Ali in Wonderland (maar dan Nederlands)
Ali in Wonderland (maar dan Nederlands)
Ali uit Arabistan viel niet door een konijnenhol, maar uit een gammel busje bij station Utrecht Centraal stond hij plots op het perron.
Nog vóór hij goed en wel wist waar hij eigenlijk was, zag hij overal fietsen. Véél fietsen. FatBikes, EBikes en fietsen en brommers. Mensen op fietsen. En niemand leek het raar te vinden.
“Wonderland,” fluisterde Ali, terwijl hij zijn sandalen recht trok. In Arabistan woonde hij jaren in een sloppenwijk, daar waar zelfs de schaduw armoede had. Water was schaars, grote dromen waren een luxe, en regels waren simpel: wie niks heeft, vraagt niks.
Maar hier… hier kon blijkbaar alles.
Ali werd er raar van in zijn hoofd, hoe kon dit mogelijk zijn? Een vrouw met paars in haar haar gaf hem zomaar een koekje. “Stroopwafel,” zei ze plechtig, alsof het een magisch object was.
Ali at hem en voelde zich onmiddellijk drie keer gelukkiger en één kilo zwaarder.
Hij ontmoette een ambtenaar achter een loket bij een gemeente die zei: “U moet nummer trekken.” Ali trok nummer 847. “En wanneer ben ik dan aan de beurt?” vroeg hij. “Dat is het wonder,” glimlachte de man. “Niemand weet dat. Ooit, ooit.”
Ali werkte niet eens, hij lachte, verbaasde zich. Hij sliep in een warm bed, dronk koffie die sterker was dan zijn wilskracht en leerde dat Nederlanders “ja” zeggen maar “nee” bedoelen, en “doe maar normaal” zeiden terwijl alles volkomen absurd is.
Voor Ali was Nederland Wonderland.
En dat Wonderland liet zich niet zomaar begrijpen.
Op een dag kreeg Ali een vis in zijn hand gedrukt. Rauw. Met uitjes.
“Eet,” zei een man vrolijk.
Ali keek naar de vis. De vis keek terug.
“Dit is… levend? Rauw?” fluisterde Ali.
“Nee joh,” zei de man, “dit is haring.”
Ali hield hem bij de staart omhoog, zoals iedereen deed. Hij hapte voorzichtig.
Zijn gezicht vertrok, zijn ziel verliet even zijn lichaam, maar toen…
“Hmm,” zei Ali.
“Niet slecht.”
Hij at er nóg één. En nog één. Wonderland had vreemde rituelen, maar ze werkten.
Hij ontdekte winkels waar één tas meer kostte dan zijn hele straat in Arabistan.
Tassen van leer, glimmend en met namen erop die klonken als toverspreuken.
Ali kocht er eentje. Waarom?
Omdat het kon.
Hij droeg kleding die hij thuis nooit zou durven dragen: strakke broeken, witte sneakers die na één stap in zijn dorp zouden overlijden, jassen zonder zakken (wie bedenkt dat?) met prachtige logo’s van dure merken.
Hij keek in spiegels en herkende zichzelf nauwelijks.
Ali uit de sloppenwijk was hier een andere Ali.
Misschien zelfs… iemand.
In parken zag hij mensen met honden in kinderwagens.
Hij noteerde het in zijn hoofd: Hond = baby.
Mensen praatten tegen hun katten alsof ze een baan hadden.
“Hij heeft vandaag echt een off-day,” zei een vrouw over haar hamster.
Ali zag mensen hun huisdieren kussen. Met de mond.
Hij keek weg. Keek weer terug.
“Kijk,” zei iemand trots, “dit is mijn kindje.”
Ali knikte beleefd, maar dacht: Wonderland is gek. Maar warm.
Hij leerde fietsen. Slecht. Heel slecht.
Hij viel. Vaak.
Niemand hielp hem, maar iedereen zei:
“Geeft niks hoor!”
Wat blijkbaar Nederlands is voor: succes ermee.
Hij leerde dat regen geen reden was om binnen te blijven.
Dat verjaardagen in een kring moesten.
Dat iedereen altijd haast had, behalve bij het oversteken.
Ali leerde nieuwe woorden:
Gezellig.
Doen we.
Komt goed.
Woorden zonder duidelijke betekenis, maar met een geruststellende klank.
Soms vergat hij waar hij vandaan kwam.
Soms voelde hij zich licht.
Alsof hij eindelijk bestond.
Maar zoals in elk sprookje kwam er een klok.
En papieren.
En een brief.
“U bent illegaal.”
Illegali Ali.
Dat klonk als een Italiaanse pasta, maar het smaakte wel heel bitter.
Hij moest terug.
Terug naar de sloppenwijk.
Terug naar stof, hitte en herinneringen die pijn deden.
Naar honger, armoede en verdriet en dromen die nergens op leken.
Ali huilde.
Veel.
Hard.
Zo hard dat zelfs de sterren even stil leken te staan.
En toch…
Ergens diep vanbinnen bleef iets gloeien.
Want Ali had Wonderland gezien.
Hij wist nu dat het bestond.
Dat ergens op de wereld mensen fietsen alsof het normaal is, vis rauw eten alsof het feest is, en honden behandelen als prinsen.
Op een avond in zijn oude dorp keek Ali naar de lucht.
Dezelfde sterren. Andere wereld.
Hij zei zacht, als een spreuk, als een belofte:
“Wat er ook gebeurt… ik keer terug naar Wonderland.”
HIj leek zo wel op Scarlet O’Hara uit gejaagd door de wind, hij balde ook zijn vuist tegen de donkere hemel.
”Ik keer terug”!!! En met die belofte hoorde hij ergens, ver weg, een rinkelende fietsbel. Of had hij zich dat verbeeld soms?



