Waar koeien poëtisch loeiden
Lang geleden, toen Wingzie nog een kleine Wingzie was – een jaar of zeven, tot haar 12e – verhuisde ze met haar moeder naar Friesland. Haar 2e vader woonde daar nml en haar moeder en hij waren net getrouwd.
Nu was hij toch familie, maar dat kon ze niets schelen, want kinderen wilden ze toch niet meer ik was de enige en bleef de enige.
En Friesland dat was niet zomaar een plek, nee: Friesland, dat was een wereld apart. Heel anders dan een stad.
Een sprookjesachtig stukje land waar koeien poëtisch loeiden in de mist en waar mensen meer zeiden met een hoofdknik dan met duizend woorden.
Ze woonden in een statig roodstenen huis, oud en eigenzinnig, met een tuin die je gerust kon verwarren met een wild park. Een badkamer? Centrale verwarming? Toiletten? Nee joh. Modern was nog niet zo in de mode nml. Daar deed men nog aan tobbes en tonnetjes. De wc stond in de schuur. Een kleine houten ton. En dat rook je. Zelfs nu nog, als Wingzie een foto van zo’n houten ton ziet, ruikt ze die geur weer. Niets wekt een herinnering zo snel tot leven als de walm van een jeugdtrauma. En moest je in de nacht naar buiten om te plassen dan was dat erg griezelig.
Koud en griezelig.
Later mocht Wingzie dan een pispot boven hebben, dat scheelde, hoewel de enge donkere duistere zolder ook vroeg om overslaan en liever een nacht ophouden.
De pispot werd niet altijd tijdig geleegd, zodoende overstroomde de pot een keer of -weet ik niet meer-, en waarbij mijn vader die dag druppels op tafel zag liggen en even proefde wat het was, …enfin.
Eens per week werd er gebadderd. In een teiltje. Een soort menselijke fondue in je eigen vuil. Simpel, maar effectief. Je was weer fris tot maandag. Misschien dinsdag, als je weinig had bewogen. Nu was het daar rennen en nog eens rennen.
Ze woonde er met haar moeder, en haar tweede vader – een lieve man met een warm hart en helaas een warme band met de jeneverfles. Het was geen slechte man, integendeel, maar zijn liefde voor spiritualia maakte het thuisleven soms tot een rariteitenkabinet vol spanning. En als moeder dan ook nog meedronk, eindigde zo’n avond vaak in misère. Zondagen waren middagen waarop er laat werd gegeten en vaak waren dat dan aangebrande boontjes.
Maar voor Wingzie betekende het Friese land vooral : spelen. Veel spelen. Buiten. Rennen door de tuin, kippen voeren, de duifjes roepen die ze zelf absurde namen gaf zoals Befke of Pik, – en dat wordt dan Pike: zei moeder lachend. En dan had je nog de moestuin, een groene oase waar groenten groeiden die groter leken dan de kinderlijke zorgen.
We hadden dus duifjes en kippen en 2 konijntjes en 2 honden waarvan een van mij was.
Op een avond gingen ze wandelen, met twee honden en een vleugje ondeugd. Mijn vader ging gerust het kerkhof over in het donker en als het stormde vond hij het mooier. Het was die avond dan ook weer eens erg donker en mistig. Naast het wandelbos lag een tuinencomplex. “Kom,” zei vader, “eens kijken wat daar zoal groeit. Hij grinnikte. Voor ”inspiratie”, inspiratie in zijn jaszak zeker ja, ja”.” Zo slopen ze langs de bonenstaken en de kroppen sla alsof ze op een geheime missie waren. midden in de mistslierten. Tot een auto opdook met fel licht. “Bukken!” riep haar vader fluisterend, en daar lagen ze dan: tussen de kool en bonestaken en de nervositeit, verscholen als konijnen in de jacht. Het waren momenten vol spanning en leuke herinneringen.
Op een andere avond, reed vader door het donkere bos. Plots: een haas voor de auto. Vaders maakte een zwieperd en BAM. Tegen de bumper van de Mercedes. Vader stopte, liep naar het dier, tilde het op en gooide het zonder veel poespas in de kofferbak. “Die lusten wij wel,” zei hij nuchter. En een week lang keek Wingzie in het gangpad van het huis naar de schuur aan tegen een ontvelde haas dan kon hij nog eens besterven ofzo dan werd het lekkerder. Maar hij hing daar alsof hij elk moment weer kon wegrennen.
Ze aten ook wel eens duiven. Van de jager gekregen. Vol hagel. Wild proeven werd zo een soort Russisch roulette voor je gebit. Wild vond ik nooit echt lekker, het was wat bitter en taai.
Hoewel de duifjes lekker zacht en zoetig waren inclu hagel, vond ik het te zielig, want ik had zelf duifjes immers.
Moest er niet aan denken dat ze mijn Befke in de pan hadden gegooid toch?
De winters waren guur. Ijzig koud. Sneeuw tot aan je oksels. Het huis vroor intens koud in het hele huis. Alleen 1 kachel beneden hield het leefbaar. Vooral die ene winter waarbij de sneeuw tot boven het raam uitkwam beneden en je wegzakte tot aan je schouders in de sneeuw in de tuin.
Het was ook best griezelig die tijd.
En als je ging schaatsen? Dan huilde je bij terugkomst met je voeten nog in de doorzakkers, zo fietste je dan naar huis want die kreeg je niet meer uit, met je bevroren vingers. Voor de kachel was de pijn niet te harden en huilde je bittere tranen. Je slaapkamer had dikke ijsbloemen op de ramen elke ochtend.
En Oh god als iemand toch vergeten was de elektrische deken aan te zetten…oei, dat was niet te doen.
Muziek was een strijdpunt. De Top 40 was verboden terrein. Vader wilde alleen de geheime zenders uit het Noorden horen. Hij werkte in zijn schuur en repareerde televisies en radio’s in die tijd nog een dingetje.
Maar als ik de woonkamer betrad en op de radio de zender popmuziek aanzette dan kwam hij soms in stille woede de woonkamer in, mepte de radio dan weer op geheime zenders en vertrok weer naar zijn schuur.
Waarom? Niemand die het wist. Zelfs de honden keken vragend. Later, op tv, mocht Toppop van mama jaren later ook al niet. Vaag wel?
Het leven werd leuker in Friesland toen Wingzie eindelijk eens echt gewend was en eindelijk echte vrienden begon te maken. De overgang basis naar middelbare ging vast goedkomen. Maar toen verhuisden ze. De scheiding werd een feit.
Terug naar de stad. Net toen het mooi en leuker werd.
Zo is het leven soms. Net als je denkt: nu past het… haalt iemand de puzzel weer uit elkaar.
Maar het verhaal blijft. En gelukkig ook de lach.
