“We hebben elkaar gisteren nog gezien”
“We hebben elkaar gisteren nog gezien”

Oude Henk zat op het bankje voor het huis met zijn thermoskan koffie en een blik dat al jaren alles had gezien, behalve rust.
Zijn dochter was net geweest. Eén uurtje. Na een maand niks.
Hij had nog niet eens zijn koekje op.
Hij had vrolijk gezegd: “Ik kom morgen misschien nog even langs.”
Hij vond dat een prima idee. Gezellig zelfs.
Tot hij het hoorde.
Zijn dochter. Die vreemde generatie, zelfde bloed, zelfde talent voor rare timing.
“Nou nou… volgende week kan ook een keer ofzo. We hebben elkaar vandaag nog gezien.”
Henk keek langzaam op van zijn koffie.
“Vandaag nog gezien?” mompelde hij lichtelijk gekwetst.
Hij keek naar zijn buurman.
“Is dat tegenwoordig een meeteenheid of zo?”
Buurman haalde zijn schouders op.
“Blijkbaar.”
Henk nam een slok.
“Vroeger,” zei hij, “als ik mijn ouders een uur zag, dan kon ik daar drie dagen nog maar net op teren. Dan kwam ik nog snel weer eens langs met koek, schuldgevoel en een excuus.”
Hij keek weer naar zijn buurman bood hem koffie aan, schonk wat in uit de thermosfles en gaf er een koekje bij.
Henk knikte langzaam.
“Dus even samenvatten,” zei hij tegen zichzelf.
“Eén uur contact = ‘we zijn weer bij geweest voor deze maand’.”
Hij keek naar zijn thermoskan.
“Mooi. Dan kan ik deze koffie ook wel per kwartaal gaan drinken. We gaan maar weer aan de oploskoffie”
Buurman grinnikte.
Henk leunde achterover.
“Ach ja,” zei hij. “Zolang ze maar niet zeggen ‘we hebben elkaar vorige week nog gezien, dus bel me volgend jaar maar weer’.”


