Edgar Cayce over het laatste avondmaal

Pasen

HET LAATSTE AVONDMAAL

Deze vertalingen volgen de oorspronkelijke tekst waarvan sommige zinnen niet steeds duidelijk zijn.

 

Op het einde van lezing 1315.3 werd de suggestie voor het wakker worden drie maal vruchteloos herhaald. Na enkele minuten ging Edgar Cayce spontaan met de volgende lezing (5749-1) verder:

 

“Het laatste avondmaal – hier met de Meester – zie wat ze als avondmaal gebruiken – gekookte vis, rijst, met prei, wijn en brood. Een van de kruiken waarin hij wordt opgediend is gebroken – het oor is gebroken, en de lip.

Het hele kleed van de Meester is niet wit maar parelgrijs – alles gecombineerd in één stuk – het geschenk van Nicodemus aan de Heer.*

De knapste van de twaalf is natuurlijk Judas; de jongste is Johannes – ovaal gezicht, donker haar, glad gelaat – de enige met kort haar. Petrus, niet te kieskeurig, met een korte baard, ruw en niet al te proper; die van Andreas is juist het tegenovergestelde, zeer dun, maar nogal lang aan de kant en onder de kin – lang op de bovenlip – zijn kleed was bijna altijd grijs of zwart, maar zijn broek was gestreept, de broek van Philippus en die van Bartolomeüs waren rood en bruin.

Het haar van de Meester is bijna rood, geneigd te krullen op bepaalde plaatsen, toch niet vrouwelijk of zwak – sterk, met zware doordringende ogen die blauw of staalgrijs zijn.

Zijn gewicht is ten minste 170 pond. Lange op spits toelopende vingers, de nagels goed verzorgd – een lange nagel, toch, aan de linker pink.

Vrolijk, zelfs in het uur der beproeving. Maakt grappen, zelfs op het ogenblik van het verraad.

De zak is leeg. Judas vertrekt.

Wordt uitgedeeld het laatste van de wijn en het brood, die Hij symbolen maakte die voor elk van Zijn volgelingen zo dierbaar zouden zijn. Trekt Zijn kleed uit, dat uit één stuk is – met een handdoek omgordt hij Zijn lenden gekleed met een blauw en wit linen, slaat de plooien om, knielt eerst voor Johannes, Jacobus, dan voor Petrus, die weigert.

Dan het betoog: ‘Wie de grootste wil zijn, moet iedereen dienen.’

De kom die werd genomen is van hout, zonder handvat. Het water komt uit de kalebassen die in de shibbolets met wijde mond zijn, die in het huis van Johannes’ vader, Zebedeüs, staan.

Nu komt: ‘Het is gedaan.’

Ze zingen Psalm 91. ‘Wie in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, vernacht in de schaduw des Almachtigen. Ik zeg tot de Here: Mijn toevlucht en mijn vesting, mijn God, op wien ik vertrouw.’

Hij is ook muzikant. Hij speelt op de harp.

Ze vertrekken naar de Hof.”

 

PASEN

Ter gelegenheid van het paasfeest 1936 vroeg men Edgar Cayce de betekenis van dit feest.

Lezing 5749-6 was zijn antwoord:

 

“Wie zoekt die vindt. Voor elke ziel die de naam van Christus genoemd heeft zou dit een tijd moeten zijn van zich opnieuw toewijden als een ware boodschapper van Hem onder en bij de mensen.

“Waarom wordt die tijd gevierd, die deze opoffering nodig maakte opdat Leven gemanifesteerd zou worden?

“Waarom was een opstanding nodig? Waarom kwam Hij op aarde om op het kruis te sterven? Was het de vervulling van een belofte, de vervulling van een wet, de vervulling van de menselijke staat? Waarom werd Hij vlees en kwam op aarde in de vorm van een mens, indien niet om één te zijn met de Vader; om de goddelijkheid van de mens, zijn verwantschap met God, te tonen; om de mens te tonen dat de Vader het meende toen Hij zei: ‘Indien u roept zal Ik horen. Zelfs al bent u ver weg, zelfs al bent u met zonden bedekt, indien u gewassen wordt in het bloed van het Lam mag u terugkomen.’

“Dan, al was Hij de eerste mens, de eerste van de zonen van God in geest, in vlees, toch was het nodig dat Hij alle associaties, alle schakelingen volbracht om uit de ervaringen van de mens alles weg te vegen wat hem van zijn Schepper scheidt.

“Al is de mens ver van huis, al heeft hij gedwaald, een moderne levenswandel met Hem werd gemanifesteerd door Degene die al deze verwarringen, die strijd, die verlangens, die drangen die het lot van de mens op aarde kunnen zijn, zelf heeft ondervonden. Toch nam Hij de vleselijke vorm, maakte Zichzelf als niets – zoals altijd was beloofd aan degenen die met God wandelden en spraken.

“In het verhaal van de verrijzenis zoals u het gedeeltelijk hebt neergeschreven, mag het hier zo uitgelegd worden dat degenen die Zijn lijden hebben ervaren(…) die dagen opnieuw mogen beleven. Al was er vrees voor de elementen buiten, lichamelijke en mentale vrees, voor de politieke machten, er was de herinnering dat Hij had gezegd: ‘Al vernietigt u die tempel, in drie dagen zal hij weer opstaan.’

“En terwijl Hij op het kruis hing, riep Hij degenen die Hij beminde en herinnerde Zich niet alleen hun geestelijke doelstellingen maar ook hun stoffelijke levens. Want door de dood op het kruis te lijden werd Hij werkelijk de hele, de volledige weg: de weg, het leven, het begrip, opdat wij die in Hem geloven ook het eeuwig leven zouden hebben. Want Hij droeg aan Zijn broeders niet alleen de zorg over voor het geestelijk leven op deze wereld maar ook over het stoffelijk leven van degenen die van Zijn eigen vlees, van Zijn eigen bloed waren. Ja, zoals Hij zijn lichamelijk bloed gaf opdat twijfel en vrees zouden verbannen worden, zo ook overwon Hij de dood, niet alleen van het stoffelijk lichaam maar van het geestelijk lichaam – opdat het één met Hem zou worden, zoals op de morgen van de opstanding, wat u Pasen noemt.

“Het is dat uitbreken uit het graf, zoals aangetoond door het voorbeeld van de knol van de boom der natuur die uit zijn slaap breekt opdat hij zou opstaan als Hij, genezing brengend door zijn leven, om alle fasen van de ervaringen van de mens tot Zijn bewustzijn te brengen- dat werd dan echt het vervullen van de wet.

“U vraagt zich af hoe dit [het volbrengen van de wet] stoffelijk gebeurde? Niet alleen was Hij dood in lichaam, maar de ziel was van het lichaam gescheiden. Daar alle fasen van de mens op aarde gemanifesteerd waren, werden het stoffelijk lichaam, het mentale lichaam, het ziel-lichaam, elk afhankelijk van zijn eigen ervaring. Is het dan een wonder dat de mens riep: ‘Mijn God, mijn God, waarom heb je me verlaten?”

“Elke ziel komt zoals Hij, voor de Troon van zijn Maker te staan, met de daden die gedaan werden in lichaam, in geest [het Engelse ‘mind]), en biedt zijn geestelijke lichaam aan voor de Troon van Barmhartigheid, voor de Troon van de Maker, de Schepper, God.

“Toch, zoals Hij, de Vader, elk van u heeft gegeven: ‘Ik heb mijn engelen de opdracht gegeven voor u te zorgen, en ze zullen u opheffen, en u zult geen bederf kennen.’

“Dit bewees Hij door de ervaring van uw Broeder, uw Redder, uw Jezus, uw Christus, die in uw aller harten en levens zou willen komen wonen – indien u het Hem maar toestaat, indien u Hem maar wilt uitnodigen, indien u uw eigen hart maar wilt openen, elk van u, zodat Hij binnen kan komen en bij u blijven.

“Vandaar komt het dat, – toen Zijn beminden en sommige van Zijn broeders op die blijde morgen kwamen, toen ze de tijdingen gehoord hadden, – degenen die de wacht hielden een vreselijk lawaai hoorden en het licht zagen en ‘de steen werd weggerold’.

“Dan gingen ze in de tuin en daar zag Maria voor het eerst haar verrezen Heer. Vervolgens kwamen enkele van Zijn broeders met de trouwe vrouwen, degenen die Zijn moeder liefhadden, degenen die haar gezellinnen waren in het verdriet, degenen die voorbereidingen maakten opdat de wet zou behouden worden opdat er geen ontheiliging van de grond rondom Zijn graf zou zijn. Ook sommige van Zijn vrienden, Zijn beminden, Zijn broeders zagen de engelen.

“Hoe, waarom, namen ze vorm aan? Opdat in hun hart en ziel het volbrengen van de beloften zou ingeplant worden.

“Wat houdt u tegen de Heerlijkheid te zien van Hem die dikwijls met u wandelt, in de aanraking van een liefdevolle hand, in de stem van degenen die u willen troosten en opbeuren? Want Hij, uw Christus, is vaak met u.

“Twijfel, vrees, ongeloof, vrees dat u niet waardig bent!

“Open uw ogen en aanschouw de Heerlijkheid van uw Christus hier tegenwoordig, nu, in uw midden. Zoals Hij hun op die dag verscheen.

“Wat betekent het verhaal van de Christus, van Zijn verrijzenis, van de mens Jezus die in Galilea wandelde, zonder die morgen van de opstanding?

“Niet veel meer dan dat van de mens die u zo licht telt, niettegenstaande zijn stoffelijk lichaam het beenderen van Elisa aanraakte en die opnieuw onder de mensen wandelde!

“Gelooft u dat Hij verrezen is? Wat zei Thomas? ‘Tot ik zie, tot ik mijn hand in Zijn zijde heb gelegd waar water en bloed uitgutste, tot ik Zijn lichaam heb aangeraakt, wil ik niet geloven.’

U ook twijfelt dikwijls, u ook vreest dikwijls. Nochtans is Hij zeker bij u. En als u in die blijde tijd uw leven, uw lichaam, uw geest [‘mind’] Zijn dienst opnieuw toewijdt, dan kan u ook weten, zoals zij [die getuigen waren van de opstanding], dat Hij leeft en is aan Gods rechterhand om uw voorspraak te zijn – indien u wilt geloven, indien u wilt geloven dat Hij is, kunt u het ervaren. Want allen die Zijn naam genoemd hebben en die voor hun broeders doen de daden die hun die nabijheid, die eenheid van doel met Hem doen voelen, zij kunnen weten, en u ook, in lichaam en geest [‘mind’], dat Hij VANDAAG leeft, en zal komen en u in Hem ontvangen, dat waar Hij is, ook u zijn moge.

Kruisig hem niet in uw geest [‘mind’] noch door uw lichamelijke activiteiten. Laat u door de aardse dingen niet overwinnen. Kleed veeleer uw lichaam, uw geest [‘mind’] met de gedachten, de daden, de voordelen die Zijn lijden als mens u gebracht hebben, dat Hij inderdaad de eerste mocht zijn van degenen die insliepen, de eerste van die in het vlees kwamen, die door alle perioden van voorbereiding van het vlees heenging, juist zoals u.

Maar indien u Hem ‘aantrekt’ moet u Zijn beloften als de uwe opeisen. En hoe kunt u ze opeisen, tenzij u elke dag, volgens uw eigen kennis, uw eigen bewustzijn, hebt gedaan, doet, hetgeen waarvan uw hart u heeft gezegd, u zegt, dat het in harmonie is met wat Hij beloofd heeft?

Want uw Christus, uw Heer, uw Jezus, is dichtbij u, nu.”

 

_____________________________

*Lezing 3175 leert ons dat Martha, de echtgenote van Nicodemus, de zuster was van de schoonmoeder van Petrus.

“Martha begon met het weven van het kleed dat een deel van de uitrusting van de Meester werd. Dus werd het kleed speciaal voor de Meester gemaakt. Wat de kleur betreft, het was niet zoals het kleed van de priester, maar geweven in één stuk met een gat bovenaan om er het hoofd door te steken, en het bedekte het lichaam, en werd met koorden rond de lenden vastgemaakt… De kleur van het kleed was parelgrijs, zoals we vandaag zouden zeggen, met een zelfkant rond de hals en aan de kanten, zoals aan de schoulders en onderaan; geen belletjes, geen granaatappelen, buiten de Urim en de Tummim die integraal deel uitmaakten van de zelfkant onderaan. Ze waren als een balans waarin de priesters een oordeel wogen. Maar ze waren ingeweven, niet bovenop de zelfkant geplaatst. Er waren ook geen edelstenen.

Nicodemus bood Jezus het kleed aan na de genezing van de weduwe van de zoon van Nain die familie van Nicodemus was.”

Voor een beschrijving der traditionele priesterklederen zie Ex. 28.

(vertaling M. Vansteenkiste)

http://users.belgacom.net/cayce/framenl.htm

Related posts