De Voorbestemde Ontmoeting
De Voorbestemde Ontmoeting
De stad zinderde onder de hitte van een late zomerdag. Anna veegde een donkere lok van haar gezicht terwijl ze het zebrapad overstak, zich haastend naar de supermarkt voor een fles gekoelde witte wijn. Het was weekend en ze had wel zin in een lome avond.
De lucht hing zwaar, geparfumeerd met de geur van bloeiende lindebomen en asfalt dat in de zon was gebakken.
En toen plotseling– een botsing.
Haar schouder raakte de zijne. Een fractie van een seconde, een ademhaling. Haar blik vloog omhoog en daar waren zijn ogen.
Een storm van blauw en goud, diepe onderstromen die haar in één klap meenamen naar een plek in haar ziel die ze niet kende, maar toch herkende. Haar adem stokte. Hij stond stil, net als zij, de drukte van de stad verdween in de stilte tussen hen in.
“Sorry,” mompelde hij, zijn stem warm, ruw, met een zweem van iets onbekends.
Anna wilde antwoorden, maar haar woorden zaten vast in haar keel. Ze kon alleen maar naar hem kijken. Zijn donkere haar krulde licht bij zijn slapen, zijn kaaklijn was scherp en mannelijk, een schaduw van een baard die hem een tikje ongepolijst maakte. Zijn lippen… vol, lichtjes gekruld in een mengeling van amusement en herkenning.
En toen gebeurde het.
Hij stapte opzij, gaf haar ruimte om door te lopen, maar hun blikken hielden elkaar vast. Anna voelde haar hartslag versnellen, haar benen bewogen zich zonder haar toestemming. Langzaam liepen ze verder, een paar meter uit elkaar, beiden richting de supermarkt op gelijke afstand alsof ze samen liepen en toch niet samen waren.
Binnen voelde de airco als een koude streling op haar verhitte huid. Ze nam een mandje en liep langs de rekken, zich ervan bewust dat hij ergens in de buurt was. En ja hoor – bij de wijnen stond hij. Hij glimlachte alsof hij wist dat ze hier naartoe zou komen.
“Ook een voorkeur voor Chardonnay?” vroeg hij, een fles in zijn hand houdend.
Anna lachte zacht. “Meer Sauvignon Blanc.”
Hij hief een wenkbrauw. “Goede keuze. Maar dan moet je hem wel met mij delen.”
Die woorden, speels en luchtig, sloegen in als een bliksemschicht. Alsof ze niet zomaar woorden waren, maar een echo van iets wat allang besloten was, ver vóór deze dag.
Ze wist niet waarom, maar ze knikte.
En zo liepen ze samen de winkel uit, de zon laag aan de horizon, de stad warm en loom. Zijn huis was dichtbij. Ze volgde hem, hun schaduwen langgerekt op de stoep.
Dit was geen toeval. Dit was verloren tijd die ingehaald moest worden.
De ziel die dit alles volgde van een kleine afstand knikte goedkeurend. Het was tijd om weer naar de aarde te gaan.
Zijn ouders zouden zijn lichaam maken op deze lome zomerse dag.
Het moment was perfect getimed.
Hij vloog nog even naar hemelse sferen, om snel terug te komen voor een lange aardse tijd.



