De Kleur van het Begin
De Kleur van het Begin
Ik wist nog niets van seizoenen,
niet van de weiden, of hoe de wind kon draaien.
Ik liep door vreemde, hoge gangen,
waar de muren nog naar gisteren roken.
En liefde ergens een echo achterliet in mijn ziel.
En plotseling was daar die gloed na jaren zoeken in de menigste.
Een flits van oranje in die grijze massa,
een masker dat de buitenkant verborg,
maar de blik erachter keek recht door mij heen.
Alsof een oude hand een boek opensloeg
dat we samen al eens hadden geschreven.
Je voelde als thuis, als bloed, als familie,
nog voor ik je naam kon spellen.
Een vreemde die geen vreemde was,
een anker in een overvolle zaal.
Nu zijn de kamers leeg en is de behandeling al jaren voorbij,
maar de stroom ligt nooit echt stil.
In de diepste uren van de nacht,
als de vos waakt en de wereld slaapt,
zoekt de warmte van die eerste vonk
zijn weg weer terug naar het licht.
Want wat in de winter verborgen werd,
breekt in de zomer altijd open.
