Wat verwacht je van een krokodil

Heel erg lang geleden woonde er een Farao in een grote piramide.
De Farao was een zeer intelligent man. Tot zijn verdriet had hij een zoon die niet zo intelligent was.
Het was een goede jongen. Hij was vriendelijk, empathisch, opgewekt en altijd zeer behulpzaam.
Als er iets was dat een Farao, en zeker een toekomstige, moest zijn, dan was dat zeker niet vriendelijk, empathisch en behulpzaam.
Maar het was wat het was.
De zoon van de Farao, een Egyptische prins, was een nieuwsgierige jongen. Op een dag ging hij het verblijf binnen waar de krokodillen wachtten op een hapje mensenvlees.
In het Oude Egypte was het wel eens de gewoonte om mensen die gestolen hadden of andere mensen hadden vermoord, in het krokodillenverblijf te gooien als voer voor de dieren.
De prins vond het fascinerende dieren!
En uiteindelijk maakte hij dagelijks een uitstapje naar het krokodillenverblijf.
Dan keek hij hoe deze dieren leefden en soms keek hij toe terwijl ze een gevangene opaten.
De prins gaf de krokodillen soms wat vlees van dieren die gestorven waren rondom de piramide, en op een dag was de prins zo gewend aan deze dieren dat hij het waagde zijn hand in een hok te steken.
Hij wist dat de krokodillen konden bijten, maar hij was altijd aardig en vriendelijk voor hen geweest, dus waarom zouden ze hem nu wat aandoen?
Helaas: een krokodil beet één vinger af van de hand van de jonge prins.
Dat deed zeer.
Huilend rende hij weg en liet zijn wond behandelen.
De krokodil die de koninklijke vinger had opgegeten, werd gedood en voor de krokodillen gegooid.
De Farao schudde zijn hoofd, maar zei maar niets. De prins was wel genoeg gestraft.
Hij wist zelf ook wel dat een krokodil nu eenmaal een krokodil was en nooit anders kon zijn dan hij was.
Het was een dier, en dat dier begreep niets van de hand die hem voedde. Dat zat niet in zijn aard.
Na enige tijd waagde de prins het toch weer om de krokodillen te bezoeken. Hij gaf hen weer vlees.
En op een dag dacht hij werkelijk een soort vriendschap gesloten te hebben met een krokodil.
Hij wilde hem aanraken op zijn kop en stak weer zijn hand in het hok.
De krokodil hapte, en nu waren er twee vingers verdwenen van de prinselijke hand.
De prins rende weer huilend weg en liet zijn wonden behandelen.
De Farao ging naar zijn zoon toe en zei:
“Drie vingers kwijt, je had het kunnen weten.
De krokodil is geen mens zoals jij en ik.
Het is een dier, en de eerste keer is het je vergeven, je wist niet beter, maar de tweede keer is toch echt je eigen schuld!
Een krokodil bijt, dus verwacht dan niet dat het niet bijt!
Het is een dier dat bijt.
Leerzame les: steek nooit je hand in een hok met krokodillen, want ze eten je hand op, dan je arm, en dan jou!”
De prins ging nooit meer op bezoek bij de krokodillen vanaf die dag. Hij was genezen.
Metafoor:
Het zijn krokodillen in een hok, en als jij telkens je hand steekt in dat hok met de hoop dat ze eindelijk tam zijn en niet meer gaan bijten… ze doen het toch. Ze deden het altijd al.
Ga dan niet weer in die hoek zitten huilen omdat ze je beten!
Het is een krokodil!



