerde de koninklijke koets te kantelen; ternauwernood wist de koninklijke familie te ontkomen. Volgens de overlevering hield de negenjarige Juliana aan deze ervaring de gewoonte over om luidkeels een ‘honger-demonstratie’ na te spelen als ze geen pralines of andere snoepjes kreeg. 
Voor haar ouders had de gebeurtenis ernstige traumatische gevolgen. De angst om in het openbaar te verschijnen, toch al geen geliefde bezigheid der Oranjes, werd groter dan ooit, en nog versterkt toen drie maanden later tsaar Nicolaas II, tsarina Alexandra en hun kinderen werden geëxecuteerd in Jekaterinenburg. Het einde van de wereld leek helemaal nabij toen Kaiser Wihelm II op 10 november als politiek vluchteling aanklopte bij de Nederlandse grensplaats Eysden. Tijdens het temmen van de revolutionaire furie die in november 1918 ook in Nederland raasde, speelde Juliana een belangrijke rol. Tijdens het strak geregisseerde ‘spontane huldeblijk’ van het Nederlandse volk aan het Oranjehuis, op het Haagse Malieveld, werd het negenjarige prinsesje als een heilig ornament omhoog getild. 

WILHELMINA ZETTE zich persoonlijk aan de geestelijke vorming van de kroonprinses. Juliana werd ondergebracht in een klein klasje met drie adelijke meisjes, maar haar religieuze vorming hield Wilhelmina in eigen hand. Dit zou van beslissende invloed blijken. Reeds op elfjarige leeftijd was het prinsesje gedrild in de leerstukken van alle wereldreligies, waarbij als uitgangspunt gold dat Juliana nooit geleerd mocht krijgen dat het christendom superieur zou zijn aan andere religies. De befaamde Leidse oriëntalist C. Snouck Hurgronje maakte Juliana met privélessen wegwijs in het geloof van haar Indische onderdanen. Maar het belangrijkst zullen later toch de privégodsdienstlessen van haar moeder blijken. Door haar werd Juliana ingewijd in de hogere mystiek, de motor van haar latere koningschap. 
De speculaties over Juliana’s toekomstige echtgenoot begonnen al snel. Ze was nog maar net dertien toen De Telegraaf melding maakte van een huwelijksarrangement met een lid van de Britse aristocratie, viscount Trematon, zoon van de graaf en gravin van Athlone, haar oom en tante. Vier jaar later gonsde de internationale pers van de geruchten over reeds vergevorderde plannen om de kroonprinses uit te huwen aan de Belgische prins Karel, zoon van koning Albert. Van deze Karel werd verder niets meer gehoord – begrijpelijk, als katholiek voldeed hij niet aan de minimumeisen. 
In het schaakspel van het Europese vorstelijke huwelijksverkeer speelde Wilhelmina een tijdlang met een Belgische kandidaat ter voorkoming van de Belgische annexatie van delen van Limburg en Zeeuws-Vlaanderen, waar in het midden van de jaren twintig veel om te doen was. Een andere zware kandidaat was de Duitse prins van Stolberg-Stolberg, een potentiële bruidegom op wie vooral Wilhelmina haar zinnen had gezet. Maar helaas, op het laatste ogenblik deinsde ook deze prins terug voor een verloving met de Nederlandse prinses. 

NA HAAR ACHTTIENDE verjaardag brak de gouden kooi waarin Juliana werd opgevoed enigszins open. Ze kreeg een eigen paleis – dat aan de Haagse Kneuterdijk, ooit het kluizenaarshol van haar onfortuinlijke voorganger kroonprins Alexander – en ze beleefde haar eerste bal als debutante. In hetzelfde jaar werd Juliana lid van de Raad van State en als lidmaat bevestigd in de Nederlands-Hervormde kerk. 
Ook schreef ze zich in als student aan de Universiteit van Leiden. Dat baarde het nodige opzien. Wilhelmina had zich met hand en tand tegen deze wens van haar dochter verzet, en prefereerde privé-onderwijs. Met de grootste moeite had Juliana uiteindelijk toestemming gekregen om een jaar ‘student onder de studenten’ te zijn. Het zouden twee jaar worden, die onmiddellijk werden bekroond met een eredoctoraat – Wilhelmina kon het denkbeeld dat haar dochter door een onderdaan zou worden geëxamineerd eenvoudigweg niet verkroppen. Op het lesprogramma stonden oud-vaderlands recht, algemene geschiedenis, adat-recht van Nederlands-Indië, volkerenrecht, Nederlandse letterkunde, Franse letterkunde, godsdienstgeschiedenis en ook, opvallend genoeg, Germaanse mythologie. 
Tijdens haar studententijd woonde Juliana met enkele medestudenten ‘op kamers’ in een villa even buiten Katwijk. Het was haar eerste kennismaking met de buitenwereld, en dat ging niet altijd even schokvrij. In de kleedkamers van de roeivereniging werd ze uitgelachen om haar ouderwetse ondergoed. Tijdens een roeiwedstrijd van haar studentenvereniging VVSL raakte ze volkomen in paniek toen haar medestudenten haar boot lieten omkieperen. 

EENMAAL GEKOPPELD aan de dandy Bernhard zur Lippe-Biesterfeld leerde Juliana het mondaine leven kennen. Een van zijn eerste daden als prins-gemaal was de vervanging van het wollen ondergoed dat Wilhelmina voor haar dochter prefereerde, door dure lingerie uit Parijs. 
Tijdens het trouwfeest in paleis Noordeinde bleek al dat er met de Duitse prins een nieuwe tijd was aangebroken in de Nederlandse monarchie. Bernhards vrienden van de Berlijnse Reiter-SS kwamen met burleske vaudeville-acts in travestie. De huwelijksreis was een decadente grand tour langs de duurste hotels, hetgeen het kabinet in Den Haag de nodige hoofdbrekens kostte. Bernhards vrienden bleken niet bepaald verheffende types. Zo bezocht het kersverse paar in Silezië Pieter Menten op zijn landgoed. 
Juliana viel vooral op door haar grenzeloze politieke naïviteit. Heel tekenend voor haar politieke gevoel was haar reactie in mei 1940 op een uitnodiging van de in New York wonende Nederlandse historicus Hendrik van Loon om naar zijn villa op Long Island uit te wijken. ‘Als geboren Nederlander en kenner van de Nederlandse geschiedenis behoorde u te weten dat vijf eeuwen lang het Huis van Oranje voor geen enkel gevaar op de vlucht is geslagen’, aldus Juliana op 8 mei 1940 in een brief aan Van Loon. ‘Onze plaats is hier in Nederland, of er gevaar dreigt of niet. We zullen onze post nooit verlaten.’ 

IN FEITE KREEG Juliana pas na de oorlog kans om zichzelf te ontwikkelen. Dat gebeurde vooral onder invloed van haar persoonlijke raadgeefster, de in 1947 ten paleize geïntroduceerde Amsterdamse ‘helderhorende’ Greet Hofmans. Greets moeder was een van de eerste Nederlandse leden van de Theosofische Vereniging. Greet was een vurig bewonderaarster van madame Blavatsky, de Russische clairvoyante die indertijd de Theosofische Vereniging had opgericht. In 1908 – ze was toen vijftien – werd Greet lid van de Lotuskinderen, de jongerenafdeling van de Theosofische Vereniging. Voor de oorlog was ze een trouw bezoekster van de Sterrenkampen in Ommen, waar ze opviel door zeer dicht tegen Krishnamurti aan te kruipen. Zo kreeg ze steeds meer vrienden en kennissen in de wereld van rozenkruisers, vrijmetselaars, antroposofen, astrologen, spiritisten en andere mystiek aangelegde types. 
De eerste ontmoeting tussen Greet Hofmans en Juliana vond plaats in 1947. Hofmans, gebedsgenezeres te Amsterdam, was al enige jaren populair in hoge kringen. Officieel heet het dat Hofmans door prins Bernhard in contact werd gebracht met Juliana, nadat de prins van generaal Koot had gehoord dat Hofmans wellicht soelaas kon bieden met het verhelpen van prinses Marijkes oogkwaal. Maar ook zonder Marijkes oogkwaal had het wel heel vreemd moeten lopen als Juliana en Greet Hofmans elkaar niet hadden ontmoet. Ze waren voor elkaar bestemd. Wat ook altijd vergeten wordt is dat ook Wilhelmina geheel in de ban van Greet Hofmans was en haar graag bij zich had op paleis ’t Oude Loo. 
Tussen 1948 en 1956 – het jaar van de Hofmans-affaire – was Hofmans de belangrijkste vrouw naast de troon. Bernhards aanvankelijke enthousiasme begon danig te slinken, zeker toen zijn vrouw onder invloed van haar nieuwe consulente aankondigde van hem te willen scheiden. Bernhard zorgde ervoor dat Hofmans uit paleis Soestdijk vertrok en haar intrek nam in een tuinhuis van de buren van Soestdijk, de familie Mijnsen, die zich al eerder over de straatarme mystica had ontfermd. 
Het mag ronduit diabolisch worden genoemd dat het dezelfde Bernhard was die medio jaren vijftig de band tussen Juliana en haar occulte raadgeefster gebruikte om zijn echtgenote in diskrediet te brengen. Zoals de redactie van Der Spiegel drie jaar geleden onthulde, was het niemand minder dan Bernhard zelf die als bron fungeerde van het verhaal over de relatie Hofmans-Juliana dat het Duitse weekblad op 16 juni 1956 op de voorpagina bracht. 
‘Zwischen Königin und Rasputin’, zo luidde de titel van het verhaal, dat als strekking had dat koningin Juliana volledig in de ban was van een geheimzinnige gebedsgenezeres. Het blad sprak van ‘een affaire, uit een obscuur bijgeloof ontsprongen, die in het atoomtijdperk de binnenlandse politieke stabiliteit van een Navo-staat bedreigt’. Het kabinet-Drees greep onmiddellijk naar een importverbod van het betreffende nummer van Der Spiegel. 
Er volgde een onderzoek van een commissie van wijze mannen, te weten de oud-ministers Beel en Gerbrandy, en de voorlaatste gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, A.W.L.Tjarda van Starkenborgh Stachouwer. Deze commissie van wijze mannen, zeer op de hand van Bernhard (Juliana had om een ander onderzoeksteam gevraagd), volstond met een schoonmaak van de hele hofhouding van de koningin. 
Alle sympathisanten van Greet Hofmans en haar ‘pacifistische kliek’ werden ontslagen, waarbij de persoonlijke secretaris van de koningin baron W.J. Heeckeren van Molecaten, alsmede zijn echtgenote en zijn moeder, drie intimi van de koningin, voorop gingen. In de plaats van de baron kwam nu J. van der Hoeven, een man met een NSB-verleden. Juliana moest plechtig beloven nooit meer contact te hebben met haar raadgeefster. 
Dat deed ze, maar de contacten bleven bestaan. Aan haar alternatieve New Age-temperament bleef ze trouw. Drie jaar na de Greet Hofmans-affaire ontving de Nederlandse vorstin ten paleize de Amerikaan George Adamski, een gewezen hamburgerverkoper die beweerde door ruimtewezens te zijn ontvoerd en sindsdien door het leven ging als ambassadeur van de planeet Venus. De officiële ontvangst werd gezien als een regelrechte provocatie. En zo was het ongetwijfeld ook bedoeld.

‘Invloed Greet Hofmans overdreven’ 
Den Haag – 

De politieke invloed van gebedsgenezeres Greet Hofmans, die een halve eeuw geleden op Paleis Soestdijk rondwaarde en innige contacten onderhield met de religieus aangelegde koningin Juliana, is waarschijnlijk overdreven. ,,Hofmans’ aanwezigheid was veeleer het gevolg dan de oorzaak van de opvattingen van de koningin.” 

Die veronderstelling staat in ‘Het kabinet Drees IV en het kabinet Beel II’ van Jan Willem Brouwer en Peter van der Heiden. De affaire Hofmans (1948-1956) veroorzaakte in de jaren vijftig grote commotie. Hofmans was door prins Bernhard aan het hof gehaald om iets te doen aan de oogkwaal van prinses Marijke (Christina). 

Hofmans ging uiteindelijk de geschiedenis in als een soort Raspoetin die de koningin aanzette tot pacifistische meningen die de regering ten tijde van de Koude Oorlog bepaald niet uitkwamen. Die meningen hing de vorstin in 1952 in Amerika aan de grote klok. Maar uit het boek lijkt op te maken dat de koningin moeilijk te beïnvloeden was en idealistisch van nature. De zaak-Hofmans knalde pas in 1956, maar vijf jaar ervoor waren er al zorgen over, blijkt uit het boek. KVP-senator Beaufort riep zelfs, met instemming van minister Stikker van Buitenlandse Zaken, toen al de hulp in van Eleanor Roosevelt, de weduwe van de Amerikaanse president en een vriendin van Juliana. Hij vroeg haar per brief de koningin aan te spreken op haar denkbeelden. Mevrouw Roosevelt heeft waarschijnlijk, en vergeefs, aan het verzoek voldaan. 

Ook de ambassadeur in Amerika, Van Roijen, maakte zich in dit vroege stadium al zorgen. Juist omdat de Amerikaanse reis toch een groot succes was, schreef hij Beaufort te vrezen voor een precendentwerking, omdat de koningin misschien zou denken inderdaad een missie te hebben. 

Na de Amerikaanse reis was het lange tijd vrij stil rond de zaak. Premier Drees hield het erop dat de problemen op het paleis vooral privé waren. In 1956 laaide de kwestie door buitenlandse perspublicaties op. Er werd een commissie van wijze mannen ingesteld (Beel, Gerbrandy en Tjarda van Starkenborgh Stachouwer), die de om Hofmans en Juliana’s ideeën overhoop liggende Juliana en Bernhard moest adviseren. 

,,Drees’ rol hierbij is onduidelijk. Alles wijst erop dat de instelling van de commissie in elk geval buiten het kabinet om heeft plaatsgevonden”, aldus de auteurs. Het kabinet zou verdeeld zijn geweest over de aanpak van Drees. Al eerder is gesuggereerd dat het initiatief bij het koninklijk paar zelf lag. 

Het boek probeert op basis van archiefmateriaal ook af te rekenen met het verhaal dat Drees na de kabinetsformatie van 1956 wel móest terugkomen als premier, omdat hij alleen de zaak-Hofmans kon oplossen. Volgens het boek is het echter een moeizame maar normale formatie geweest, waarbij de zaak-Hofmans nauwelijks werd aangeroerd. 

,,De PvdA had de verkiezingen gewonnen en Drees was haar boegbeeld; het lag dus, los van de problemen ten paleize, voor de hand dat Drees wederom het kabinet zou leiden. Er is ook geen aanwijzing dat de koningin tijdens deze formatie niet normaal zou hebben gefunctioneerd.”

Related posts