appelboom (verhaal)

De appelboom (verhaal)

De appelboom 


Heel lang geleden, in het dorpje Wrecht, stond al honderd jaar een inmens grote appelboom. 
Het was een prachtboom, een wonderboom, van heinde en ver kwamen de mensen om van de appels te proeven van deze verrukkelijke appelboom. De lekkerste appeltaarten kwamen dan ook altijd uit Wrecht. 

Ze wonnen elk jaar op de Meifeesten de meeste prijzen aangaande alles wat men maar kon maken met appels. En dat was best veel, bv appelstroop, uit Wrecht waren dat de heerlijkste stropen, geen twijfel over mogelijk. Appeltaarten, Wrechtse appeltaart, zelfs het koningshuis nam ze af uit Wrecht. En ipv een sesamzaadpasta, maakte men in Wrecht een heuse echte appelpitpasta, en die was verrukkelijk! Iedereen wilde wel een appel proeven van deze wonderboom. 
Het werd op den duur zelfs zo erg, dat zodra er vruchtjes aan de boom kwamen, deze al geplukt waren voor er maar een appeltaart van gebakken had kunnen worden. 
Dit tot grote woede van de dorpsbewoners uiteraard, dus stelde de burgemeester van Wrecht zelfs stadswachters ter beschikking om de boom tot volle bloei te laten komen, er werden zelfs hekken omheen geplaatst! 

Niemand die nog zomaar stiekem een appeltje kon stelen van hun Wrechtse appelboom. De appels van de boom werden sindsdien geplukt en in de hooischuur van boer Bertus uitgedeeld aan de beste kokkins van het dorp. Zij mochten de appeltaarten gaan bakken, zij mochten appelpitpasta’s maken, zij mochten appelmoes maken, zij mochten appelstroop maken, appelcider, en appelwijn en appelazijn. Alles ging heel nauwkeurig. Netjes in schone wekpotjes, flesjes, bakjes, noem maar op, met een heus eigen ontworpen appelboompje op het etiket met daarop de naam, “De appelboom”en eronder met trotse schuine koninklijke letters, “Wrecht”, hierna kwam alles uiteindelijk terecht in een nieuwe winkel in het dorpje Wrecht, “ De appelboom” genaamd. Een prachtwinkel was het, iedereen was het er over eens. Prachtig lichtgroen geverfde kozijnen en de deur bevatte een handgewerkt ijzeren rek in de vorm van bladeren met daar midden in een prachtige appel als deurknop. Zelfs de deurbel was een appel aan een touwtje met een uitgeholde binnenkant met hierin een gouden klingeltje, welke plezierig klingelde als men het winkeltje betrad. 
In de winkel zelf kon men mooie zelfgemaakte mandjes kopen, met daarin gedroogde appeltjes, of potpouri van gedroogde appelblaadjes en bloemetjes die zalig geurden. 
Op de planken achter de toonbank lagen allerlei heerlijkheden uitgestald, appeltaart, appelgebak, appelbrood zelfs, en noem maar op. Het was een groot succes! 
De koningin kwam hoogstpersoonlijk op bezoek om het winkeltje te bewonderen en zij gaf de winkel het keurmerk Hofleverancier, ze kregen een prachtig bord cadeau van de koningin, voor op de voorgevel van de appelboomwinkel. 

Iedereen was komen kijken naar het prachtige bord, onder het genot van een appelflap met appelkaneel, en men was het erover eens, dat de boom hun dorp veel geluk bracht. Men was welvarender dan ooit in dat dorpje Wrecht. Met gezonde blozende appelwangen, liep men trots rond in het dorpje en beschermde men hun Goddelijke appelboom. 
De dag kwam dat er na een hevig noodweer de bliksem insloeg op de appelboom, er was geen redden meer aan, ontworteld lag de grote boom op de grond, de takken gebroken, de appels als kindertjes verlaten van de moeder, op de grond. Een zeer trieste aanblik vond men, men huilde als men kwam kijken naar hun gesneuvelde boom. 
De burgemeester wist dat er niets anders opzat dan de boom te verwijderen en om te zetten in brandhout. 
Hij sommeerde enkele boeren om de boom om te halen en uit de grond te trekken met paard en wagen. Huilend stond men om de boom, alsof het ging om een verloren mens, die begraven ging worden. Uiteindelijk was alles in stelling gebracht en de burgemeester gaf het startsein, er werd getrokken aan de boom, uit alle macht. 
En ja daar ging zij, onder het gemompel “ooh’s en aah’s”, langzaam slepend over de grond, 
boer Berend stond bij het gat in de grond te kijken, en verschrikt riep hij de burgemeester. 
Samen keken zij naar het gat in de grond, mompelend, behoorlijk wit om de neus. 
De burgemeester riep de veldwachter en na een gesprekje gezamelijk moesten alle mensen weg! 
Niemand wist waarom, maar men ging, want als de veldwachter het zei, dan had je weinig keus. 
Geschokt staarde de burgemeester naar boer Berend, niemand, hoor je niemand mag dit ooit te weten komen. 
Boer Berend slikte hoorbaar, hij was behoorlijk misselijk, Ik begrijp het, burgemeester. 
De veldwachter en boer Berend, moesten het gat leeghalen, twee skeletten elkaar innig omhelsend lagen tussen de nog overgebleven wortels van de appelboom. 
De ooit, lang geleden, vermiste dochter van de rijkste boer van het dorp, en de vermiste kermisjongen, waarmee zij, dacht men vertrokken was. Wie dit op zijn geweten had, wisten zij niet, het belangrijkste was dat niemand ooit te weten kwam waarom de appels van deze boom zo zalig waren geweest. ‘’Liefde maakt alles zoeter’’, mompelde boer Berend nog spijtig kijkend naar de skeletten. Hij begon maar eens met ruimen, de veldwachter lichtte hem bij daar in de schemering achter het hek. 

©AngelWings

Gerelateerde Berichten