Prins Roderick en het Grote BBQ-drama
Prins Roderick en het Grote BBQ-drama
Er was eens, in een land hier niet zo heel erg ver vandaan, waar weten we dus niet, een koningin met wat Italiaanse voorouders, maffia ofzo, met een zoon die dus de prins was.
Een aardige jongen hoor — beetje lamlendig soms, maar ach, hij was van haar.
Zijn naam was prins Roderick. Een belachelijke naam eigenlijk voor een prins, maar daar kon hij ook niks aan doen.
De koningin vroeg zich geregeld af kijkend in haar toverspiegel, (oh wacht dat is een ander sprookje):
“Wanneer, o wanneer…, vindt mijn zoon eindelijk eens een vrouw?”
Niet eens uit moederlijke zorg hoor, nee — gewoon, omdat het gezellig zou zijn.
Hoe meer familie, hoe meer vlees op de barbecue!
Vakanties zonder een verveelde zoon die zuchtend achter je aanloopt in de ontspannings-Spa met zijn : en ik verveel mij zo… zalig leek haar dat.
En toen, op een doordeweekse dinsdag — want wonderen houden zich zelden aan agenda’s — vond prins Roderick een prinses wel “leukig”.
Nou, vooruit dan maar, dacht de koningin.
Ze had er alle vertrouwen in.
Maar wat gebeurde er?
Blijkbaar dacht prins Roderick dat een relatie betekende: alles achter je laten.
Zijn moeder, het paleis, de BBQ, en zelfs de hond, hij had iedereen verlaten met de Cupido pijlen in zijn hart.
De koningin zag het met lede ogen aan: Ipv meer vlees voor de BBQ was er nu veel minder vlees voor de BBQ, niks gezelligheid enzo ofzo.
Uiteindelijk, toen het haar te gortig werd, liet de koningin stiekem de prinses ontvoeren.
Ze werd verkocht als dienares aan een rijke sjeik in een Arabisch land (want ja, zelfs koninklijke moeders hebben soms drastische methodes, je moet toch wat?!).
Prins Roderick moest flink acclimatiseren.
Hij had plotseling niemand meer – geen prinses, geen BBQ, geen moeder die vroeg of hij nog wat salade wilde, of een kussentje voor zijn poezelige prinsen rug.
En op een dag… stond hij daar weer. Voor de paleispoort te bellen aan de paleisbel.
Met hangende pootjes.
“Nou,” zei de koningin lichtelijk streng maar met tranen in haar ogen,
“de volgende keer stel je d’r eerst netjes voor aan je moeder, ja?
Even keuren noemen we dat.”
En zo kwam prins Roderick dus terug.
Hij stond daar, voor de paleispoort, met een gezicht dat zei: “Ik heb het allemaal zelf ingezien, echt waar mama.”
De koningin keek hem aan — haar zoon, haar vlees en bloed, haar verdwaalde gehaktbal.
Ze zuchtte, draaide zich om, en zei slechts:
“Kom binnen. Ik heb zelf vandaag die pasta gemaakt.”
In de paleiskeuken rook het naar tomatensaus, olijven, knoflook en een vleugje vergeving.
De koningin stond aan het fornuis in haar gouden schort — Mama Regina stond erop geborduurd in witgouden letters — en ze roerde in een pan alsof ze het lot zelf aan het bijsturen was.
“Dus… je dacht dat je nooit meer thuis hoefde te komen, hé?” zei ze zacht, terwijl ze een pollepel ophief als een heilige relikwie.
“Dat een prinses genoeg is om je buik te vullen, ja? Nou, amore mio, die leert je geen goede saus maken.”
Roderick durfde niets terug te zeggen.
Hij ging zitten, keek naar het bord dat ze hem gaf een gouden bord met spaghetti met gehaktballetjes, groot genoeg om vrede mee te sluiten.
“Eet,” zei de koningin. “En volgende keer… bel je je moeder gewoon even.”
Hij knikte, kauwde schuldbewust, en bij elke hap voelde hij de liefde –
die eeuwige, onuitroeibare, licht Italiaanse moederliefde…
En zo geschiedde.
Sindsdien rook het weer heerlijk naar BBQ’s in het koninkrijk — en wist prins Roderick dat moeders altijd gelijk heeft.
Altijd.

