Waargebeurd verhaal: Iran
Waargebeurd verhaal:
Iran
Met trillende handen stond ze op het balkon van het grote appartement dat ze deelde met haar grootmoeder, haar tante en twee neven.
Het uitzicht was niet mooi meer, allerminst fraai: overal hingen rookwolken van een gebouw dat net was gebombardeerd.
De tranen sprongen in haar ogen — al hun levens waren in gevaar.
Oma, waar ze zo veel van hield. En de familie.
Wat moesten ze doen? Waar moesten ze naartoe!?
Wie had gedacht dat dit zou gebeuren in hun land?
Zomaar, plotseling, hadden zogenaamde leiders besloten oorlog te gaan voeren. De waanzin!?
Het angstzweet brak haar uit. Vliegtuigen vlogen over met brommende, ronkende geluiden — doodeng.
De raketten schoten door de hemel, die nu donker werd.
Hoe kwamen ze deze nacht door?
Wat konden ze doen?
Ze bespraken de opties met resterende familieleden in het buitenland: Duitsland en Nederland.
Er kwamen weer geldbedragen die overgemaakt werden naar hun land.
“Weggaan,” werd er gezegd, “je móét weg!”
Maar ze konden maar voor 25 euro benzine krijgen, meer niet.
Daarmee kon je nét de grens over. Daarna moest je het maar uitzoeken.
Hopelijk was er familie die verderop nog een jerrycan kon brengen.
En dan? Dan moest je onderdak vinden.
Waar? Bij wie? En wat ging dat kosten? En voor hoelang?
Je wist niets.
En daarbij: neef Farzad had een kat. En die kon niet mee — dus wilde hij ook niet gaan.
Als je een kat meenam onderweg, en je werd aangehouden, dan zouden ze het dier vermoorden.
Je mocht geen kat hebben in Iran. Dat was verboden!
Toch hadden ze er stiekem één — tot groot genoegen van iedereen, want het was een gezellig dier.
Maar Gorbe (de kat) móést mee.
Anders bleef Farzad thuis!
Nou, alles in puin, inclusief familie, dat leek niemand een goed idee — ondanks dat Farzad koppig bleef volhouden.
Na nog meer bombardementen de volgende avond — waarbij de hele familie, zowel in het buitenland als binnenshuis, in rep en roer was — mocht Gorbe dan toch mee.
Achterin de kofferbak, in een oude kartonnen doos met een dekentje.
En als hij wat liet lopen, dan so be it… dat werd dan later wel weer schoongemaakt.
Het was even afzien voor iedereen die de koffers pakte.
Oma zat er wat wazig bij. Ze kreeg het allemaal niet meer zo mee.
Na het overlijden van haar man, twee jaar geleden, was het gemis te erg geworden.
Het deed er niet zo veel meer toe, zeg maar.
De familie in het buitenland had opa nog twee weken via de webcam aan tafel zien zitten, terwijl de goede man allang was gaan hemelen.
Slechte verbinding, noemde men dat.
Zo ging dat daar.
Gelukkig had een neef, van een neef en een nicht, “geeft weinig licht” — hen een prachtig aanbod gedaan.
In het noorden konden ze voorlopig terecht in zijn nieuwe huis!
Het was nog in aanbouw, dat moest wel even gezegd, maarrrrrr: je kon er slapen!
Nou, dat werd met beide handen — en dat waren er veel — aangepakt!
Iedereen blij en opgewekt: ze gingen vertrekken.
Oma, stram en stijf, werd achterin de auto in de kussens gedrukt.
Gordeltje om.
Slaappilletje in de mik. Die ging onderweg even een tukkie doen.
De kat, met veel gedoe en bombarie, werd in de doos gestouwd.
Ducttape eromheen.
Gaatje erin geprikt — hopelijk niet in zijn oogjes!
Je wist het maar nooit.
Maar dat zagen ze wel als ze aankwamen.
En daar ging de stoet, in een ellenlange file.
Iedereen ontvluchtte de stad.
Na uren kwamen ze eindelijk aan bij het huis van de ”scheve neef — zonder licht”.
Het huis was nog in casco.
Er was een muur rondom, zelfs een bovenverdieping met een open trap die je moest beklimmen als een wilde aap.
Er was water.
Er zaten ramen in het huis.
Maar voor de rest…?
Er was niets.
De familie was woest en verbolgen!
Hoe had die neef dat nu kunnen aanbieden!?
Nou goed… het moest. En je moest wat.
Voor de kat Gorbe werd een hekje gemaakt van wat takken en touw, zodat hij niet zou ontsnappen. Hij mocht in een kast zonder deuren met hek.
De doos was natgezeken, zo ook de deken.
Zonder wasmachine en dergelijke, gooiden ze het maar ver weg — ergens in de woestijn.
Wat een toestanden.
Morgen was er weer een dag.
Kijken wat ze konden doen.
Of ze ergens anders konden overnachten of tijdelijk onderdak konden vinden.
Verdrietig waren zij allen.
Behalve oma.
Die fleurde wat op, omdat ze weer eens even naar buiten kon.
En… zag zij vader daar niet, in dat open deurkozijn?
“Nee oma, dat kan niet.”
“Jawel hoor,” zei ze, knikkend naar de deur.
Een glimlach gleed om haar mond.
Ze had hem echt gezien.
Misschien kwam hij wel… om hen te beschermen.
Morgen was er weer een nieuwe dag.
Gelukkig was er hier geen oorlog.
Nog niet.
