Regenachtig

De regen droop uit de grijze hemel, het sopte van uit zijn schoenen, tijdens het lopen keek hij er naar, hoe het water uit zijn schoenen sijpelde, terwijl hij stap voor stap vooruit kwam op deze aardbol.
Het geluid was grappig, wssssj wsjjjj.
Zijn ouders hadden geen geld voor nieuwe schoenen.
Ook al werkte zijn vader nog zo hard in de mijnen, hij verdiende nauwelijks iets en met al zijn broers en zussen, bleef er niet veel over.
Enkel om van te eten en de afdankertjes van de broers, die hij mocht afdragen.
Hij was de jongste van het stel jongens, dus voor hem was alles enorm aftands.
Gedragen door de 5 stoere ruige broers voor hem.
Gelukkig gingen de oudste twee broers nu ook de mijnen in, en dan zou het iets beter worden, had moeder hen trots verteld.
Jochem was zijn naam, hij was 11 jaar oud en had brutale bruine ogen onder een zwarte kuif.
Op zijn neus zaten sproeten, en zijn mond was smal, en hij droeg altijd en eeuwig zijn pet.
Zonder pet ging hij de deur niet uit en toch ging hij vaak de deur uit, het was hem te druk in hun huisje met zoveel broers en zussen.
Vijf broers en 4 zussen, het huis was altijd vol.
Jochem wroette wat in zijn neusgaten, en smeerde het aan zijn jack.
Hij wist een ding zeker hij zou nooit werken in de mijnen, hij wilde namelijk rijk worden, hij zou het hogerop brengen, hij kon al lezen en rekenen namelijk.
Hij deed ook erg zijn best hier voor, elke avond las hij in de bijbel voor hij slapen ging.
Hij wilde bij de bank werken.
Dat was zijn droom, niets donkerte, duisternis, dat was niks voor hem.
Oh nee Jochem zou het gaan maken en dan zou hij zijn ouders veel geld geven zodat ze eindelijk eens een fijn leven hadden.
Ja hij had het allemaal al bedacht.
Jochem slenterde langs de kade waar allerlei schepen losten en laden.
Het was er erg druk, veel mannen met ontblote bovenarmen en tattoeages op hun armen, waren druk bezig met hun werk.
Jochem moest uitkijken waar hij liep. Met een grote boog liep hij om een cafe heen, waar ze slaags geraakt waren.
Op de grond lag een appel, gevallen uit een krat, Jochem pakte het op en wreef de appel glanzend schoon.
Hij zette zijn witte sterke tanden in de appel.
Hij liep langs een steeg, waar hij beter niet langs kon lopen, dat wist hij wel.
Dames met ontbloot bovenlijf hingen daar uit de ramen, of liepen heupwiegend over de straat, elke man, die langskwam aanhoudend en vragend of hij wilde plezieren.Ze hadden knalrode lipstick om hun lippen gesmeerd, sommigen waren oud maar toch waren er ook mooie jonge vrouwen bij.
Jochem moest vaak lachen als hij ze zag. Ze waren zo anders dan zijn moeder. Zijn moeder was altijd lief, maar had nooit mooie kleding aan, altijd oude vodden, en haar haren zaten altijd wild gekruld om haar smalle gezicht.
Hij vond zijn moeder wel het mooiste van allemaal, dat wel.
Maar ze had zoveel mooier kunnen zijn als ze geld hadden gehad.
Dan had ze mooie kleding kunnen dragen en hadden ze in een groot huis kunnen wonen.
Dan droeg ze een vos om haar hals en mooie kettingen van diamanten om haar hals.
Jochem droomde er vaak over.
Hij slenterde verder langs de kade, in de stromende regen, het deerde hem niet.
De regen droop over de rand van zijn pet.
Plots greep een hand hem in zijn kraag en een grote hand lag over zijn mond om zijn schreeuw te dempen.
Iemand sleurde hem mee over de kade in een hoek.
Met grote verschrikte ogen keek Jochem naar de persoon die Jochem omdraaide, en hij zag een rijk heerschap, welke een zakdoek uit zijn jaszak rukte en deze in zijn mond propte.
Jochem kon geen kant op, hij schopte en sloeg en stompte maar, niets hielp de rijke heer was sterker dan hij met zijn 11 jaar.
Hij was bang, intens bang, nog nooit was hij zo bang geweest als toen, voor het eerst in zijn leven was hij doodsbang.
De man sleepte hem mee, ergens achteraf, niemand die hen gezien had, Jochem was te ver afgedwaald, niemand die hem waarnam of het heerschap zag.
Jochem wilde schreeuwen roepen om zijn moeder, of vader, maar hij kon niets.
De man sleurde hem mee in een hoek donker en stil.
Jochem rook strobalen, een opslag voor strobalen flitste het door zijn hoofd.
De man rukte aan Jochem zijn broek, hij scheurde de gulp open, Jochem wist niet meer hoe hij het had.
De hand gleed in zijn broek, wat deed die man?
Jochem trapte naar achteren maar kreeg een klap tegen zijn hoofd.
Even was hij duizelig, de hand graaide in zijn kruis, wat was dit voor een smerig heerschap?
De man trok zijn broek naar beneden en graaide naar zijn witte billen, Jochem was woedend.
De man hijgde, en plots was ook zijn broek naar beneden, Jochem keek vol afschuw naar het geslacht van het heerschap dat recht omhoog wees, de man duwde zijn geslacht naar zijn gezicht, Jochem kokhalste, wat dacht die man wel niet?
De man duwde met zijn geslacht tegen zijn mond, en voor Jochem het wist, beet hij de man keihard in zijn geslachtsdeel.
De man liet hem kermend los, Jochem bedacht zich geen moment, en pakte het eerste het beste dat nabij lag en sloeg de man op zijn hoofd, keer na keer, sloeg hij, woest was hij!
Het bloed droop langs het gezicht van het heerschap, nog een keer, sloeg hij en nog een keer.
Hij greep zijn broek vast en sjorde deze omhoog, verdoofd ging hij zitten naast het heerschap.
Bloed stroomde over de betonnen vloer, een klein riviertje, zag Jochem, een rood riviertje.
Hij moest weg daar, weg!
Hij moest rustig worden, bedacht hij nerveus en angstig, heel rustig, nadenken nu, galmde het in zijn hoofd.
Hij keek naar de rijke heer naast hem op de grond, zonder broek aan, de man ademde niet meer, hij had hem gedood!!!!!
Zenuwachtig begon Jochem te lachen.
Had hij dit gedaan?
Hij graaide in de zakken van het heerschap en vond een flink pak met geld, een gouden horloge en enkele aandelen, een zakje met goudstukken, hij nam alles mee.
Hij rende later over de kade, angstig maar ook gelukkig.
Zijn gulp was wel kapot maar dat kon hem niet langer deren, hij zou thuis gelukkig maken eindelijk.

Jaren later was hij een rijk bankier, zijn ouders hadden een goed leven, zijn broers en zusters hetzelfde.
Dat alles dankzij een smerig heerschap die het leven liet bij de kade, in een donker hoekje achteraf.
De politie had bedacht dat de man beroofd was, en Jochem was verhuisd met zijn ouders, naar een mooi huis, en eindelijk hadden ze mooie kleren, en geld genoeg om een hele lange tijd van te leven.

De aandelen? Een minister met vele aandelen die onderhands verkocht werden ach,…

© AngelWings

 

 

 

 

Facebooktwitterpinterestmail

Gerelateerde Berichten